ECLI:NL:RBAMS:2026:6628

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
13-263142-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLWArt. 28 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam wijst Europees aanhoudingsbevel af wegens schending grondrechten detentie

De rechtbank Amsterdam behandelde een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een persoon geboren in 1969. Na meerdere zittingen en tussenuitspraak werd vastgesteld dat de detentieomstandigheden in de Poolse detentie-instelling een reëel individueel gevaar voor schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon opleveren.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 13 mei 2026 geconcludeerd dat de detentieomstandigheden in de Poolse gevangenis onvoldoende garanties bieden tegen onmenselijke of vernederende behandeling. Ondanks aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten over de tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan doorbrengen, kon niet worden gegarandeerd dat dit ten minste twee uur per dag zou zijn.

De verdediging stelde dat de aanvullende informatie geen gewijzigde omstandigheden oplevert en dat het EAB daarom niet uitgevoerd mag worden. De officier van justitie erkende het gebrek aan garanties maar wilde het EAB toch in behandeling nemen. De rechtbank oordeelde dat het individuele gevaar niet is weggenomen en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling neming van het EAB, waarmee de procedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank weigert het Europees aanhoudingsbevel wegens een vastgesteld individueel gevaar voor schending van grondrechten en verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-263142-25
Datum uitspraak: 16 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door de
Regional Court in Łódź, IV Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 18 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 1 april 2026
In deze tussenuitspraak [3] heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 van de tussenuitspraak geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de
– geschorste – overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 29 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.
Tussenuitspraak van 13 mei 2026
In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 [4] heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon vastgesteld wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in
Lódzals de overlevering zou worden toegestaan. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden omdat er een mogelijkheid bestaat dat binnen een redelijke termijn bij wijziging van de omstandigheden het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kan worden weggenomen.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de -geschorste - gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 16 juni 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.De tussenuitspraken van 1 april 2026 en 13 mei 2026

De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 1 april 2026 is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW Pro). Bij tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank geoordeeld over de detentieomstandigheden in
the Remand Centre in Lódzen heeft de rechtbank een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon vastgesteld. Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld in deze tussenuitspraken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes

Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7.2 van de tussenuitspraak van 1 april 2026 en paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak is door het IRC een aanvullende vraag gesteld, te weten:
“(…) could you please provide us with more information regarding the time [de opgeëiste persoon] can spend outside his cell when detained in Lodz? If possible could you guarantee that the [de opgeëiste persoon] will be able to spend more than 2 hours a day outside his cell, and can you explain on the basis of concrete examples how these 2 hours will be spent?”
The Assistant Prosecutor of the Łódź Local Branch of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódźheeft, voor zover hier relevant, op
15 juni 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In response to the request from the Office of the Prosecutor General in Amsterdam for
additional information concerning the execution of the European Arrest Warrant issued in respect of [de opgeëiste persoon] , (…) I hereby respectfully provide the following (…)
The exact amount of time that remand prisoners spend outside their residential cells depends on the internal regulations in force at the particular penitentiary institution, as well as on the extent to which the detainee chooses to exercise the rights available to him on a given day.
(…)
According to the position of the Director of the Remand Centre in Łódź, the implementation of the rights afforded to a remand prisoner does not allow for a guarantee that the daily time spent outside the cell will amount to at least two hours.
Among the rights whose exercise involves leaving the residential cell are, inter alia:
• outdoor exercise (a walk) for at least one hour per day;
• visits with family members and other close persons, as well as meetings with legal counsel,
which are not subject to time limits;
• use of the telephone, bathing facilities, prison storage services, and the prison canteen;
• participation in cultural and educational activities, common-room activities, and religious services.
As can be seen from the above list, only outdoor exercise constitutes a right to which a detainee is entitled on a daily basis. Other activities, such as cultural and educational programs, visits, or the use of telephone calls, are carried out several times a week.
Nevertheless, the total amount of time spent outside the residential cell may be increased
through employment undertaken by remand prisoners (under the conditions set out in Article 218 of the Executive Penal Code). According to the Director of the Remand Centre in Łódź, the employment of remand prisoners is successfully practiced at that institution. It therefore provides a genuine opportunity for a significant extension of the time such a person spends outside the residential cell.
(…) .”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minstens één uur per dag buiten de cel kan wandelen, maar dat niet gegarandeerd kan worden dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan verblijven is afhankelijk van de interne regelgeving van de detentie-instelling. Uit de informatie blijkt niets over de regelgeving in de detentie-instelling waar opgeëiste persoon geplaatst wordt. Ook blijkt niet hoe vaak, wanneer en onder welke voorwaarden arbeid kan worden verricht. Uit eerder verstrekte aanvullende informatie blijkt dat het meedoen aan activiteiten moeten worden verdiend. Uit de eerder aanvullende informatie en de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt niet hoe deze deelname kan worden verdiend. De aanvullende informatie van 15 juni 2026 levert dan ook geen gewijzigde omstandigheden op ten opzichte van de tussenuitspraak van 13 mei 2026.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de recent ontvangen aanvullende informatie geen wijziging oplevert van de omstandigheden op ten opzichte van de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Uit de aanvullende informatie van 15 juni 2026 blijkt bovendien dat niet kan worden gegarandeerd dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 1 april 2026 geoordeeld dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in
the Remand Centre in Lódz,als de overlevering zou worden toegestaan, uit te sluiten. In de tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in
Lódzals de overlevering zou worden toegestaan.
De rechtbank is van oordeel dat ook met de aanvullende informatie van 15 juni 2026 niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden en als hij deelneemt aan alle geboden activiteiten hij gemiddeld zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van wijziging van de omstandigheden, waarmee het reeds vastgestelde reële individuele gevaar, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW, voor de opgeëiste persoon alsnog is weggenomen.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.
5. Slotsom
De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 11 OLW Pro.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juni 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.