Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5901

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
13.189815.25 (A), 13-322590-25 (B) 13-332242-25 (C), 13-022959-26 (D) en 13-153073-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor openlijk geweld, mishandeling en diefstal met deels vrijspraak poging zware mishandeling

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in een meervoudige strafzaak tegen een jeugdige verdachte geboren in 2008. De verdachte werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder poging tot zware mishandeling, openlijke geweldpleging, mishandeling, diefstal en poging tot diefstal.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging tot zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs, ondanks het letsel van het slachtoffer en camerabeelden. Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte openlijke geweldpleging pleegde samen met anderen, mishandeling beging, en zich schuldig maakte aan diefstal en poging tot diefstal in vereniging. De verdachte had een mes bij zich tijdens het geweldsincident, maar het was onduidelijk of hij daadwerkelijk gestoken had.

De rechtbank hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en de complexe persoonlijke omstandigheden, waaronder verslavingsproblematiek en onderliggende trauma’s. Ondanks intensieve hulpverlening was gedragsverandering uitgebleven. Daarom werd een jeugddetentie van 148 dagen opgelegd, waarvan 60 dagen niet ten uitvoer worden gelegd, met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast werd de voorwaardelijke werkstraf van 60 uur uit een eerdere veroordeling gelast tot tenuitvoerlegging wegens recidive. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding van €300 toe aan het slachtoffer van mishandeling, met wettelijke rente, en verklaarde de rest van de schadevordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 148 dagen jeugddetentie met deels voorwaardelijke straf en vrijspraak voor poging zware mishandeling; immateriële schadevergoeding van €300 toegekend.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.189815.25 (A), 13-322590-25 (B) 13-332242-25 (C), 13-022959-26 (D) en 13-153073-25 (TUL) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.R. Nahar, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [persoon 2] namens Nidos, en door mevrouw [persoon 3] namens het Leger des Heils, afdeling reclassering, naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C en zaak D aangeduid.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Zaak A
feit 1: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1/getuige] op 20 juni 2025 te Amsterdam;
feit 2:openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1/getuige] op 20 juni 2025 te Amsterdam.
Zaak B
feit 1:mishandeling van [slachtoffer 3] op 26 november 2025 te Amsterdam.
Zaak C
feit 1:diefstal in vereniging van een of meerdere kledingstukken van winkelbedrijf [naam winkel] op 6 december 2025 te Amsterdam.
Zaak D
feit 1:poging tot diefstal in vereniging van een fiets van [slachtoffer 4] op 22 januari 2026 te Amsterdam.
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in
een bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
De ten laste gelegde feiten in zaak B, zaak C en zaak D kunnen worden bewezen op grond van de bekennende verklaring van de verdachte, welke wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen in de dossiers.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat ook de ten laste gelegde feiten in zaak A bewezen kunnen worden. De verklaringen van aangever [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 1/getuige] , die direct na het incident zijn afgelegd en elkaar bevestigen, worden ondersteund door foto’s van het letsel en camerabeelden waaruit blijkt dat de verdachte met een mes in zijn hand op [slachtoffer 1/getuige] afgaat en een steekbeweging maakt. Daarnaast is bij de fouillering van de verdachte een mes aangetroffen waarop mogelijke bloedsporen zichtbaar zijn. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een poging zware mishandeling. Daarnaast heeft hij deelgenomen aan openlijke geweldpleging.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van zaak B, zaak C en zaak D geen bewijsverweren gevoerd.
Ten aanzien van zaak A feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1/getuige] heeft gestoken.
