ECLI:NL:RBAMS:2026:6467

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
12102870 EA VERZ 26-197
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 6 BWArt. 7:671b lid 9 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens weigering fysieke aanwezigheid op werk

De werknemer is sinds 1 oktober 2019 in dienst als beleidsadviseur ICT bij een schoolbestuur en zou volgens afspraken wekelijks op vaste dagen fysiek op school aanwezig moeten zijn. Na januari 2020 is hij echter niet meer structureel op school verschenen, ondanks herhaalde verzoeken en een verbetertraject. De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond wegens verwijtbaar handelen van de werknemer.

De werknemer stelt dat hij op afstand mag werken op basis van een verworven arbeidsvoorwaarde en dat fysieke aanwezigheid vanwege zijn werkzaamheden en gezondheid niet mogelijk is. De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een verworven recht en dat de werkgever redelijkerwijs mag verlangen dat de werknemer op vaste dagen op school aanwezig is.

De weigering van de werknemer om aan deze redelijke instructie te voldoen leidt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, zodat de werknemer recht heeft op transitievergoeding. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026, met toekenning van transitievergoeding en wettelijke rente, en ieder draagt zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 wegens weigering van de werknemer om fysiek op het werk te verschijnen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12102870 \ EA VERZ 26-197
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van
[verzoekster],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. C. van der Goot-Koenig,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L.R. Harteveld.

1.De procedure

1.1.
Op 16 februari 2026 heeft [verzoekster] een verzoekschrift ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [verweerder] heeft een verweerschrift met voorwaardelijke tegenverzoeken ingediend. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben partijen aanvullende producties ingediend.
1.2.
Op 26 mei 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 1] (rector van het [onderwijsinstelling] , hierna: [naam 1] ), [naam 2] (leidinggevende van [verweerder] , hierna: [naam 2] ) en [naam 3] (HR adviseur van [verzoekster] ), bijgestaan door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
[verzoekster] is het schoolbestuur van zes zelfstandige gymnasia, waaronder het [onderwijsinstelling] in [plaats] .
2.2.
[verweerder] , geboren [geboortedag] 1962, is sinds 1 oktober 2019 in dienst bij [verzoekster] als beleidsadviseur ICT. Het salaris van [verweerder] bedraagt € 6.432,00 bruto per maand exclusief emolumenten. [verweerder] verricht zijn werkzaamheden voor het [onderwijsinstelling] . Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs van toepassing.
2.3.
Voordat [verweerder] in dienst trad heeft hij van 2003 tot 2019 als zzp-er ICT werkzaam-heden voor [verzoekster] verricht.
2.4.
Partijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding per e-mail gecorrespondeerd over de aanwezigheid van [verweerder] op school. Bij e-mail van 28 juni 2019 heeft [verweerder] aan de toenmalig rector van het [onderwijsinstelling] , [naam 5], onder meer het volgende geschreven:
“(…) Naar aanleiding van ons telefoon gesprek en de acuut ontstane situatie heb ik je voorstel dan ook direct even met de achterban en ook de werkzaamheden met [naam 3] besproken en zover lijkt het me een haalbare optie en de moeite van het bekijken waard.
(…)
Belangrijkste insteek voor mij zal zijn:
* Vergelijkbaar besteedbaar netto inkomen.
* 16 uur op school waarvan 8 op de woensdag en 8 vrij in te vullen per week op lokatie, in overleg met [naam 3] . (…)”
Bij e-mail van 29 augustus 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team laten weten dat hij de gehele woensdag op school te vinden is en op de andere dagen flexibel met [naam 3] . Bij e-mail van 1 oktober 2019 heeft [verweerder] aan het ICT team onder meer het volgende geschreven:
“(…) Deze week val ik nog in voor [naam 3] en ben ik er dagelijks, mogelijk volgende week ook, afhankelijk hoe het met [naam 3] gaat.
Normaliter de hele woensdag en wisselend twee dagdelen verspreid over de week. (…)”
2.5.
Bij de arbeidsovereenkomst is een afsprakenformulier gevoegd dat op 2 oktober 2019 door partijen is ondertekend. Hierin is onder andere vastgelegd dat [verweerder] op woensdag en twee dagdelen flexibel per week op school werkt en de overige dagen op afstand mag werken.
2.6.
[verweerder] was vanaf zijn indiensttreding tot en met januari 2020 alleen op de woensdagen aanwezig op de school. Na januari 2020 is [verweerder] niet meer op vaste wekelijkse basis op de school aanwezig geweest.
2.7.
Op 11 december 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en de toenmalig leidinggevende van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is besproken dat de schoolleiding [verweerder] op school niet ziet en hem weer twee vaste dagdelen op school wil zien werken.
2.8.
Bij brief van 26 juni 2025 heeft [naam 1] aan [verweerder] onder meer laten weten dat er in de afgelopen twee jaar regelmatig met hem is gesproken over zijn aan- / afwezigheid op school. Daarbij is meegedeeld dat van [verweerder] wordt verwacht dat hij na de zomervakantie van 2025 op woensdagen aanwezig zal zijn met in de daaropvolgende maanden uitbreiding naar twee extra dagdelen, met als uitgangspunt dit voor 1 december 2025 gerealiseerd te hebben.
2.9.
Bij brief van 10 juli 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de verplichting om op vaste dagen aanwezig op school aanwezig te zijn. Daarbij heeft [verweerder] laten weten dat aanwezigheid op vaste dagen niet mogelijk is, omdat de werkzaamheden in de avond- en nachtelijke uren moeten plaatsvinden om de dagelijkse werkprocessen niet te verstoren, en dat het voor zijn gezondheid niet verantwoord is om structureel te wisselen tussen dag- en avondwerk.
2.10.
In de periode van juli 2025 tot en met begin september 2025 hebben twee incidenten tussen [verweerder] en zijn collega [naam 4] (hierna: [naam 4] ) plaatsgevonden. Daarnaast heeft in die periode een externe ICT dienstverlener, Socia, op verzoek van de school het netwerk van de school onderzocht. Uit de bevindingen van Socia bleek dat de interne back-uporgani-satie van de school niet op orde was.
2.11.
Bij e-mail van 9 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] laten weten dat [verweerder] zijn werkzaamheden de volgende dag zoals gebruikelijk “remote” zal uitvoeren op grond van de arbeidsvoorwaarde die in de afgelopen jaren is ontstaan.
2.12.
Op 10 september 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] , [naam 1] en [naam 2] over het functioneren van [verweerder] . Tijdens dit gesprek is aangekondigd dat een formeel verbetertraject wordt opgesteld en is besproken dat [verweerder] gehouden wordt aan de eerder gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school. Daarnaast heeft [naam 1] [verweerder] een brief overhandigd gedateerd op 9 september 2025. In deze brief staat onder meer dat het functioneren van [verweerder] niet aansluit bij de verwachtingen van de school. In de brief zijn een aantal verbeterpunten genoemd ten aanzien van de communicatie en samenwerking van [verweerder] en de invulling van zijn functie.
2.13.
Bij brief van 17 september 2025 heeft de gemachtigde van [verweerder] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde op grond waarvan [verweerder] zijn werkzaamheden grotendeels remote verricht en dat [verweerder] zijn werkzaamheden daarom remote zal blijven verrichten.
2.14.
Op 18 september 2025 is het verbeterplan met [verweerder] besproken. In het verbeterplan is opgenomen dat [verweerder] wordt gehouden aan de gemaakte afspraken over zijn fysieke aanwezigheid op de school.
2.15.
Bij brief van 24 september 2025 heeft (de gemachtigde van) [verzoekster] aan (de gemachtigde van) [verweerder] onder meer laten weten dat geen sprake is van een verworven arbeidsvoorwaarde die [verweerder] het recht geeft om onbeperkt thuis te werken. Daarbij is [verweerder] verzocht om op woensdag 1 oktober 2025 op school aanwezig te zijn, onder aankondiging dat het niet naleven van deze afspraak als schending van zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst zal worden aangemerkt en rechtspositionele gevolgen kan hebben.
2.16.
Diezelfde dag heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.17.
