Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6058

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
11734071 \ CV EXPL 25-8003
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 152 RvArt. 7:632 lid 1 BWArt. 6:127 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 7:625 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vaststellingsovereenkomsten en loonbetaling na dwaling in arbeidsovereenkomst

De kantonrechter heeft in deze bodemzaak geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomsten (vso's) tussen eisers en Happy Smile vernietigbaar zijn wegens dwaling. Hierdoor eindigden de arbeidsovereenkomsten niet per 1 september 2024, maar per 1 mei 2025 van rechtswege, waardoor Happy Smile loon moet betalen over de tussenliggende periode.

Happy Smile heeft bewezen dat het overeengekomen bruto maandloon € 2.400,- per persoon bedroeg, maar niet dat het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen al waren uitbetaald. De kantonrechter oordeelde dat de afspraken over terugbetaling van een deel van het loon niet in strijd zijn met het wettelijk minimumloon en dat de betalingen van eisers aan Happy Smile betrekking hadden op deze terugbetalingsverplichting.

Happy Smile wordt veroordeeld tot betaling van het loon over de periode van 1 september 2024 tot en met 30 april 2025, de vakantiebijslag van 8% over de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 april 2025, en twintig niet-genoten vakantiedagen over de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025, met inachtneming van verrekening van reeds betaalde bedragen. Tevens moet Happy Smile wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging van 25% betalen.

Daarnaast worden buitengerechtelijke incassokosten van € 1.175,- en proceskosten van € 1.604,50 aan de zijde van eisers toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vaststellingsovereenkomsten worden vernietigd en Happy Smile wordt veroordeeld tot betaling van loon, vakantiebijslag, niet-genoten vakantiedagen, wettelijke rente, verhoging, incassokosten en proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11734071 \ CV EXPL 25-8003
Vonnis van 4 juni 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

en
2.
[eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. M.H. Horst,
tegen
HAPPY SMILE GENERAL TRADING B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Happy Smile,
gemachtigde: mr. O. Saaliti.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 8 januari 2026, met de daarin vermelde stukken,
  • de akte van Happy Smile, met producties en usb-stick,
  • de akte van de zijde van [eisers],
1.2.
Vervolgens is er een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter verwijst naar haar tussenvonnis van 8 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis). In het tussenvonnis heeft de kantonrechter vastgesteld dat [eisers] hebben gedwaald bij het aangaan van de vso’s. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vso’s om die reden vernietigbaar zijn, waardoor de arbeidsovereenkomsten niet per 1 september 2024 met wederzijds goedvinden, maar per 1 mei 2025 van rechtswege zijn geëindigd. Over de tussenliggende periode moet Happy Smile loon aan [eisers] betalen. Vervolgens is Happy Smile in de gelegenheid gesteld om haar stellingen, dat het overeengekomen maandloon € 2.400,- bruto per persoon bedroeg en dat de vakantiebijslag en resterende vakantiedagen al betaald zijn, te bewijzen.
Vernietiging van de vso’s
2.2.
Happy Smile heeft in haar akte verzocht dat de kantonrechter terugkomt op haar beslissing in het tussenvonnis dat de vso’s vernietigbaar zijn (zie rov. 4.6. van het tussenvonnis). De kantonrechter ziet echter geen aanleiding over te gaan tot heroverweging van deze in het tussenvonnis genomen eindbeslissing. In het tussenvonnis is immers uitgebreid gemotiveerd waarom zij tot deze beslissing is gekomen. De door Happy Smile naar voren gebrachte stellingen – te weten dat Happy Smile niet de indruk zou hebben gewekt dat zij per direct moest stoppen en slechts zou hebben gezegd dat onduidelijkheid zou bestaan over het voortbestaan van het bedrijf – brengen niet met zich dat moet worden geconcludeerd dat deze eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust.
Bewijsopdrachten
2.3.
Happy Smile heeft in het kader van de bewijslevering aanvullende stukken overgelegd, waaronder vier audioberichten met transcripties en een schriftelijke verklaring van de boekhouder. Op grond van artikel 152 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) is de waardering van dat bewijs overgelaten aan het oordeel van de rechter, tenzij de wet anders bepaalt. De maatstaf is of met redelijke mate van zekerheid (voldoende aannemelijk) kan worden vastgesteld dat een te bewijzen feit zich heeft voorgedaan (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182).
2.4.
Naar het oordeel van de kantonrechter is Happy Smile geslaagd in het leveren van bewijs dat het overeengekomen maandloon € 2.400,- bruto per persoon bedroeg. Happy Smile is echter niet geslaagd in het leveren van bewijs ten aanzien van de stelling dat zij het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen al heeft uitbetaald. Dit wordt hierna uitgelegd.
Het overeengekomen loon
2.5.
Happy Smile heeft als bewijs op een usb-stick verschillende audioberichten overgelegd. Eveneens heeft zij de transcripties hiervan in het geding gebracht. De inhoud van deze transcripties zijn niet door [eisers] betwist.
2.6.
In een audiobericht van [eiser 1] aan Happy Smile heeft [eiser 1] onder meer het volgende gezegd:

