De rechtbank Amsterdam heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de productie van harddrugs, bezit van een vuurwapen en munitie, witwassen en bezit van MDMA.
De rechtbank verwierp het verweer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en oordeelde dat de processtukken voldoende waren aangeleverd, ondanks dat bepaalde opsporingsinformatie niet werd verstrekt om toekomstige onderzoeken niet te frustreren.
Op basis van chatgesprekken, foto’s en andere bewijsmiddelen achtte de rechtbank bewezen dat verdachte betrokken was bij voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs. Ook werd bewezen dat verdachte een vuurwapen en munitie in bezit had. Daarentegen sprak de rechtbank verdachte vrij van witwassen, omdat de verklaring over de herkomst van het geldbedrag van 28.000 euro, hoewel laat ingediend, voldoende onderbouwd en verifieerbaar was en het OM geen aanvullend onderzoek had verricht. Ook werd verdachte vrijgesproken van bezit van MDMA wegens onvoldoende bewijs van wetenschap of beschikkingsmacht.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest, en legde verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer op van de in beslag genomen telefoons, het vuurwapen en de munitie.