Bij brief van 2 oktober 2025 heeft [naam 2] aan [verweerder] voorgesteld om het geschil over de fysieke aanwezigheid via medation te bespreken.
2.18.
MVU: nodig?Bij brief van 30 oktober 2025 heeft [verzoekster] aan [verweerder] onder meer geschreven dat [verweerder] tijdens zijn ziekte meerdere malen telefonisch niet bereikbaar was en dat van een goed werknemer mag worden verwacht dat hij gedurende zijn ziekte actief bereikbaar is voor de werkgever.
2.19.
Op 27 november 2025 is het mediationtraject gestart. De mediation is op 10 februari 2026 zonder resultaat geëindigd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege disfunctioneren en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond. Volgens [verzoekster] staat het opzegverbod ontbinding niet in de weg.
3.2.
[verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek met veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om bij het bepalen van de ontbindingstermijn rekening te houden met de toepasselijke opzegtermijn van drie maanden zonder aftrek van de proceduretijd, toekenning van een billijke vergoeding en veroordeling van [verzoekster] tot betaling van de transitievergoeding.
3.3.
Bij de beoordeling wordt op de inhoudelijke standpunten van partijen ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Opzegverbod
4.3.
De kantonrechter beantwoordt allereerst de vraag of sprake is van een opzegverbod, nu [verweerder] sinds 24 september 2025 arbeidsongeschikt is. Ingevolge artikel 7:671b lid 6 BW staat een opzegverbod echter niet in de weg aan ontbinding, wanneer het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met de ziekte. Een redelijke uitleg van dit artikel brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er geen verband is.
4.4.
De omstandigheden waarop [verzoekster] zich baseert zien met name op het functioneren va [verweerder] voor zijn ziekte en het conflict dat is ontstaan de afwezigheid van [verweerder] op de werkplek. Deze omstandigheden staan los van de (latere) ziekmelding van [verweerder] en ook van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft. De kanton-rechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] .
Ontbinding arbeidsovereenkomst
4.5.
[verzoekster] is van mening dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus dat de arbeidsovereenkomst primair moet worden ontbonden op de e-grond. Volgens [verzoekster] bestaat het verwijtbaar handelen van [verweerder] uit het stelselmatig weigeren de (overeengekomen) aanwezigheid op school na te komen, het ontkennen van schriftelijk vastgelegde afspraken, het frustreren van het verbetertraject door te weigeren aan geldende voorwaarden te voldoen, het herhaaldelijk en onprofessioneel bejegenen van leiding-gevenden en collega’s, en het stelselmatig neerleggen van verantwoordelijkheid bij anderen.
4.6.
De kantonrechter is met [verzoekster] van oordeel dat [verweerder] verwijtbaar heeft gehandeld, zodanig dat van [verzoekster] niet in redelijkheid gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarover wordt het volgende overwogen.
4.7.
Uit alle overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tussen partijen een arbeidsconflict is ontstaan dat ziet op de structurele weigering van [verweerder] om op vaste dagen in de week fysiek op school aanwezig te zijn. Volgens [verzoekster] geldt op grond van de arbeidsovereenkomst en het addendum dat [verweerder] een vaste dag per week en daarnaast twee nader te bepalen dagdelen per week fysiek op school aanwezig is. [verzoekster] stelt dat zij bovendien als werkgever gerechtigd is instructies te geven en van haar werknemers kan verlangen fysiek op het werk aanwezig te zijn als de bedrijfsvoering dat vraagt.
[verweerder] voert daartegen aan dat partijen zijn overeengekomen dat [verweerder] zijn werk in beginsel vanuit huis verricht, maar dat hij na indiensttreding alleen tijdelijk zou afwijken van deze afspraak door op woensdagen en twee andere dagdelen op school aanwezig te zijn ter vervanging van een zieke collega. Voor zover al zou worden aangenomen dat [verweerder] op basis van de gemaakte afspraken verplicht is om wekelijks op vaste dagen aanwezig te zijn op school, voert [verweerder] aan dat [verzoekster] deze verplichting sinds januari 2020 meerdere jaren niet heeft gehandhaafd, terwijl hij zijn werkzaamheden structureel vanuit huis verrichtte. Volgens [verweerder] is hierdoor sprake is van een bestendige gedragslijn waarop hij heeft mogen vertrouwen, waardoor een verworven recht is ontstaan om zijn werkzaamheden grotendeels op afstand te blijven verrichten.
