Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5981

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
13-059301-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestaan overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks niet-persoonlijke kennisgeving proces

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 juni 2026 een verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar, waarvan nog ruim acht maanden resteren, opgelegd bij arrest in hoger beroep.

De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), waarin is bepaald dat overlevering geweigerd kan worden indien de verdachte niet op de hoogte was gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) heeft in het arrest Khuzdar van 21 mei 2026 verduidelijkt dat deze kennisgeving vereist is om het recht op een eerlijk proces te waarborgen.

De rechtbank constateerde dat de verdachte niet persoonlijk was geïnformeerd over het hoger beroep, maar dat hij een advocaat had gemachtigd die daadwerkelijk zijn verdediging voerde. De verdachte was op de hoogte van het vonnis en de straf en had bewust afgezien van zijn recht om persoonlijk aanwezig te zijn bij de zitting. De rechtbank oordeelde dat hierdoor geen schending van verdedigingsrechten plaatsvond en dat de overlevering daarom kon worden toegestaan.

Daarnaast werd vastgesteld dat het feit waarvoor overlevering werd verzocht, voldoet aan de dubbele strafbaarheidsvereiste en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat de Poolse rechtsorde de rechten van de verdachte zou schenden. De rechtbank besloot daarom de overlevering toe te staan.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte naar Polen toe ondanks het ontbreken van persoonlijke kennisgeving van het hoger beroep, omdat de verdedigingsrechten zijn gewaarborgd en stilzwijgend afstand is gedaan van het aanwezigheidsrecht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-059301-26
Datum uitspraak: 11 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 27 januari 2026 door
the Regional Court in Lublin IV Criminal Division(
Sąd Okręgowy w Lublinie IV Wydział Karny), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court Lublin- Zachód in Lublinvan 31 januari 2023 met kenmerk IV K 305/22 en een arrest van
the Regional Court in Lublinvan 30 mei 2023 met kenmerk XI Ka 417/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest van
the Regional Court in Lublinvan 30 mei 2023 met kenmerk XI Ka 417/23 zal toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
4.2
Arrest van het Hof van Justitie van 21 mei 2026
Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak
Khuzdar. [5] De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat
“de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces”aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. [6]
4.3
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd. De opgeëiste persoon is namelijk niet in persoon in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats de procedure in hoger beroep. Daarnaast heeft hij niet met opzet vermeden officieel in kennis te worden gesteld, waardoor in het licht van het
Khuzdar-arrest geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Hoewel niet uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de veroordeling heeft geleid, is wel aan deze voorwaarde zoals gesteld in het
Khuzdar-arrest voldaan. De Poolse advocaat heeft immers op de zitting in hoger beroep medegedeeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zittingsdatum. Gelet op het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een advocaat gemachtigd die ook daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon op het proces in hoger beroep heeft gevoerd.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel D, is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. Ook in de onderhavige zaak is het daarom van belang dat, gelet op het
Khuzdar-arrest, voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
Voorts overweegt de rechtbank dat het EAB, in onderdeel F, vermeldt dat de opgeëiste persoon een advocaat, Miroslaw Kuchnicki, heeft gemachtigd om zijn verdediging op het proces in eerste aanleg te voeren. Uit de aanvullende informatie van 11 mei 2026 blijkt dat deze machtiging ook geldig was voor een procedure in hoger beroep. Verder blijkt, uit onderdeel F, dat de gemachtigde advocaat ook daadwerkelijk de verdediging van de opgeëiste persoon in de procedure in hoger beroep heeft gevoerd. Deze advocaat heeft destijds op de zitting bevestigd dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de datum van de zitting in hoger beroep. Uit het EAB en de aanvullende informatie van 11 mei 2026 kan de rechtbank echter niet afleiden dat de opgeëiste persoon door de autoriteiten in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft hierover zelf op de zitting verklaard dat hij niet precies wist wanneer de zitting in hoger beroep zou plaatsvinden.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Verder hebben zich géén van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. Ten slotte is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon voor de procedure in eerste aanleg een advocaat heeft gemachtigd die ter terechtzitting in eerste aanleg ook daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Deze advocaat heeft vervolgens namens de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Op de zitting heeft de opgeëiste persoon bevestigd dat hij op de hoogte was van dit vonnis en de daarbij opgelegde straf. Uit de aanvullende informatie van 11 mei 2026 blijkt bovendien dat de machtiging van de advocaat ook gold voor de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft aan zijn advocaat gevraagd of hij verplicht was om op de zitting te verschijnen, aangezien hij – zo begrijpt de rechtbank – in het buitenland verbleef. Daarop heeft de advocaat hem medegedeeld dat dit niet nodig was en daarom is hij niet gegaan. Hij heeft in de overleveringsprocedure over het niet naar de zitting in hoger beroep gaan nog gezegd dat hij zijn advocaat heeft gemachtigd en dacht dat het wel goed zou komen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep en van de mogelijkheid daarbij aanwezig te zijn, maar van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. De opgeëiste persoon heeft daarom in hoger beroep zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen, maar heeft daar - al dan niet stilzwijgend - afstand van gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [8]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Lublin IV Criminal Division(
Sąd Okręgowy w Lublinie IV Wydział Karny), Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (
6.Zie punt 71- 72.
7.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
8.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (