De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 juni 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, die verdacht wordt van diefstal met braak en inklimming door meerdere personen. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en een Poolse tolk. De rechtbank verlengde de beslistermijn met 30 dagen en beval gevangenhouding.
De opgeëiste persoon erkende zijn identiteit en Poolse nationaliteit. Het EAB betreft een vonnis uit 2015 waarbij een gevangenisstraf van twee jaar is opgelegd, die nog volledig resteert. De rechtbank stelde vast dat de feiten onder Nederlandse wetgeving als diefstal met braak en inklimming door meerdere personen strafbaar zijn en dat aan de vereisten voor dubbele strafbaarheid is voldaan.
De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander vanwege zijn binding met Nederland en dat hij zijn straf hier zou moeten kunnen uitzitten. De officier van justitie betoogde dat de opgeëiste persoon onvoldoende aantoont vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland te hebben, mede omdat hij pas sinds april 2026 op een regulier adres staat ingeschreven. De rechtbank verwierp het gelijkstellingsverweer wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering aan Polen toegestaan. Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.