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit niets dat bij indiensttreding is afgesproken dat [verweerder] slechts tijdelijk vaste dagen in de week op school aanwezig zou zijn. Uit de overgelegde e-mails van [verweerder] (zie rov 2.4) en het addendum bij de arbeidsovereen-komst volgt juist duidelijk dat [verweerder] vanaf zijn indiensttreding bij [verzoekster] iedere woensdag en twee dagdelen per week aanwezig zou zijn op school. [verweerder] heeft aangevoerd dat uit de verwijzing in de e-mails naar een acuut ontstane situatie en zijn tijdelijke vervanging van een collega in de eerste en mogelijk de tweede week volgt dat zijn aanwezigheid op vaste dagen slechts tijdelijk was, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Juist het feit dat [verweerder] herhaaldelijk heeft bevestigd dat hij op woensdag en twee dagdelen aanwezig is, en bovendien in zijn e-mail van 1 oktober 2019 schrijft dat hij
normaliterop die dagen aanwezig is, wijst op een structurele afspraak.
4.9.
Ook is er geen sprake van een verworven recht. Nog daargelaten dat [verzoekster] heeft toegelicht dat [verweerder] in de coronaperiode en periodes van arbeidsongeschiktheid vooral vanuit huis heeft gewerkt, geldt dat voor het ontstaan van een vaste, afdwingbare arbeidsvoorwaarde uit een bestendige gedragslijn meer nodig is dan enkel het gedurende enige tijd feitelijk volgen van een bepaalde praktijk. Er is onvoldoende gebleken van andere omstandigheden waaruit volgt dat [verweerder] in beginsel mocht thuiswerken.
4.10.
Bovendien staat het een werkgever vrij een werknemer instructies te geven en als het op enig moment, en om welke reden dan ook, nodig is dat een werknemer zijn werk-zaamheden weer (deels) op kantoor gaat verrichten. Dat is een redelijk en zeker geen buitensporig verzoek, waaraan de werknemer dient te voldoen. Voor zover [verweerder] betoogt dat geen sprake is van een redelijk verzoek omdat de werkzaamheden alleen ’s avonds kunnen worden uitgevoerd en het verrichten van wisselende diensten een negatief effect heeft op zijn gezondheid, heeft hij dat, mede gelet op de verklaring van [verzoekster] dat de ICT-omgeving van de school grotendeels overdag te beheren is en dat allen een herinrichting van de ICT-omgeving avond- en nachtwerk tot een uitzondering maken, onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verzoekster] in redelijkheid van [verweerder] mag verlangen dat hij op vaste dagen aanwezig is op school.
4.11.
Dat [verweerder] structureel is blijven weigeren om op vaste dagen fysiek aanwezig te zijn op school, kan hem worden verweten. Het was [verweerder] daarbij duidelijk dat [verzoekster] wenste dat hij – conform de afspraken – zijn werkzaamheden weer (deels) op school kwam verrichten. Keer op keer heeft [verzoekster] [verweerder] de mogelijkheid gegeven alsnog op school te komen, zij heeft hem ruim de tijd gegeven, en hij wist dat zij het ontoelaatbaar achtte dat [verweerder] niet aan deze redelijke opdracht voldeed.
4.12.
Nu [verweerder] gewoonweg heeft geweigerd op school te komen, en mediation ook geen oplossing heeft opgeleverd, kan in redelijk van [verzoekster] niet verwacht worden de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te laten voortduren. De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden op de e-grond. [verweerder] heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is op vaste dagen aanwezig te zijn op school, maar hij hield tegelijkertijd vast aan zijn standpunt dat de werkzaamheden niet overdag kunnen worden uitgevoerd. Dit doet bij de kantonrechter sterke twijfel ontstaan over zijn werkelijke bereidheid om alsnog aan het verzoek van [verzoekster] gehoor te geven.
4.13.
