Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:5987

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
13-095019-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks afwezigheid verdachte bij proces

De rechtbank Amsterdam behandelde op 11 juni 2026 een verzoek tot overlevering van een verdachte op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door België. De verdachte werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen en er resteren nog ruim 37 maanden van een opgelegde vrijheidsstraf.

De kern van het geschil betrof de vraag of de verdachte voldoende op de hoogte was gesteld van het proces dat tot zijn veroordeling leidde, terwijl hij zelf niet persoonlijk bij de zittingen aanwezig was. De rechtbank baseerde zich op recente arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Khuzdar en Höldermann, 21 mei 2026) die bepalen dat betekening aan een gemachtigde advocaat gelijkstaat aan kennisgeving aan de verdachte zelf, mits de advocaat daadwerkelijk de verdediging voert.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte zijn woonplaats had gekozen bij het kantoor van zijn advocaat, die op alle zittingen aanwezig was en de verdediging voerde. Dit voldeed aan de voorwaarden van artikel 12, sub b, van de Overleveringswet (OLW). De verdachte deed geen beroep op de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6a OLW en wenste de straf in België te ondergaan. Tevens werd een individuele detentiegarantie verstrekt die het algemene gevaar van onmenselijke detentieomstandigheden in België uitsloot.

Gelet op deze omstandigheden en het ontbreken van andere weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan België toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-095019-26
Datum uitspraak: 11 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2026 door de 1ste Substituut van de Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Namen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 mei 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. M.L. van Gessel, waarnemend voor mr. V.H. Hammerstein, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse en Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de Correctionele Rechtbank van Namen, Afdeling Namen van 17 januari 2019 met kenmerk NA60.LI.22312-16.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 40 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 37 maanden en 21 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat eerder door de uitvaardigende justitiële autoriteit op 4 oktober 2017 een EAB tegen de opgeëiste persoon is uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor hetzelfde feit dat aan dit EAB ten grondslag ligt. Op de vordering tot het in behandeling nemen van dit EAB is vervolgens door de rechtbank op 16 november 2018 uitspraak gedaan, waarbij de overlevering is toegestaan. [4] In deze zaak is destijds een verzetgarantie verstrekt die voldeed aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW.
Naar aanleiding van de vragen die de raadsman op 15 april 2026 aan het Internationaal Rechtshulp Centrum van het openbaar ministerie (IRC) heeft gesteld, heeft het IRC op 15 mei 2026 de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:
“(…) A. The previous EAW issued on 04-10-2017 states that [opgeëiste persoon] is entitled to a guarantee of appeal. However, the current EAW states that [opgeëiste persoon] was represented at the hearings by an authorized attorney.
1. Has the judgment become final in the meantime?
2. If yes, could you indicate the reason the judgment became final?
Only if the judgment became final because of appeal proceedings that led to a new
judgment:
3. Could you indicate who filed the appeal?
4. If section D of the EAW has not been filled in with regard to the final judgment, could you please fill in section D (attached to this e-mail) with regard to the final judgment (as meant in ECLI:EU:C:2023:1030)?
2. The current EAW issued on 26-02-2020, states that [opgeëiste persoon] was represented at the hearing by an authorized attorney. The original French version of the EAW also states that the authorized attorney was present at the hearings on 25-10-2018, 29-11-2018, and 13-12-2018. However, these hearing dates are not included in the Dutch translation of the EAW.
5. Could you confirm the hearing dates are correct?
6. If not, could you please provide the correct hearing dates?
7. Could you please indicate whether the authorized attorney represented [opgeëiste persoon] at the hearings?”
Op 15 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit per e-mail de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Regarding your questions:
- 1, 2, 3: The previous EAW from 2017 is no longer valid, as the defendant filed an appeal against that decision and a new judgment was issued on January 17, 2019, resulting in the new EAW issued on February 26, 2020.
- 4: Section D has been filled out correctly: item 2 is highlighted, as is item 3.2 and 4.
- 5, 6, 7: The hearing dates listed are correct. [opgeëiste persoon] was represented by Mr attorney VANDERMEULENBROUCKE Pol during the hearings”.
Naar aanleiding van deze informatie heeft het IRC op 15 mei 2026 de volgende aanvullende vraag gesteld:
“The EAW states that [opgeëiste persoon] has chosen the address of his attorney’s office as his domicile for the purpose of the proceedings (“ [opgeëiste persoon] , ayant élu domicile pour la cause en l'étude de son conseil Me VANDEMEULENBROUCKE Pol (…)”). Does that mean [opgeëiste persoon] did indeed authorize his attorney to represent him at the hearings?”
