Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6360

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
11547897 \ CV EXPL 25-3178
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:233 BWArt. 6:237 BWArt. 6:238 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij reparatiewerkzaamheden auto en oneerlijke bedingen

In deze zaak vordert eiser, een besloten vennootschap, betaling van € 788,42 voor het vervangen van een autoruit van gedaagde. Gedaagde heeft niet gereageerd op de dagvaarding, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve of de overeenkomst voldoet aan het consumentenrecht, met name de informatieplichten en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

De rechter constateert dat eiser onvoldoende heeft toegelicht hoe is voldaan aan de informatieplichten omtrent de prijs en de transparantie daarvan. Ook is onvoldoende duidelijk welke bedingen in de algemene voorwaarden aan de vordering ten grondslag liggen en of deze bedingen eerlijk zijn. Eiser krijgt daarom de gelegenheid om bij akte gemotiveerd te stellen hoe aan deze eisen is voldaan.

De zaak wordt aangehouden voor nadere uitlatingen van eiser, waarna gedaagde de mogelijkheid krijgt om daarop te reageren. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan totdat deze aanvullende informatie is verstrekt en beoordeeld.

Deze procedure toont het belang van transparantie en eerlijke voorwaarden in consumentenovereenkomsten, waarbij de rechter ook ambtshalve toetst om consumenten te beschermen tegen oneerlijke bedingen.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere uitlatingen over informatieplichten en oneerlijke bedingen, met gelegenheid tot reactie van gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11547897 \ CV EXPL 25-3178
Vonnis van 19 mei 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.T.N. Vlasveld,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de dagvaarding van 23 januari 2025, met producties.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet van antwoord gediend.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 788,42 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.
2.2.
[eiser] stelt in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden te hebben verricht aan de auto van [gedaagde] , bestaande uit het vervangen van een ruit. [gedaagde] had te kennen gegeven dat zijn verzekeraar OHRA de ruitvervanging zou vergoeden. [eiser] verwijst naar een werkopdracht en een akte van cessie. OHRA heeft aan [eiser] laten weten dat de kosten niet zouden worden vergoed, omdat [gedaagde] op het moment waarop de ruitschade is ontstaan niet bij OHRA was verzekerd.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen [eiser] als handelaar en [gedaagde] als consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Om te kunnen beoordelen welke informatieplichten moeten worden getoetst, is het van belang dat in de dagvaarding voldoende feitelijk wordt toegelicht waar en hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en op welke wijze is voldaan aan informatieplichten van Afdeling 2b, Titel 5, Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. In de dagvaarding is niet gesteld op welke wijze is voldaan aan de informatieplichten (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1677, overweging 3.1.17). Ondanks dat dit onderdeel is van de stelplicht, wordt [eiser] bij uitzondering in de gelegenheid gesteld om bij akte gemotiveerd te stellen hoe zij heeft voldaan aan haar informatieplichten, nu het navolgende dit tussenvonnis noodzakelijk maakt.
2.5.
[eiser] heeft zich in de dagvaarding niet (voldoende) uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding (artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn). Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft [gedaagde] kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14), zodat de kantonrechter kan beoordelen of de prijs transparant is in de zin van de richtlijn. Uit voornoemd arrest volgt dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die hem in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Anders gezegd, [gedaagde] moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben kunnen voorzien dat de opdracht (ongeveer) zoveel zou gaan kosten als uit de factuur blijkt. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs geen of onvoldoende informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. [eiser] krijgt de gelegenheid zich hierover bij akte uit te laten. De toelichting moet voldoende concreet en onderbouwd zijn.
2.6.
[eiser] dient verder de bedingen in de algemene voorwaarden te benoemen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd en een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid daarvan. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 ( [naam 1] ) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 ( [naam 2] ) moet de kantonrechter immers, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
Tot slot wordt [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over (de gevolgen van) het buiten toepassing laten van bedingen, voor het geval deze als oneerlijk in de zin van de richtlijn worden aangemerkt.
2.8.
De zaak wordt voor akte uitlating door [eiser] verwezen naar de rol over vier weken.
2.9.
Nadat de akte is genomen, krijgt [gedaagde] op de rol van vier weken daarna de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
2.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 16 juni 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door [eiser] ,
3.2.
bepaalt dat [gedaagde] op de rol van vier weken daarna op de akte van [eiser] mag reageren,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.
991