Dat kwam doordat ons salaris niet het normale salaris was waarmee wij het contract met u hadden gesloten. U was zo vriendelijk om mee te werken zodat wij een hoger salaris konden laten zien. (…) Het was enkel om een woning te kunnen krijgen dat deze situatie is ontstaan.”
2.7.
Happy Smile heeft in een audiobericht aan [eiser 2] onder meer het volgende gezegd:

Zeg hem dat hij het bedrag moet aanpassen naar het bedrag dat jij voor ogen hebt en dat volgens jou nodig is, zodat je op basis van dat bedrag een woning kunt krijgen. (…) Welk bedrag er ook op je rekening binnenkomt, de belasting daarop zal dan hoger zijn en dat verschil betaal jij vervolgens aan ons terug.”
2.8.
De kantonrechter is van oordeel dat Happy Smile met deze transcripties (van de audioberichten) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat partijen hebben afgesproken dat Happy Smile een hoger bedrag aan [eisers] zou betalen dan zij feitelijk als loon zijn overeengekomen. Ook blijkt uit de transcripties voldoende dat [eisers] een gedeelte van dit bedrag aan Happy Smile terug zouden betalen. [eiser 1] geeft immers in het audiobericht aan dat het salaris niet het normale salaris was en dat het doel was dat [eisers] een woning zouden kunnen krijgen. Happy Smile heeft vervolgens dit bevestigd en te kennen gegeven dat naar aanleiding daarvan het verschil aan hem zou worden terugbetaald.
2.9.
De stelling van [eisers] dat slechts sprake zou zijn van onderhandelingen over de hoogte van het loon en dat [eisers] niet akkoord zouden zijn gegaan met het voorstel om een gedeelte van het bedrag terug te betalen, wordt niet gevolgd. [eiser 2] heeft op 27 juni 2024, 9 juli 2024 en 2 augustus 2024 verschillende bedragen van in totaal € 1.203,38 aan Happy Smile betaald. De eerste betaling heeft hij gedaan, één dag nadat de boekhouder had medegedeeld dat [eisers] ieder maandelijks het verschil in salarissen (van € 867,23 per persoon) aan Happy Smile moesten terugbetalen. Daaruit blijkt, mede bezien in het licht van de bewoordingen van [eiser 1] en Happy Smile blijkend uit de transcripten, voldoende dat die betaling(en) betrekking had(den) op terugbetaling van het verschil in loon.
2.10.
Daarnaast is de afspraak, anders dan [eisers] stellen, niet in strijd met artikel 7:632 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Er is namelijk geen sprake van verrekening van een schuld met loon. Het loon was immers lager en [eiser 2] heeft uit hoofde van een terugbetalingsverplichting bedragen aan Happy Smile overgemaakt. De bedragen zijn dus niet door Happy Smile ingehouden op het loon.
2.11.
Evenmin is sprake van een loon dat – zoals [eisers] stellen – feitelijk lager is dan het minimumloon. Partijen zijn immers een loon van € 2.400,- bruto per maand overeengekomen en dit bedrag is hoger dan het bedrag aan minimumloon. Het bedrag dat [eisers] aan Happy Smile moeten terugbetalen (te weten het te veel ontvangen bedrag plus de werkgeverslasten) is niet als loon te kwalificeren, maar betreft een terugbetalingsverplichting.
2.12.
Uit het voorgaande blijkt dat Happy Smile voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het loon dat in de arbeidsovereenkomst is opgenomen niet het daadwerkelijk overeengekomen loon is. Zij is dus geslaagd in het leveren van bewijs. De hoogte van € 2.400,- is verder niet door [eisers] betwist. Dit betekent dat de kantonrechter concludeert dat partijen een bruto maandloon van € 2.400,- per persoon zijn overeengekomen. De vraag of de overgelegde verklaring van de boekhouder betrouwbaar is, kan om die reden onbesproken blijven.
Betaling loon
2.13.
In het tussenvonnis is geoordeeld dat Happy Smile het loon over de periode van 1 september 2024 tot en met 30 april 2025 aan [eisers] moet betalen. Happy Smile zal dan ook worden veroordeeld om over die periode het maandloon van € 2.400,- bruto per persoon aan [eisers] te betalen.
2.14.
Voor de bedragen (van in totaal € 1.203,38 netto) die [eiser 2] aan Happy Smile heeft betaald, geldt dat Happy Smile die niet hoeft terug te betalen. Hierboven (rov. 2.9.) is immers geoordeeld [eiser 2] de bedragen heeft betaald uit hoofde van de terugbetalingsafspraak. De bedragen zijn dus niet onverschuldigd betaald. De vordering tot terugbetaling van die bedragen wordt om die reden afgewezen.
De eindafrekening
2.15.
Happy Smile heeft aangevoerd dat zij de betalingen die zij nog van [eisers] moest ontvangen uit hoofde van de terugbetalingsafspraken, met het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen heeft verrekend. Het overige zou volgens Happy Smile contant betaald zijn. Happy Smile heeft echter geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij aan [eisers] heeft verklaard dat zij het verschil tussen het uitbetaalde loon en het overeengekomen loon zou verrekenen met de eindafrekening. Een dergelijke verklaring is echter op grond van artikel 6:127 BW Pro lid 1 wel vereist om te kunnen verrekenen. Daarnaast heeft Happy Smile geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat zij het vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen contant aan [eisers] heeft betaald. Happy Smile is er dus niet in geslaagd om bewijs te leveren van haar stelling met betrekking tot de eindafrekening.
2.16.
Happy Smile heeft de hoogte van het gevorderde vakantiegeld en het aantal niet-genoten vakantiedagen niet betwist. Omdat hiervoor is geoordeeld dat het loon niet € 3.000,- maar € 2.400,- bruto per persoon per maand bedroeg, zijn de gevorderde bedragen niet juist berekend. Happy Smile wordt daarom veroordeeld tot betaling van de vakantiebijslag en resterende vakantiedagen, zoals vermeld in de beslissing.
Verrekening
2.17.
[eisers] hebben in de maanden mei tot en met juli 2024 salaris ontvangen. Zoals hiervoor blijkt, dienden zij per maand een bedrag van € 867,23 netto per persoon per maand terug te betalen. Dit is een totaal van € 2.601,69 netto (drie maanden keer € 867,23). Enkel [eiser 2] heeft reeds een gedeelte daarvan, te weten € 1.203,38 netto aan Happy Smile terugbetaald. Dit betekent dat op de bedragen die Happy Smile aan [eisers] dient te betalen, een bedrag van € 2.601,69 respectievelijk € 1.398,31 (€ 2.601,69 - € 1.203,38) bij wijze van verrekening in mindering dient te worden gebracht.
Wettelijke verhoging en rente
2.18.
Happy Smile heeft het loon over de periode van 1 september 2024 tot en met 30 april 2025 niet (op tijd) betaald. Ook het vakantiegeld en de niet-genoten vakantie dagen zijn niet (op tijd) betaald. Happy Smile moet daarom de wettelijke rente en de wettelijke verhoging over die bedragen betalen. De kantonrechter ziet aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 25%.
Buitengerechtelijke kosten
2.19.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten moeten worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisers] hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eisers] hebben gebruik gemaakt van dezelfde incassogemachtigde. Zij hebben niet gesteld dat steeds voor hen apart is aangemaand. Daarom moet voor de berekening van de incassokosten het totaal te vorderen bedrag bij elkaar opgeteld worden. Dit betekent dat, anders dan gevorderd, in totaal een bedrag van € 1.175,- aan buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
De proceskosten
2.20.
Happy Smile is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. Omdat [eisers] hebben geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal Happy Smile niet worden veroordeeld tot betaling van de kosten van de dagvaarding en de betekeningskosten. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: € 1.604,50,- bestaande uit het griffierecht (€ 90,-), het salaris van de gemachtigde (€ 1.442,50,-) en de nakosten (€ 72,-). De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
vernietigt de tussen [eisers] en Happy Smile overeengekomen vaststellingsovereenkomsten,
3.2.
veroordeelt Happy Smile om aan [eisers], ieder afzonderlijk, te betalen:
a. € 2.400,- bruto per maand aan loon over de periode van 1 september 2024 tot en met 30 april 2025,
b. de vakantiebijslag van 8% per jaar over de periode van 1 juni 2024 tot en met 30 april 2025, waarbij voor de berekening moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 2.400,- met een 40-urige werkweek,
c. twintig opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen over de periode van 1 mei 2024 tot en met 30 april 2025 waarbij voor de berekening moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 2.400,- met een 40-urige werkweek,
d. de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de onder 3.2. sub a., b. en c. toegewezen bedragen, vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
e. de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro tot een maximum van 25% over de onder 3.2. sub a., b. en c. toegewezen bedragen, vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
3.3.
bepaalt dat op het bedrag dat aan [eiser 1] dient te worden betaald, een bedrag van € 2.601,69 netto in mindering dient te worden gebracht,
3.4.
bepaalt dat op het bedrag dat aan [eiser 2] dient te worden betaald, een bedrag van € 1.398,31 netto in mindering dient te worden gebracht,
3.5.
veroordeelt Happy Smile om aan [eisers] te betalen € 1.175,-, aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.6.
veroordeelt Happy Smile in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] begroot op € 1.604,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.D. Coumou, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 4 juni 2026.
64183