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vervolgens op 15 mei 2026 de volgende informatie verstrekt:
“ [opgeëiste persoon] was represented by his attorney during all the hearings which automatically means that he chose to be represented by him. The issue of domicile is generally an administrative matter.”
4.2
Arresten van het Hof van Justitie van 21 mei 2026
Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak
Khuzdar. [5] De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “
de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. [6]
Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde
“dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid’, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene. [7]
Wanneer uit objectieve aanwijzingen blijkt dat de betrokkene, die officieel in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, opzettelijk vermijdt officieel in kennis te worden gesteld van de tijdstip en de plaats van het proces, kan die persoon worden geacht aan die voorwaarde te voldoen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien de betrokkene is gevlucht, onjuiste adresgegevens heeft doorgegeven of het adres van zijn raadsman heeft doorgegeven, maar het contact met hem heeft vermeden, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de betrokkene te lokaliseren en hem in kennis te stellen van tijdstip en plaats van zijn proces. [8]
Op dezelfde datum als die van het arrest
Khuzdarheeft het HvJ EU ook arrest gewezen in de zaak
Höldermann. [9] In dit arrest heeft het HvJ EU overwogen dat eveneens aan de voorwaarde
is voldaan ‘
dat de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces’– dat wil zeggen dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid – indien een dagvaarding of oproep is betekend aan een advocaat die door de opgeëiste persoon is gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die door hem is aangewezen om betekeningen in ontvangst te nemen. De verzending van die oproep naar het adres van het advocatenkantoor van de advocaat van de opgeëiste persoon staat namelijk gelijk aan een kennisgeving aan de opgeëiste persoon zelf. [10]
4.3
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat niet duidelijk is gebleken dat de opgeëiste persoon woonplaats heeft gekozen op het kantoor van zijn Belgische advocaat, te meer nu de opgeëiste persoon dit heeft ontkend. Uit de eerdere uitspraak van 16 november 2018 blijkt dat de opgeëiste persoon destijds woonachtig was in Rotterdam. Dit adres is niet gewijzigd, zodat de Belgische autoriteiten op de hoogte waren van de woonplaats van de opgeëiste persoon. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon zijn Belgische advocaat uitsluitend heeft gemachtigd om destijds verzet in te stellen en niet om zijn verdediging bij een proces te voeren. Tot slot heeft de opgeëiste persoon geen oproepingen ontvangen voor de zittingen. Uit de verstrekte informatie blijkt niet dat de opgeëiste persoon ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn. Ook in het licht van het
Khuzdar-arrest is volgens de raadsman geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub b, OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub, b OLW. Volgens de officier van justitie volgt uit het
Khuzdar-arrest dat ook aan de voorwaarde
‘op de hoogte is van het voorgenomen proces´kan zijn voldaan indien de oproeping voor de zitting niet aan de opgeëiste persoon is betekend, maar aan een door hem gemachtigde advocaat die ook is aangewezen de betekeningen in ontvangst te nemen. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon woonplaats heeft gekozen ten kantore van zijn advocaat en dat deze advocaat op de zitting is verschenen en daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Verder heeft de opgeëiste persoon ter zitting bevestigd dat de in het EAB genoemde advocaat zijn advocaat was. Dat de advocaat op de zitting is verschenen impliceert naar Belgisch recht dat deze door de opgeëiste persoon was gemachtigd de verdediging te voeren. [11] Een niet gemachtigde advocaat mag in België immers niet op een zitting verschijnen.
4.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat in het EAB in onderdeel D is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW aan de orde is. Gelet op het eerder besproken
Khuzdar-arrest is van belang dat voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid.
In het EAB staat dat de opgeëiste persoon zijn woonplaats heeft gekozen bij het kantoor van zijn advocaat mr. Pol Vandemeulenbroucke in Antwerpen. Uit de niet vertaalde versie van het EAB blijkt dat er zittingen hebben plaatsgevonden bij de rechtbank in Namen op 25 oktober, 29 november en 13 december 2018. Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2026 blijkt dat deze zittingsdata kloppen en dat de advocaat op alle zittingsdagen aanwezig is geweest waarbij hij daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. Verder heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit laten weten dat uit het feit dat de advocaat ter zitting is verschenen, volgt dat hij door de opgeëiste persoon was gemachtigd.
Voorts overweegt de rechtbank dat aan de voorwaarde is voldaan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces in de zin van het