Nu ontbonden wordt op de e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. Nog daargelaten dat [verzoekster] voldoende heeft toegelicht dat herplaatsing niet mogelijk is door het zeer specialistische en schoolspecifieke karakter van de werkzaamheden van [verweerder] . Dit heeft [verweerder] niet weersproken.
4.14.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] zal toewijzen op de e-grond en dat de arbeidsovereenkomst dus zal worden ontbonden.
4.15.
De kantonrechter zal bij het bepalen van de datum van ontbinding rekening houden met de opzegtermijn, waarbij met toepassing van artikel 7:671b lid 9 sub a BW de proceduretijd in mindering zal worden gebracht op de opzegtermijn met dien verstande dat een termijn van ten minste een maand resteert. Er bestaat geen aanleiding om de proceduretijd buiten beschouwing te laten, omdat, zoals hierna zal worden overwogen in het kader van de billijke vergoeding, geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden per 1 augustus 2026.
Transitievergoeding
4.16.
[verweerder] heeft recht op de transitievergoeding omdat geen sprake is van
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Daartoe weegt mee dat [verweerder] voorafgaand aan zijn indiensttreding jarenlang als zzp-er zijn werkzaamheden grotendeels op afstand verrichtte en bij aanvang van het dienstverband was besproken dat hij op dezelfde wijze kon blijven werken. Na zijn indiensttreding is [verweerder] slechts een korte periode structureel op woensdag aanwezig geweest op school. Tegen die achtergrond kon bij [verweerder] de indruk bestaan dat fysieke aanwezigheid op vaste dagen geen harde verplichting was. Hij is daarin blijven hangen, ten onrechte, maar dat maakt dat zijn handelwijze daarom wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar is.
4.17.
[verweerder] stelt dat voor de berekening van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van een indiensttreding in september of oktober 2003 omdat toen materieel al sprake was van een arbeidsrelatie. Dit heeft hij echter, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [verzoekster] , onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft hij ervoor gekozen om deze periode als zelfstandige werkzaam te zijn waarbij hij genoot van de daarbij horende fiscale / financiële voordelen. Omdat [verweerder] op 1 september 2019 bij [verzoekster] in dienst is getreden komt de transitievergoeding, rekening houdend met de ontbindingsdatum van 1 augustus 2026, neer op een bedrag van € 17.184,09 bruto. Het verzoek om [verzoekster] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 september 2026.
Billijke vergoeding
4.18.
Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeids-overeenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
[verweerder] stelt dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . Hij voert daartoe aan dat [verzoekster] niet heeft geluisterd naar zijn inhoudelijke bezwaren en onvoldoende heeft gedaan om het conflict op te lossen en de arbeidsrelatie te herstellen. In plaats daarvan is [verzoekster] volgens [verweerder] onterecht druk op hem blijven uitoefenen om in te stemmen met een vaste wekelijkse aanwezigheid van twee dagen op de school en heeft zij daarbij op geen enkele kenbare wijze rekening gehouden met de situatie van [verweerder] noch met het feit dat hij vanaf 24 september 2025 ziek was. [verweerder] betoogt dat al deze omstandigheden erop duiden dat [verzoekster] de situatie bewust heeft willen laten escaleren in een poging het ontslagdossier zo sterk mogelijk te maken.
4.19.
De kantonrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoekster] . Hiervoor is overwogen dat [verzoekster] op goede gronden van [verweerder] mocht verlangen dat hij op vaste dagen per week fysiek op school aanwezig zou zijn. Bovendien heeft [verzoekster] [verweerder] nog een overgangsregeling aangeboden om aan zijn belangen tegemoet te komen (zie rov 2.8). Daarnaast heeft [verzoekster] mediation ingezet in een poging de situatie te verbeteren. Als [verweerder] gevolg had gegeven aan het redelijke verzoek van [verzoekster] was de arbeidsverhouding naar verwachting niet zodanig verstoord geraakt. Het verzoek tot toekennen van een billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.
4.20.
[verzoekster] hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
4.21.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en geen sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van één van beide partijen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,
5.2.
veroordeelt [verzoekster] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 17.184,09 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en mr M. Hillebrink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
51447.MVU