ECLI:NL:RBAMS:2026:6662

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
13-106347-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse onderdaan naar België ondanks detentiegarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 juli 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De opgeëiste persoon betoogde een terugkeergarantie en stelde bezwaren tegen de detentieomstandigheden in België.

De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit bezit en dat het centrum van zijn belangen in Nederland ligt, waardoor een terugkeergarantie van toepassing is. De Belgische autoriteiten gaven een garantie dat de opgeëiste persoon na veroordeling in België zijn straf in Nederland mag ondergaan. Daarnaast werd een individuele detentiegarantie verstrekt waarin werd verzekerd dat de detentieomstandigheden in Antwerpen voldoen aan fundamentele rechten en internationale standaarden.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon voerde aan dat de detentieomstandigheden in België onmenselijk zijn, onder meer door overbevolking, lange celbezettingstijden en kwetsbaarheid van de cliënt. De rechtbank oordeelde echter dat de verstrekte garanties voldoende zijn en dat er geen objectieve, betrouwbare en actuele gegevens zijn die een reëel gevaar van onmenselijke behandeling voor de opgeëiste persoon aantonen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse onderdaan aan België toe op basis van het EAB en de verstrekte garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-106347-26
Datum uitspraak: 1 juli 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2026 door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 juni 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek afgeleverd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout, met kenmerk 2026/061.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
verkrachting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout heeft op 21 april 2026 de volgende garantie gegeven:

Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
Bij brief van 28 april 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:

1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten. Uit de individuele detentiegarantie van 28 april 2026 blijkt niet hoe hoog de bezettingsgraad in de gevangenis van Antwerpen is en hoe dit zich verhoudt tot de gegeven garantie dat de opgeëiste persoon niet zal worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Daarnaast heeft de raadsvrouw voorafgaand aan de zitting drie nieuwsberichten van maart en mei 2026 aan de rechtbank gestuurd. Uit deze nieuwsberichten blijkt dat in alle Belgische gevangenissen wordt gestaakt tegen overbevolking, er sprake is van toenemende gevallen van agressie en dat de gevangenis van Antwerpen een groot aantal grondslapers kent. Het is dan ook niet duidelijk of aan de verstrekte detentiegarantie kan worden voldaan. Daarnaast is ook niet duidelijk hoeveel tijd de opgeëiste persoon buiten zijn cel kan doorbrengen. Bovendien bestaan ook lange wachtlijsten voor deelname aan activiteiten buiten de cel, waardoor niet duidelijk is of de opgeëiste persoon aan deze activiteiten kan deelnemen. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat de opgeëiste persoon kwetsbaar is omdat hij nog thuis woont, een Wajong-uitkering heeft gehad, en vanwege de delicten waarvan hij wordt verdacht. De raadsvrouw heeft de rechtbank daarom verzocht om een nadere garantie op te vragen dat de opgeëiste persoon, gelet op zijn kwetsbaarheid, op een eenpersoonscel zal worden geplaatst vanwege het verhoogde risico dat hij loopt op geweld door medegedetineerden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank [6] - op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Het door de rechtbank aangenomen algemeen gevaar wordt voor de opgeëiste persoon weggenomen door de verstrekte individuele detentiegarantie. Er bestaat dan ook geen reden om de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten.
Oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 [7] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vooropgesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor als de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet de rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Tijd buiten de cel
De rechtbank vat het standpunt van de raadsvrouw zo op dat zij heeft betoogd dat gedetineerden in België, net als voorlopig gehechten in
remand prisonsin Polen, het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat zij structureel 23 uur per dag op cel moeten verblijven.
De rechtbank heeft eerder uiteengezet dat de situatie in het Poolse
remand regimeen de Belgische detentieomstandigheden niet zonder meer vergelijkbaar zijn. [8] Het uitgangspunt bij het aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van het Poolse
remand regimeligt in het grote aantal uren dat preventief gehechten in hun cel moeten doorbrengen, gezien het min of meer vast beleid dat inherent is aan het regime in voorlopige hechtenis. Het zwaartepunt bij het vaststellen van het algemene gevaar ten aanzien van Belgische penitentiaire inrichtingen ligt - voor zover hier van belang - bij de zogenaamde ‘grondslapers’ en de overbevolking.
De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon in de gevangenis van Antwerpen structureel 23 uur per dag op cel zal moeten doorbrengen.
In de voormelde detentiegarantie is bovendien opgenomen dat er verschillende dagactiviteiten buiten de cel worden voorzien, zoals regelmatige wandelingen en toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Weliswaar zijn er wachtlijsten voor sport en arbeid, maar dat maakt nog niet dat ervan moet worden uitgegaan dat de garantie op dit punt niet wordt nageleefd.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Kwetsbaarheid van de opgeëiste persoon
De rechtbank vat het standpunt van de raadsvrouw zo op dat zij heeft betoogd dat gedetineerden in België die vanwege hun persoonlijke omstandigheden en het delict waarvan zij worden verdacht als meer kwetsbaar kunnen worden aangemerkt, het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat de veiligheid van gedetineerden met een dergelijke kwetsbaarheid niet is gewaarborgd. De raadsvrouw heeft dit standpunt niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. De rechtbank is ook niet ambtshalve bekend met dergelijke gegevens. De rechtbank kan daarom niet de conclusie trekken dat deze groep gedetineerden in België in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijk of vernederende behandeling loopt in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest).
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van de overbevolking
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 28 april 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [9] De nieuwsberichten waar door de raadsvrouw op is gewezen vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemeen gevaar. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de bezettingsgraad in de gevangenis van Antwerpen bij de Belgische autoriteiten op te laten vragen. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie gelet op voornoemde omstandigheden nog wel kon worden nageleefd, zoals bijvoorbeeld in Mechelen, nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd. [10]
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout (België) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. L. Sanders en A. Pahladsingh, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 juli 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, ECLI:EU:C:2023:444 (
5.Rb. Amsterdam 14 december 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:7536.
6.Rb. Amsterdam 9 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3642 en Rb. Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2581.
7.ECLI:EU:C:2016:198,
8.Zie Rechtbank Amsterdam 29 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:553).
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.
10.Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2533.