Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6135

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
13-096862-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks onvolledige rechtmatig verblijf in Nederland

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Polen op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Wrocław. De opgeëiste persoon werd verdacht van oplichting en moet een resterende gevangenisstraf van anderhalf jaar ondergaan.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet adequaat van zijn verdedigingsrechten gebruik heeft kunnen maken, en dat hij rechtmatig vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven, wat een weigeringsgrond zou kunnen opleveren. De rechtbank oordeelde dat hoewel de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig was bij de zittingen, hij zelf hoger beroep had ingesteld en adequaat vertegenwoordigd was, waardoor de overlevering niet geweigerd werd op grond van artikel 12 OLW Pro.

Verder stelde de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef, mede door het ontbreken van inschrijving in de Basisregistratie Personen en onvoldoende objectieve bewijsstukken. Ook werd geen concreet gevaar van schending van het recht op een eerlijk proces in Polen vastgesteld. De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks het ontbreken van bewijs voor vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-096862-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 10 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 februari 2026 door
the District Court in Wrocław,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Wrocław,van 20 december 2021, met kenmerk III K 229/20, dat is bevestigd in het arrest van 6 oktober 2022 door
the Court of Appeał in Wrocławmet kenmerk II AKa 154/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert nog in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit vonnis en arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten, nu onduidelijk is of de opgeëiste persoon van zijn verdedigingsrechten zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro gebruik heeft kunnen maken. Uit de aanvullende informatie van 24 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij de behandeling in hoger beroep. De Poolse autoriteiten stellen wel dat hij van de zitting in hoger beroep in kennis zou zijn gesteld, maar geven niet aan op welke wijze dit zou zijn gebeurd. Onduidelijk is of de dubbel aangetekende kennisgeving waar zij over spreken is verzonden, naar welk adres het is verzonden en wie de ontvangst daarvan heeft bevestigd of dat de kennisgeving retour zou zijn gekomen. Het adres dat in het EAB genoemd wordt, is verkeerd gespeld. Ook volgt uit de aanvullende informatie dat een advocaat ter zitting zou zijn verschenen, maar uit de informatie blijkt niet dat de advocaat uitdrukkelijk gemachtigd was.
Tot slot bestaat ten aanzien van de adresinstructie onduidelijkheid of de opgeëiste persoon daarvoor heeft getekend, wanneer hij deze heeft ontvangen, wat de inhoud daarvan was en of deze zich uitstrekte tot een eventueel hoger beroep en hoe dat voor de opgeëiste persoon kenbaar is geweest.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. De officier van justitie heeft de rechtbank echter verzocht van de weigeringsgrond af te zien, nu de opgeëiste persoon een voldoende duidelijke adresinstructie heeft ontvangen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank zal daarom de beslissing van
the Court of Appeał in Wrocławvan 6 oktober 2022 met kenmerk II AKa 154/22 aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt op grond van de aanvullende informatie van 24 april 2026 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 24 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Wel blijkt dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg, dat op 20 december 2021 gewezen is. Voor de zitting in hoger beroep is hij op juiste wijze opgeroepen (“
properly notified”) en is hij vertegenwoordigd door een advocaat van zijn keuze, Natalia Wesolowska, die wel op de zitting voor het Court of Appeal verscheen. Op 6 oktober 2022 werd het arrest gewezen. Nu de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld had het op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Poolse autoriteiten over het verdere verloop van de procedure. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
oplichting.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander is voldaan. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te bevragen over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld, nu de opgeëiste persoon niet tijdig door middel van stukken heeft onderbouwd dat hij de afgelopen vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Het oordeel van de rechtbank
Eerste voorwaarde
De rechtbank stelt vast dat niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, omdat hij niet in staat is om ter onderbouwing van die gehele periode objectieve stukken aan te tonen.
De opgeëiste persoon moet namelijk allereerst onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar in Nederland heeft verbleven. Een aaneensluitende inschrijving in de Basisregistratie personen (BRP) gedurende die periode is een duidelijke aanwijzing hiervoor. Blijkens de informatiestaat van de Strafrechtketendatabank (SKDB) heeft de opgeëiste persoon echter nooit in Nederland ingeschreven gestaan.
Opgeëiste personen kunnen zich echter niet altijd inschrijven op het adres waar zij verblijven, bijvoorbeeld wanneer de huisvesting wordt geregeld door het uitzendbureau waarvoor zij werken. In dat geval moet de opgeëiste persoon zijn verblijf op een andere manier onderbouwen. De bewijsstukken die de opgeëiste persoon daarvoor gebruikt moeten voldoende concreet én objectief zijn. De periode van vijf jaar is een harde eis. [5] Door de opgeëiste persoon zijn geen concrete en objectieve stukken overgelegd waaruit blijkt waar de opgeëiste persoon gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren in Nederland heeft verbleven en waar dat dan geweest zou zijn.
Het komt voor dat een opgeëiste persoon niet door middel van objectieve gegevens kan onderbouwen dat hij gedurende vijf jaar feitelijk in Nederland heeft verbleven. Als echter uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland zodanig veel uren heeft gewerkt dat het niet anders kan dan dat hij hier heeft verbleven, kan alsnog door de rechtbank worden geoordeeld dat is voldaan aan de gestelde voorwaarde van vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland. Ook daarvan is hier geen sprake. Weliswaar zou hij vanaf december 2025 tot heden woonachtig zijn bij zijn partner, van wie een schriftelijke verklaring en een huurcontract van een woning in [plaats] zijn overgelegd, over de jaren daaraan voorafgaand is onbekend waar hij gewoond heeft.
Hoewel de rechtbank vaststelt dat het voor de jaren 2022 tot en met 2024 gelet op het aantal gewerkte uren niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven, kan dat niet worden vastgesteld ten aanzien van het jaar 2021 en 2025. In 2025 heeft de opgeëiste persoon een beperkt aantal uren gewerkt en een WW-uitkering ter hoogte van 20.291,87 euro heeft ontvangen. Hoewel ten aanzien van het lopende jaar 2026 wel kan worden vastgesteld waar de opgeëiste persoon in Nederland heeft verbleven, is dat niet voldoende. In dat jaar had hij immers – naar zijn eigen verklaring - geen inkomen. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij in 2026 niet heeft gewerkt, omdat hij een eigen bedrijf wil gaan starten.
De rechtbank heeft ook de periode voorafgaand aan juni 2021 in aanmerking genomen, om te bezien of een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaren kan worden aangetoond tussen januari 2021 en januari 2026. Blijkens het overgelegde UWV verzekeringsbericht heeft de opgeëiste persoon in 2021 echter slechts 972 uren gewerkt, zodat niet kan worden gesteld dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon het gehele jaar 2021 in Nederland moet hebben verbleven. Daarbij komt dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2021 kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon in 2021 enkel in de periode vanaf 10 juli 2021 verzekerd was voor de premie volksverzekeringen en Zorgverzekeringswet, hetgeen het vermoeden oproept dat hij eerst toen in Nederland is gearriveerd. Ook in de evaluatie van zijn werkgever [werkgever] staat vermeld dat de startdatum 2 augustus 2021 is. De rechtbank overweegt daarom dat ook niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon in de eerste helft van 2021 of daaraan voorafgaand rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Nu reeds niet aan het eerste vereiste is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [7]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 326 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Wrocław,Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (
5.Vergelijk Rechtbank Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802.
6.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
7.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (