Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:6381

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
13-133830-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 29 OLWArt. 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over verdedigingsrechten en adresinstructies bij Europees aanhoudingsbevel uit Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 juni 2026 een tussenuitspraak over de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen tegen een opgeëiste persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De zaak betreft meerdere vonnissen, waaronder een verzamelarrest en omzettingsbeslissing, waarbij onduidelijkheid bestaat over de kennisgeving van adresinstructies die de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon kunnen beïnvloeden.

De raadsman stelde dat de opgeëiste persoon niet voldoende op de hoogte was gesteld dat de adresinstructie zich ook uitstrekte tot procedures in hoger beroep en omzettingsbeslissingen, wat volgens artikel 12 OLW Pro een weigeringsgrond kan vormen. De officier van justitie betoogde dat de opgeëiste persoon vertegenwoordigd was door een advocaat en op de hoogte was van de procedures, waardoor toepassing van de weigeringsgrond niet nodig is.

De rechtbank constateerde dat bij het verzamelarrest en de omzettingsbeslissing onvoldoende informatie beschikbaar is over de kennisgeving van de adresinstructies met betrekking tot hoger beroep en omzetting. Daarom wordt het onderzoek heropend en geschorst om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten. Voor de overige vonnissen werd vastgesteld dat de opgeëiste persoon ofwel in persoon aanwezig was of stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid, zodat de overlevering niet wordt geweigerd.

De rechtbank oordeelde verder dat, met uitzondering van de bedreiging, aan de dubbele strafbaarheidseisen is voldaan en dat de bedreiging niet strafbaar is naar Nederlands recht. De rechtbank ziet geen reden om de overlevering te weigeren en verlengt de beslistermijn met dertig dagen. De zaak wordt uiterlijk 22 juli 2026 opnieuw op zitting gebracht.

Uitkomst: De rechtbank heropent en schorst het onderzoek om nadere vragen te stellen over de kennisgeving van adresinstructies en verlengt de beslistermijn met dertig dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-133830-26
Datum uitspraak: 23 juni 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 11 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 maart 2026 door de
Regional Court of Rybnik, 3rd Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt
the cumulative judgment of the District Court in Racibórz, 2nd Criminal Division, dated 23 May 2024, case reference II K 846/23, varied by judgment of the Regional Court in Rybnik, VI Criminal Appelate Division, dated 5 December 2024, case reference VI Ka 568/24(hierna: het verzamelarrest)
.Uit onderdeel e) van het EAB blijkt dat aan dit verzamelarrest de volgende vijf vonnissen ten grondslag liggen:
1.
judgment of the District Court in Racibórz dated 16 March 2017, case reference II K 848/16 varied by judgment of the Regional Court in Gliwice dated 27 July 2017, case reference V 2 Ka 276/17(hierna: onderliggend vonnis 1)
.Blijkens de aanvullende informatie van 15 mei 2026 en 3 juni 2026 is bij beslissing van 25 oktober 2018 van
the District Court in Racibórz(II 1 Ko 1093/18) de oorspronkelijk opgelegde vrijheidsbeperkende straf omgezet in een vrijheidsbenemende straf (hierna: omzettingsbeslissing);
2.
judgment of the District Court in Racibórz dated 2 April 2019, case reference II K 776/18(hierna: onderliggend vonnis 2);
3.
judgment of the District Court in Racibórz dated 26 June 2019, case reference II K 87/19(hierna: onderliggend vonnis 3);
4.
judgment of the District Court in Wodzislaw Śląski dated 7 Oktober 2019, case reference II K 417/19(hierna: onderliggend vonnis 4)
;
5.
judgment of the District Court in Racibórz dated 16 January 2020, case reference II K 940/19(hierna: onderliggend vonnis 5).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelarrest.
Het verzamelarrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [2]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Subsidiair verzoekt de raadsman de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten te vragen welke oproep voor welke zitting naar welk adres is gestuurd en wanneer.
Ten aanzien vanhet verzamelarrest
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld en is ook bij de behandeling in hoger beroep aanwezig geweest. De raadsman heeft geen consequentie aan deze constatering verbonden.
Ten aanzien vanonderliggend vonnis 1
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12 sub a tot Pro en met d OLW. De raadsman verzoekt de rechtbank om niet af te zien van toepassing van de weigeringsgrond. Tijdens het vooronderzoek zou de opgeëiste persoon een adres hebben opgegeven, te weten [adres 1] . Dat adres is een ander adres dan hij kennelijk in de procedure bij onderliggend vonnis 4 heeft opgegeven. In die zaak is de oproep namelijk gestuurd naar het adres [adres 2] . Verder blijkt uit de stukken niet dat de adresinstructie die de opgeëiste persoon heeft gekregen en ondertekend zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep.
Ten aanzien van deomzettingsbeslissing
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ook deze beslissing aan artikel
12 OLW dient te worden getoetst, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechtbank beoordelingsruimte had bij de omzetting van de straf. Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt niet dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12 sub a tot Pro en met d OLW. De raadsman verzoekt de rechtbank om niet af te zien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat uit aanvullende informatie niet blijkt dat de adresinstructie die de opgeëiste persoon heeft ontvangen zich ook uitstrekte tot een eventuele omzettingsprocedure.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 2
De raadsman heeft over deze beslissing geen opmerkingen gemaakt.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 3
De raadsman heeft naar voren gebracht dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor bij de voorgeleiding heeft gezegd dat hij zich niet kan herinneren dat de oproep voor de zitting die tot deze veroordeling heeft geleid aan hem in persoon is uitgereikt, zoals in het EAB is vermeld. De raadsman heeft geen consequenties aan deze constatering verbonden.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 4
De raadsman heeft gesteld dat in de aanvullende informatie staat vermeld dat de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de zaak in hoger beroep, terwijl in deze zaak geen hoger beroep is geweest. De oproep in deze zaak is gestuurd naar het adres [adres 2] . Als dit het juiste adres van de opgeëiste persoon is dan is de oproep in de procedure horend bij onderliggend vonnis 1 naar een achterhaald adres gestuurd.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 5
De raadsman heeft gesteld dat uit het EAB en de aanvullende informatie niet blijkt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12 sub a tot Pro en met d OLW. De raadsman vraagt zich daarnaast af of deze beslissing wel onherroepelijk is. Als zou blijken dat deze beslissing niet onherroepelijk is, dan rijst de vraag in welk detentieregime de opgeëiste persoon na zijn overlevering wordt geplaatst. In het kader van artikel 12 OLW Pro zijn door de raadsman ten aanzien van deze beslissing verder geen opmerkingen gemaakt.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het verzamelarrest
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst en dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De opgeëiste persoon heeft zelf om het verzamelvonnis gevraagd. Bij de behandeling in hoger beroep is hij vertegenwoordigd door een zelf gekozen advocaat. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Bij zijn voorgeleiding heeft de opgeëiste persoon namelijk verklaard dat hij is vertrokken naar Nederland omdat hij niets meer met de zaken in Polen te maken wilde hebben.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 1
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep in deze procedure aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst en dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b OLW van toepassing is. Conform de twee arresten van het Europese Hof van Justitie (hierna: HvJ EU) van 21 mei 2026 [3] is de opgeëiste persoon in kennis gesteld van het tijdstip van de terechtzitting en van de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. In de onderhavige zaak is de opgeëiste persoon immers opgeroepen op het door hem opgegeven adres en is de oproep ook naar het kantoor van zijn raadsman gestuurd. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven en dat hij een adresinstructie heeft gekregen die ook zag op de procedure in hoger beroep.
Ten aanzien van de omzettingsbeslissing
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ook deze beslissing aan artikel 12 OLW Pro dient te worden getoetst, omdat uit de aanvullende informatie blijkt dat de rechter beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 22 april 2026. [4] De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De oproep voor de zitting is verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Daar komt bij dat hij op de hoogte was van de oorspronkelijk opgelegde vrijheidsbeperkende straf. Hij heeft zich vervolgens niet gehouden aan de bij die straf opgelegde verplichtingen. Hij had dan ook kunnen weten dat de straf zou kunnen worden omgezet.
Ten aanzien onderliggend vonnis 2
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is. Uit de stukken blijkt immers dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting die tot de veroordeling heeft geleid.
Ten aanzien onderliggend vonnis 3
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW van toepassing is. De oproep voor de zitting die tot de veroordeling heeft geleid is door de opgeëiste persoon in persoon ontvangen.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 4
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De oproep voor de zitting die tot de veroordeling heeft geleid is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd en de opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 5
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon was ten tijde van de zitting van 16 januari 2020 gedetineerd. Uit de uitspraken van de rechtbank van 4 september 2025 [5] en 16 september 2025 [6] blijkt dat een gedetineerde verdachte zelf om transport naar een zitting dient te vragen. Uit de aanvullende informatie blijkt bovendien dat de opgeëiste persoon zelf heeft verzocht om in deze zaak een specifieke straf of sanctie op te leggen zonder een hoorzitting met bewijslevering.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het verzamelarrest
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [7] De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de stukken volgt dat een door de opgeëiste persoon zelf gekozen advocaat met instemming van de opgeëiste persoon heeft verzocht om een verzamelvonnis. Deze advocaat heeft de opgeëiste persoon vertegenwoordigd in de verzamelprocedure in eerste aanleg en heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Ook in hoger beroep is de opgeëiste persoon vertegenwoordigd door deze door hem gekozen advocaat. Bij zijn voorgeleiding op 11 mei 2026 heeft de opgeëiste persoon verklaard: “
Ik wist van het verzamelvonnis, maar mijn advocaat zei dat ik na het hoger beroep niet meer de gevangenis in hoefde.” en “
Eerlijk gezegd, vanaf het moment dat ik vertrok uit Polen heb ik alles achter mij gelaten.”.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om contact te houden met de autoriteiten of zijn raadsman over de afloop van deze procedure.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 1
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [8] De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW Pro toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen of kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 3 juni 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Hij heeft op 1 augustus 2016 voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2026 blijkt dat de oproep voor de zitting die tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres.
Uit de stukken blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte is gesteld dat de adresinstructie, die hij op 1 augustus 2016 heeft ondertekend, zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en tegelijkertijd schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Poolse autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat de adresinstructie waarvoor hij op 1 augustus 2016 heeft getekend zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep.
Ten aanzien van de omzettingsbeslissing
Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon bij onderliggend vonnis 1 in eerste instantie is veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf van één jaar en zes maanden en tot de verplichting om maandelijks 15% van zijn inkomen af te staan. Omdat de opgeëiste persoon heeft nagelaten deze vrijheidsbeperkende straf na te komen, is die straf bij de omzettingsbeslissing omgezet naar een gevangenisstraf van 247 dagen.
In de aanvullende informatie van 15 mei 2026 staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“b. The court is not obligated to impose an alternative sentence of imprisonment; however, when making such a decision, it is bound by Article 65 § 1 of the Executive Penal Code, which provides that the commutation applies to the remaining portion of the sentence of restriction of liberty, and one day of imprisonment is equal to two days of the sentence of restriction of liberty.
c. There was no margin of discretion regarding the amount of the alternative sentence imposed.”
Hoewel er geen beoordelingsruimte was ten aanzien van de hoogte van de alternatieve straf, was deze beoordelingsruimte er wel ten aanzien van de beslissing of de in eerste instantie opgelegde vrijheidsbeperkende straf als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen al dan niet zou worden omgezet in een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank zal daarom de omzettingsbeslissing toetsen aan artikel 12 OLW Pro.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een beslissing terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Uit de aanvullende informatie van 3 juni 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Hij heeft op 1 augustus 2016 voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Ook blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op het door hem daarbij opgegeven adres. Uit de stukken blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte is gesteld dat de adresinstructie zich ook uitstrekte tot een eventuele omzettingsprocedure. De rechtbank zal dan ook om deze reden het onderzoek heropenen en gelijk schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Poolse autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat de adresinstructie waarvoor hij op 1 augustus 2016 heeft getekend zich ook uitstrekte tot een eventuele omzettingsprocedure.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 2
Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is op dit vonnis.
