ECLI:NL:RBAMS:2026:2581

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13-023453-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 9 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks overlap strafvervolging Nederland en België

De rechtbank Amsterdam behandelde op 3 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit België voor de overlevering van een persoon die verdacht wordt van illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon werd niet in persoon gehoord, maar vertegenwoordigd door zijn raadsman. De rechtbank stelde de identiteit vast en beoordeelde de inhoud van het EAB, dat betrekking heeft op strafbare feiten die in België worden vervolgd en die ook in Nederland deels onderwerp van strafvervolging zijn.

De raadsman voerde aan dat er sprake is van strafvervolging in Nederland voor dezelfde feiten als in België, waardoor het ne bis in idem-beginsel van toepassing zou zijn. De officier van justitie en de rechtbank oordeelden echter dat er geen feitelijke overlap is, omdat de Nederlandse vervolging zich richt op het aanbieden van stoffen via een webshop, terwijl België vervolgt voor invoer en distributie op de Belgische markt. De rechtbank nam de aangepaste concepttenlastelegging als uitgangspunt en verwierp het verweer van de raadsman.

De opgeëiste persoon beroept zich op de terugkeergarantie van artikel 6 OLW Pro, omdat hij Nederlandse nationaliteit heeft en zijn maatschappelijke belangen in Nederland gevestigd zijn. De Belgische autoriteiten hebben een individuele detentiegarantie verstrekt dat de opgeëiste persoon bij veroordeling zijn straf in Nederland mag ondergaan. Tevens is een individuele detentiegarantie gegeven die het algemene gevaar van onmenselijke detentieomstandigheden in België wegneemt.

De rechtbank concludeert dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe ondanks gedeeltelijke overlap met Nederlandse vervolging vanwege het ontbreken van feitelijke overlap en verstrekte garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-023453-26
Datum uitspraak: 12 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 6 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 januari 2026 door de advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
nu (uit anderen hoofde) gedetineerd in de [P.I.] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 maart 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. G. van der Meer, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, kamer C5 in correctionele zaken, dd 21/01/2026, met referentienummers 2025/CO/680, 2022/PGA/2448 en 2025/VJ11/797. Uit deze (bij het EAB gevoegde) beslissing blijkt dat het gaat om een bevel tot aanhouding van de opgeëiste persoon teneinde hem, door tenuitvoerlegging van een door het Parket bij het Hof van beroep te Antwerpen uit te vaardigen EAB, aanwezig te laten zijn bij de behandeling van het hoger beroep in de Belgische strafzaak op 18 maart 2026. [2]
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 9 OLW Pro: Nederlandse strafvervolging

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een deel van de pleegperiode en voor een deel van de tenlastegelegde stoffen sprake is van een strafvervolging in Nederland als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanleg en onder a, OLW. De overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor dezelfde (soort) feiten als waarvoor hij op dit moment in Nederland wordt vervolgd.
In België wordt de opgeëiste persoon onder meer vervolgd voor de invoer van de verdovende middelen en psychotrope stoffen. In Nederland wordt hij onder meer vervolgd ter zake van het, in strijd met de Geneesmiddelenwet, verkopen en afleveren, dus de facto ook de uitvoer uit Nederland en invoer in België van dezelfde producten. Hierdoor is er sprake van feitelijke overlap. Daarnaast blijkt dat er inmiddels een aangepaste concepttenlastelegging is opgesteld in de Nederlandse strafzaak. Uit deze nieuwe concepttenlastelegging blijkt dat tal van stoffen in de Nederlandse tenlastelegging zijn opgenomen (artikel 174 van Pro het Wetboek van Strafrecht en Geneesmiddelenwet), terwijl deze stoffen, blijkens het vonnis van de Belgische rechtbank, tevens onderdeel uitmaken van de strafvervolging in België (Drugwet). Dat in de nieuwe concept tenlastelegging de uitvoer vanuit Nederland niet is opgenomen maakt dit niet anders, omdat de stoffen vanuit een Nederlandse webshop zijn aangeboden en vervolgens zijn ingevoerd in België. Hier is sprake van een aaneenschakeling van dezelfde feitelijke handelingen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering vooralsnog niet toe te staan, tot het moment dat kan worden vastgesteld dat de Minister bereid is de opdracht te geven de vervolging van de opgeëiste persoon in Nederland te staken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Weliswaar is er qua pleegperiode een overlap in de verdenkingen in België en Nederland, maar de verdenkingen betreffen niet hetzelfde feitencomplex. De opgeëiste persoon wordt in België vervolgd voor de stoffen die in België op de markt zijn gebracht en in Nederland voor de stoffen die op de Nederlandse markt zijn gebracht. De uitvoer van de stoffen vanuit Nederland stond in de initiële tenlastelegging opgenomen. Deze strafbare gedraging is niet in de nieuwe concepttenlastelegging opgenomen, zodat voor zover er al sprake was van enige overlap, dat nu niet meer het geval is. Zodra na het hoger beroep in de zaak tegen de opgeëiste persoon in België vaststaat voor welke feiten hij in België is veroordeeld, kan worden bezien wat er aan de Nederlandse strafrechter ter beslissing kan worden voorgelegd.
Oordeel van de rechtbank
Door de raadsman is een concept wijziging tenlastelegging overgelegd ten aanzien van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd. De rechtbank gaat ervan uit dat met deze concepttenlastelegging het Openbaar Ministerie voornemens is om de huidige tenlastelegging te wijzingen conform de huidige stand van het onderzoek. De rechtbank zal dan ook de door de raadsman overlegde concepttenlastelegging als uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend beantwoord dient te worden, nu er geen sprake is van overlap tussen de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in België en Nederland wordt vervolgd. In de laatste concepttenlastelegging is de uitvoer van de stoffen vanuit Nederland niet meer opgenomen. Het aanbieden van stoffen op een website, hetgeen de opgeëiste persoon in de Nederlandse stafzaak wordt verweten, is een andere feitelijke handeling dan de invoer, uitvoer of vervoer van stoffen, waar de opgeëiste persoon in België voor wordt vervolgd. Uit het vonnis in eerste aanleg in België en de van de Belgische autoriteit en het Functioneel Parket in Nederland ontvangen aanvullende informatie blijkt verder dat de Belgische zaak, waarvoor de overleving van opgeëiste persoon wordt verzocht, ziet op misdrijven gericht op de Belgische markt. Het Functioneel Parket in Nederland vervolgt de opgeëiste persoon alleen voor zendingen aan personen in Nederland.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Advocaat-generaal bij het Parket-generaal Antwerpen heeft op 10 februari 2026 de volgende garantie gegeven:
“Bij deze lever ik de garantie dat, in het geval [opgeëiste persoon] in België onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, dat hij deze straf in Nederland mag ondergaan.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
De rechtbank stelt vast dat bij brief van 11 februari 2026, afkomstig van het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel de volgende de opgeëiste persoon betreffende detentiegarantie is gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunten van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben ten aanzien van de detentieomstandigheden in België en de verstrekte detentiegarantie geen standpunten ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de advocaat-generaal bij het hof van beroep Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Vergelijk rechtbank A’dam 10 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1387.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.