Höldermann-arrest (zie overweging 4.2). Dat in dit geval sprake is geweest van betekening van de dagvaarding of oproep aan een advocaat die door de opgeëiste persoon is gemachtigd om zijn verdediging op het proces te voeren en die door hem is aangewezen om betekeningen in ontvangst te nemen – en dus van een kennisgeving aan de opgeëiste persoon zelf – kan namelijk genoegzaam worden afgeleid uit het feit dat de opgeëiste persoon domicilie heeft gekozen op het adres van zijn raadsman, die op de drie gehouden zittingen in de zaak tegen de opgeëiste persoon is verschenen.
Tot slot is ook aan het vereiste voldaan dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd die ter terechtzitting daadwerkelijk de verdediging heeft gevoerd. De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat volgens Belgisch recht uit het verschijnen van een advocaat ter zitting volgt dat deze gemachtigd is om zijn cliënt te vertegenwoordigen. [12]
In het licht van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1
Standpunten van partijen
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft desgevraagd ter zitting laten weten géén beroep te doen op de facultatieve weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, hoewel de overlevering met het oog op het resocialisatiebelang van de opgeëiste persoon dient te worden geweigerd, zij zich zal refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft immers de bevoegdheid om van toepassing van de weigeringsgrond af te zien waarbij de wens van de opgeëiste persoon van belang kan zijn. Indien de rechtbank het resocialisatiebelang zwaarder laat wegen dan de wens van de opgeëiste persoon, heeft de officier van justitie subsidiair verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om bij de uitvaardigende justitiële autoriteit het WETS-certificaat en een kopie van het veroordelende vonnis op te vragen.
6.2
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6a, eerste lid, OLW geeft uitvoering aan artikel 4, onderdeel 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Deze bepaling strekt er in het bijzonder toe de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen bijzonder gewicht toe te kennen aan de mogelijkheid om de kansen op sociale re-integratie van de opgeëiste persoon te verhogen wanneer deze de vrijheidsstraf waartoe hij is veroordeeld heeft uitgezeten. [13]
Artikel 6a, eerste lid, OLW heeft echter een facultatief karakter en moet, als uitzondering op het uitgangspunt, strikt worden uitgelegd. Het uitgangspunt is dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd en weigering van de overlevering is een uitzondering. Artikel 6a, eerste lid, OLW biedt de opgeëiste personen met de Nederlandse nationaliteit en voldoende binding met de Nederlandse samenleving de mogelijkheid om, met het oog op de doelen van re-integratie en resocialisatie, een beroep te doen op het recht om de opgelegde vrijheidsstraf in Nederland te mogen ondergaan. In dat geval kán de overlevering worden geweigerd. Dit artikel blijft echter achterwege wanneer de opgeëiste persoon geen beroep op deze bepaling doet en/of zich op het standpunt stelt dat hij de vrijheidsstraf in de uitvaardigende lidstaat wil ondergaan. [14]
In deze zaak heeft de opgeëiste persoon op de zitting uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat hij geen beroep doet op artikel 6a, eerste lid, OLW en de opgelegde vrijheidsstraf in België wil ondergaan vanwege de gunstigere V.I.-regeling aldaar. Gelet op de wens van de opgeëiste persoon komt de rechtbank dan ook niet toe aan de vraag of de overlevering op grond van dit artikel moet worden geweigerd.
De rechtbank benadrukt dat hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, pas aan de orde komt indien de opgeëiste persoon zich wél op de weigeringsgrond beroept en de rechtbank tot de conclusie komt dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Pas dan dient de rechtbank te beoordelen of de tenuitvoerlegging in Nederland zal bijdragen aan de sociale en maatschappelijke re-integratie van de opgeëiste persoon. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van het subsidiaire verzoek van de officier van justitie.

7.Artikel 11 OLW Pro: detentieomstandigheden in België

7.1
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [15]
Bij brief van 27 mei 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

7.2
Oordeel van de rechtbank
De voor de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 27 mei 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [16]
De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten van 27 mei 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de 1ste Substituut van de Procureur des Konings van het Parket van de Procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg van Namen, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 16 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:9061.
5.HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (
6.Zie punt 71- 72.
7.Zie punt 73-74.
8.Zie punt 76-80.
9.HvJ EU 21 mei 2026, C‑447/24, ECLI:EU:C:2026:417 (
10.HvJ EU 21 mei 2026, C‑447/24, ECLI:EU:C:2026:417 (
11.Rb. Amsterdam, 31 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5727 en Rb. Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8606.
12.Vgl. Rb. Amsterdam 28 oktober 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8606.
13.HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530 (
14.Zie bijv. Rb. Amsterdam 7 maart 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3452; Rb. Amsterdam 24 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2432.
15.Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
16.HvJ EU, 25 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:589 (