Daarnaast moet de verdachte partieel worden vrijgesproken van de gedragingen die zijn tenlastegelegd onder het derde, vierde en vijfde gedachtestreepje onder feit 2 in zaak A. Op basis van de beelden en de bewijsmiddelen in het dossier kan niet worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] daadwerkelijk is geschopt en ook het gebruik van een mes jegens [slachtoffer 2] kan niet worden bewezen. Daarnaast kan niet worden bewezen dat de verdachte op de hoogte was dat de medeverdachte een mes bij zich droeg of dat het gebruik van dat mes redelijkerwijs voorzienbaar was.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak zaak A, feit 1
De rechtbank overweegt als volgt. Getuige [slachtoffer 1/getuige] heeft verklaard dat aangever [slachtoffer 2] na een woordenwisseling werd aangevallen door drie personen en dat hij tussen hen probeerde te komen, waarna hij in zijn hand werd gestoken. Uit de beelden, die tijdens de zitting in slow motion zijn bekeken, blijkt dat op het moment dat het conflict ontstaat tussen de medeverdachte en aangever [slachtoffer 2] , de verdachte een mes bij zich draagt dat hij echter lijkt in te klappen voordat hij een stekende beweging maakt, een beweging die op dat moment overigens niet in de richting van een hand lijkt te gaan. Daarnaast ontbreekt forensisch onderzoek naar het vermeende bloedspoor op het betreffende mes en is er ook geen onderzoek verricht op het mes dat (kennelijk) bij de medeverdachte is aangetroffen. Hoewel vaststaat dat [slachtoffer 1/getuige] een steekwond aan zijn hand heeft opgelopen, kan op grond van de bewijsmiddelen niet zonder (redelijke) twijfel worden vastgesteld dat de verdachte hiervoor verantwoordelijk is.
Gelet hierop acht de rechtbank niet met voldoende overtuiging bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1/getuige] heeft gestoken. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde feit onder 1 in zaak A.
4.3.2.
Bewezenverklaring zaak A, feit 2
Op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] , de verklaring van getuige [slachtoffer 1/getuige] , de foto’s van het letsel en de camerabeelden, is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. De rechtbank overweegt dat aangever [slachtoffer 2] uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij tegen zijn hoofd dan wel lichaam is geschopt, en er bestaat geen aanleiding om aan deze verklaring te twijfelen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte onderdeel uitmaakte van een groep personen die meerdere geweldshandelingen verrichtte tegen aangever [slachtoffer 2] en getuige [slachtoffer 1/getuige] . Hoewel niet exact kan worden vastgesteld op welk moment en door wie [slachtoffer 1/getuige] is gestoken, staat wel vast dat hij steekletsel heeft opgelopen en dat de verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweldsincident. Omdat zij als groep hebben opgetreden, hebben zij het feit ook gezamenlijk gepleegd. Dit maakt dat elke verdachte niet alleen verantwoordelijk is voor het door hem gepleegde geweld, maar ook voor het geweld van zijn mededaders. Dit leidt tot het oordeel dat feit 2 volledig bewezen zal worden verklaard.
4.3.3.
Bewezenverklaring zaak B, zaak C en zaak D
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten in zaak B, zaak C en zaak D bewezen. De verdachte heeft deze feiten bekend en zijn verklaringen vinden steun in de overige bewijsmiddelen in de dossiers.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:
Zaak A
feit 2
op 20 juni 2025, te Amsterdam, openlijk, te weten op de Oudezijds Achterburgwal, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1/getuige] , door:
- voornoemde [slachtoffer 2] meermaals te duwen en
- meermaals in het gezicht, althans op het lichaam van
voornoemde [slachtoffer 2] te slaan en
- meermaals, althans eenmaal, op het hoofd, althans het lichaam, van voornoemde
[slachtoffer 2] te schoppen en
- meermaals, althans eenmaal, met een mes, stekende bewegingen te maken in de richting van het gezicht en de rug van
voornoemde [slachtoffer 2] en
- met een mes in de hand van
voornoemde [slachtoffer 1/getuige] te steken;
Zaak B
op 26 november 2025 te Amsterdam [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door deze [slachtoffer 3]
- in een houdgreep te nemen en houden en
- meerdere malen op en tegen het hoofd en lichaam te slaan en
stompen;
Zaak C
op 6 december 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meerdere kledingstukken, die geheel aan winkelbedrijf
[naam winkel] (locatie: [adres 2] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak D
op 22 januari 2026 te Amsterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een fiets, die geheel aan [slachtoffer 4]
, toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en
dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door
middel van verbreking,
gepoogd heeft met een slijptol het slot van fiets door te slijpen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

6.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat de verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf

9.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat de verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
9.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafmaat in zaak B rekening te houden met het eigen aandeel van de aangever. Tevens heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de reeds door de verdachte ondergane voorlopige hechtenis en verzoekt zij een forse onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen, waarbij wordt afgezien van het opleggen van een combistraf. Daarnaast heeft de raadsvrouw gewezen op de mogelijke ernstige gevolgen van een jeugddetentie, naast een werkstraf, voor de verblijfsrechtelijke positie van de verdachte, mede gelet op de recente beleidswijziging bij de IND. Voorts heeft zij de vraag opgeworpen welk pedagogisch doel een verdere jeugddetentie nog dient.
9.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging, waarbij hij met twee andere personen op de openbare weg fysiek geweld heeft gebruikt tegen personen. Er is sprake geweest van een groepje jongens dat zonder reden in een gevecht is geraakt met twee andere personen, waarbij ook een mes is gebruikt. Dat de slachtoffers daar ook flink letsel aan hebben overgehouden blijkt uit de foto’s in het dossier. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van een schoolgenoot door het slachtoffer in een houdgreep te nemen en tegen het hoofd te stompen en te slaan. Nadat zij uit elkaar waren gehaald, is de verdachte doelbewust terug het schoolgebouw binnengestormd om de mishandeling voort te zetten. Door aldus te handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers zich door dit soort misdrijven nog lang onveilig voelen en daardoor beperkt worden in hun doen en laten. Daarnaast veroorzaken dit soort feiten ook gevoelens van afschuw, onrust en onveiligheid in hun directe omgeving en in de samenleving.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een diefstal in vereniging en een poging tot diefstal in vereniging, waarvoor geldt dat dit zeer hinderlijke feiten zijn. De verdachte heeft zich ook dit geval niet bekommerd om de gevolgen en door het plegen van dit feit voor overlast gezorgd.
De rechtbank rekent de verdachte al het voorgaande ernstig aan.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 april 2026 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten.
Uit het uittreksel blijkt voorts dat de verdachte op 16 september 2025 door de kinderrechter te Amsterdam is veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uren voor twee gekwalificeerde diefstallen. Gelet op artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) houdt de rechtbank rekening met die straf bij de strafoplegging in de onderhavige zaak.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de rapportages en berichtgeving, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zijn opgemaakt.
De deskundige vanuit Nidos heeft ter zitting toegelicht dat de situatie van de verdachte ingewikkeld is voor alle betrokken partijen. Ondanks intensieve (maatwerk)begeleiding, waarbij de hulpverlening zich flexibel heeft opgesteld qua tijden en locaties, slaagt de verdachte er niet in afspraken na te komen. Nidos benadrukt dat de huidige aanpak onvoldoende effect sorteert, waardoor een jeugddetentie op dit moment het meest passend lijkt, zodat de verdachte kan werken aan meer structuur, zijn verslavingsproblematiek en een veiligere omgeving dan nu het geval is. Psychiatrisch onderzoek heeft geen stoornissen vastgesteld, maar zijn gedrag wordt mede verklaard door onderliggende trauma’s en middelengebruik. De verdachte staat op de wachtlijst bij Centrum’45 voor traumabehandeling. De IND moet nog een beslissing nemen in het dossier van de verdachte; zij zijn in afwachting van de uitkomst van deze zitting. Wanneer de verdachte een vergunning krijgt, kan Nidos meer voor de verdachte betekenen.
De jeugdreclasseerder vanuit het Leger des Heils heeft ter zitting toegelicht dat ondanks de toegepaste (maatwerk)begeleiding en herhaalde pogingen tot ondersteuning, gedragsverandering bij de verdachte niet van de grond komt. De verdachte houdt zich niet aan de bijzondere voorwaarden. Daarnaast is er sprake van verschillende recente politiemutaties. De verdachte geeft aan hulp nodig te hebben, maar accepteert deze hulp vervolgens niet. De reclassering adviseert om deze reden een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
Ter zitting heeft de Raad toegelicht dat dat de situatie van de verdachte ingewikkeld en zorgelijk is. Ondanks uitgebreide en intensieve inzet van jeugdreclassering, Nidos en andere (maatwerk)voorzieningen is niet de gewenste gedragsverandering bereikt. Recente politiemutaties, de omstandigheid dat de verdachte zich niet laat begeleiden en nauwelijks naar school gaat, tonen aan dat de ondersteuning onvoldoende effect heeft gehad. De Raad ziet dan ook geen meerwaarde in Toezicht en Begeleiding. Daarom adviseert de Raad, mede gelet op de beperkte mogelijkheden voor alternatieve hulpverlening na het bereiken van de volwassen leeftijd, een onvoorwaardelijke jeugddetentie.
De straf
De rechtbank overweegt dat, ondanks de intensieve inzet van diverse hulpverleningsinstanties, de verdachte niet in staat is gebleken zijn gedrag te veranderen. Nu geen passend kader voor hulpverlening en behandeling voorhanden is en gezien het voortdurende risico op recidive, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke jeugddetentie. De rechtbank hoopt dat een jeugddetentie de verdachte de benodigde structuur zal bieden en hem in de gelegenheid stelt aan zijn middelengebruik te werken.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, mede vanwege het feit dat zij tot een andere bewezenverklaring komt. Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals hiervoor beschreven, oordeelt de rechtbank dat een jeugddetentie van 148 dagen passend en geboden is. De tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering te worden gebracht. De rechtbank zal 60 dagen niet ten uitvoer leggen, tenzij later anders wordt gelast. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte zich zal houden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit gedurende een proeftijd van twee jaar. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijke strafdeel verder geen bijzondere voorwaarden verbinden zoals ook door de hulpverlening is geadviseerd.
Opheffing schorsing bevel tot voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 9 februari 2026 opnieuw geschorst onder bijzondere voorwaarden. Uit het reclasseringsrapport van 18 mei 2026 is gebleken dat de verdachte zich (wederom) niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Gelet op het feit dat verdachte eerder is veroordeeld en zich zelfs in het kader van zijn schorsing niet goed begeleidbaar opstelt, acht de rechtbank een gevaar voor herhaling aanwezig. De rechtbank zal daarom de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opheffen. Dit bevel is apart geminuteerd.

10.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken in zaak C bevindt zich de op 14 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13.153073.25 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 16 september 2025 van de kinderrechter te Amsterdam. Bij dat vonnis is aan de verdachte een werkstraf opgelegd van 60 uren, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De officier van justitie heeft ter zitting de vordering gehandhaafd.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde 60 uur werkstraf te gelasten. De verdachte heeft eerder een kans gehad toen hem een voorwaardelijke straf werd opgelegd en heeft deze niet gegrepen. Hij moet de consequenties van zijn daden dan ook nu ervaren.

11.Beslag

Onder de verdachte is in zaak A het volgende goed in beslag genomen:
1 STK Mes (voorwerpnummer BZAM8816)
Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang, is de rechtbank van oordeel dat dit voorwerp – zoals door de officier van justitie gevorderd – moet worden
onttrokken aan het verkeer.

12.De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert € 540,- aan materiële schadevergoeding en € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding.
12.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd. Wat betreft de immateriële schade verzoekt de officier van justitie het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van € 300,-.
12.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte refereert zich ten aan zien van de gevorderde medische kosten aan het oordeel van de rechtbank, maar merkt hierbij op dat deze kosten niet zijn onderbouwd, waardoor de hoogte van de schade onduidelijk is en niet-ontvankelijkheid aan de orde kan zijn. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor de telefoon ontbreekt het causaal verband, en deze kosten dienen derhalve te worden afgewezen.
Wat betreft de immateriële schade is volgens de raadsvrouw van de verdachte niet aannemelijk geworden dat de benadeelde partij littekens heeft of dat er sprake is van reële angst. Daarnaast dient het eigen aandeel van de benadeelde partij primair tot niet-ontvankelijkheid of subsidiair tot matiging van de vergoeding te leiden, nu de verdachte ernstiger letsel heeft opgelopen. Indien nader onderzoek nodig is voor vaststelling van de schade en het eigen aandeel van de benadeelde partij, verzoekt de raadsvrouw van de verdachte niet-ontvankelijkheid wegens onevenredige belasting van het strafgeding.
12.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor het overige deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd, het toelaten van nadere bewijslevering (ook ten aanzien van een eventuele verdere weging van eigen schuld in het licht van het bepaalde in artikel 6:101 BW Pro) en het laten houden van een nader debat daarover, zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [slachtoffer 3] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd ter hoogte van € 300,-, bestaande uit de immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

13.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 141, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

14.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak A feit 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 5is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
Feit 2
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen
Zaak B
mishandeling
Zaak C
diefstal door twee of meer verenigde personen
Zaak D
poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart de verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot
een jeugddetentievoor de duur van
148 dagenmet aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
Beveelt dat een gedeelte van deze straf,
groot 60 dagen,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de
proeftijdvast op
2 (twee) jarenonder
de algemene voorwaardedat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.
Gelast de tenuitvoerleggingvan de voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 60 uren, subsidiair een vervangende jeugddetentie voor de duur van 30 dagen, in de zaak met parketnummer 13.153073.25 betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 16 september 2025 van de kinderrechter te Amsterdam.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
1. STK mes (omschrijving: BZAM8816).
Wijst de vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 3]
toetot een bedrag van
€ 300,- (zegge: driehonderd euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 3] . Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten door [slachtoffer 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan de verdachte op de maatregel van schadevergoeding ten behoeve van [slachtoffer 3] ter hoogte van € 300,- (zegge: driehonderd euro). Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W. Aardenburg, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. H.P.E. Has en A.G.P. van der Baan, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Entius, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.
[...]