Ten aanzien onderliggend vonnis 3
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Op grond van hetgeen in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 15 mei 2026 is vermeld, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon heeft getekend voor ontvangst van de oproep voor de zitting die tot de veroordeling heeft geleid. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is dan ook niet van toepassing.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 4
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 3 juni 2026 volgt dat de opgeëiste persoon in het voorbereidend onderzoek een adres heeft opgegeven en dat hij op 24 oktober 2018 een adresinstructie heeft ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. Hij heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. De oproep voor de zitting die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om de Poolse autoriteiten nadere vragen te stellen ten aanzien van deze procedure en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman dan ook af.
Ten aanzien van onderliggend vonnis 5
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 15 mei 2026 en 3 juni 2026 blijkt dat oproep voor de zitting is gestuurd naar de gevangenis waar de opgeëiste persoon op dat moment gedetineerd zat. De opgeëiste persoon heeft niet om vervoer naar de zitting verzocht. Daar komt bij dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon zelf heeft verzocht om een specifieke straf of sanctie op te leggen of om verbeurdverklaring of schadevergoeding te bevelen zonder een hoorzitting met bewijslevering. De rechtbank leidt hieruit af dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure tegen hem en stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de feiten die ten grondslag liggen aan onderliggend vonnis 2 aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van deze feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.2
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Inleiding
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft een vraagteken gezet bij de dubbele strafbaarheid van de genoemde bedreiging bij onderliggend vonnis 3, omdat niet duidelijk is waaruit de bedreiging zou hebben bestaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de bedreiging primair op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Het is niet vereist dat alle bestanddelen identiek zijn aan de Nederlandse strafbaarstelling. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 14 juli 2022, C-168-21 (KL). Daarin oordeelde het HvJ EU dat voor de dubbele strafbaarheid alleen vereist is dat de feiten waarop het EAB berust ook in de uitvoerende lidstaat strafbaar zijn. Hiervoor moet gekeken worden naar de omschrijving van de feiten. Een identieke kwalificatie in beide lidstaten is niet nodig. Subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van de toepassing van deze weigeringsgrond. Het feit heeft geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde, want het is begaan in Polen, door een Poolse onderdaan tegen een Pools slachtoffer. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 27 mei 2026. [9]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat, met uitzondering van de in het EAB genoemde bedreiging, is voldaan wordt aan de eisen die in de artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd en dat de overlevering kan worden toegestaan.
Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt niet wat de bedreigende woorden waren. Niet vastgesteld kan dan ook worden dat is bedreigd met zware mishandeling. Bedreiging met mishandeling is naar Nederlands recht niet strafbaar.
De rechtbank overweegt dat met de inwerkingtreding van de Wet herimplementatie Europees strafrecht ook artikel 7 OLW Pro is gewijzigd. Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder b, OLW houdt een facultatieve weigeringsgrond in met betrekking tot het ontbreken van strafbaarheid naar Nederlands recht van een zogenoemd niet-lijstfeit indien het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Dat betekent dat de rechtbank kan afzien van weigering van de overlevering, ook als niet is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.
De rechtbank ziet aanleiding om van de weigering af te zien. De rechtbank vindt daarbij redengevend dat het feit geen aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde heeft, het feit is immers begaan in Polen, door een onderdaan van Polen tegen een andere onderdaan van Polen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een weigering niet mag leiden tot straffeloosheid. Dit dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook te worden voorkomen.
De overige feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van mishandeling;
poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
diefstal door twee of meer verenigde personen;
overtreding van artikel 9 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [10]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [11]

7.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om ten aanzien van onderliggend vonnis 1 en de omzettingsbeslissing aan de Poolse autoriteiten te vragen of de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat de adresinstructie, waarvoor hij op 1 augustus 2016 heeft getekend, zich ook uitstrekte tot de procedure in hoger beroep en een eventuele omzettingsprocedure.
BEPAALTdat de zaak uiterlijk 22 juli 2026 opnieuw op zitting moet worden aangebracht.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
BEVEELTde oproeping va de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
3.Arresten gewezen in de zaak Khuzdar C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 en Höldermann C447/24, ECLI:EU:C:2026:417
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
10.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
11.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (