ECLI:NL:RBAMS:2026:6722

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
11088217 \ CV EXPL 24-4296
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing consumentenrecht en oneerlijke bedingen bij stallingsovereenkomst boot

Eiser, een besloten vennootschap, vordert betaling van €520,19 voor de stalling van een boot op basis van een overeenkomst van 5 november 2022 met een looptijd van 12 maanden. De overeenkomst bevat algemene voorwaarden, maar vermeldt geen concrete prijs, alleen een verwijzing naar prijsbepaling op basis van bootgrootte.

De kantonrechter toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht, waaronder de informatieplicht ex artikel 6:230l BW en Richtlijn 93/13/EG over oneerlijke bedingen. De rechter constateert dat de prijsbedingen niet transparant zijn en onvoldoende informatie is verstrekt over de te verwachten kosten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.

Daarnaast worden het prijswijzigingsbeding, het rentebeding en de bedingen over buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten als oneerlijk beoordeeld vanwege onvoldoende voorspelbaarheid, onduidelijkheid en afwijking van dwingend recht. De kantonrechter wijst de eisende partij aan om zich nader uit te laten over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan, waarna de zaak wordt aangehouden tot 14 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart diverse bedingen in de stallingsovereenkomst oneerlijk en houdt de zaak aan voor nadere uitlating van eisende partij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11088217 \ CV EXPL 24-4296
Vonnis van 16 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser] B.V.,
handelend onder de naam
[bedrijf],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
gemachtigde: BvCM Collections B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 april 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt dat partijen op 5 november 2022 een overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot het stallen van een boot, met een looptijd van 12 maanden.
Op de overeenkomst zijn stallingsvoorwaarden van eisende partij van toepassing. De overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte van eisende partij en eisende partij stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 520,19 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Eisende partij baseert haar vordering op de met gedaagde partij overgelegde overeenkomst en daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden. Hierin staat echter geen prijs vermeld. Weliswaar volgt uit artikel 14 van Pro de algemene voorwaarden dat de prijs wordt berekend aan de hand van de grootte van de boot, maar welke prijs daaruit voortvloeit of wat de grootte van de boot doet met welke prijs, blijkt daar verder niet uit.
2.5.
Eisende partij heeft zich op dit moment niet (voldoende) uitgelaten over de transparantie van het prijsbeding (artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn). Voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst heeft gedaagde partij kennis moeten kunnen nemen van de kosten daarvan, in lijn van het arrest van het Europese Hof van 12 januari 2023 (ECLI:EU:C:2023:14). Uit voornoemd arrest volgt dat de handelaar de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten, informatie moet verstrekken die hem in staat stelt om bij benadering de totale kosten van de diensten te ramen. Anders gezegd, gedaagde partij moet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hebben kunnen voorzien dat de opdracht (ongeveer) zoveel zou gaan kosten als uit de factuur blijkt. Als voor het sluiten van de overeenkomst over de prijs geen of onvoldoende informatie is verstrekt, zal het prijsbeding op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn moeten worden getoetst. Eisende partij krijgt de gelegenheid zich hierover bij akte (nader) uit te laten, waarbij zij ook zal moeten betrekken wat is overwogen in overweging 2.4.
2.6.
Als niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij kenbaar is gemaakt, dan is het prijsbeding niet transparant en hoogstwaarschijnlijk ook oneerlijk. Eisende partij zal dus voldoende gemotiveerd en onderbouwd moeten stellen dat gedaagde partij wist tegen welke prijs hij zijn boot zou stallen.
2.7.
Verder moet beoordeeld worden welke bedingen aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Deze bedingen moeten namelijk worden getoetst op oneerlijkheid. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op een bepaald beding in de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.8.
Uit de facturen leidt de kantonrechter af dat eisende partij haar prijzen heeft verhoogd. In het jaar 2022 wordt immers voor een jaar stalling een bedrag van € 199,69 gefactureerd en in het jaar 2023 is dat een bedrag van € 213,00. De bevoegdheid om de prijzen te verhogen ontleent eisende partij aan het prijswijzigingsbeding in artikel 14.3 van de algemene voorwaarden. Dat artikel luidt:
14.3.
Het is [bedrijf] toegestaan om de stallingsprijzen jaarlijks te wijzigen c.q. te verhogen volgens het Prijsindexcijfer van gezinsconsumptie van het Centraal Bureau voor de Statistiek van het voorafgaande jaar, dan wel volgens een naar eigen inzicht van [bedrijf] te bepalen berekening. Van een dergelijke wijziging zal [bedrijf] 2 weken voorafgaand aan een nieuw kalenderjaar via de website stallingnemers informeren. Indien de stallingnemer niet akkoord gaat met een prijsverhoging, dan kan de stallingnemer voor de inwerkingtreding van de nieuwe overeenkomst de overeenkomst schriftelijk opzeggen.
2.9.
Het hiervoor geciteerde prijswijzigingsbeding wordt als oneerlijk aangemerkt, omdat het eisende partij de bevoegdheid geeft om de prijzen jaarlijks naar eigen inzichten te wijzigen, zonder dat hiervoor een geldige reden in het beding staat. Weliswaar wordt verwezen naar de CPI, maar nu eisende partij zichzelf de bevoegdheid heeft gegeven om in plaats daarvan zelf een berekening te bepalen voor het wijzigen van de prijs, zijn eventuele prijswijzigingen niet voorzienbaar of inzichtelijk voor de stallingnemers. Bovendien worden stallingnemers niet geïnformeerd over eventuele prijswijzigingen, nu het beding bepaalt dat die uitsluitend kenbaar worden gemaakt op de website.
2.10.
Verder doet eisende partij een beroep, althans zou zij een beroep kunnen doen op een beding met betrekking tot rente (artikel 11.7 van de algemene voorwaarden) en bedingen met betrekking tot buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten (artikel 11.8 van de algemene voorwaarden). Deze bedingen luiden als volgt.
11.7.
Bij overschrijding van de betalingstermijn is de stallingnemer onmiddellijk en van rechtswege in verzuim. Alsdan is de stallingnemer aan [bedrijf] vanaf de vervaldag wettelijke rente, vermeerderd met 2% contractuele rente over de hoofdsom, verschuldigd.
11.8.
Alle kosten van invordering zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk, komen ten laste van de stallingnemer. De buitengerechtelijke incassokosten worden vastgesteld op 15% van de hoofdsom over de eerste € 2.500,-, op 10% van de hoofdsom over de volgende € 2.500,- en op 5% van de hoofdsom over de volgende € 5.000,- met een minimum van € 40,-.
2.11.
Nu de bedingen in deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van de bedingen te herzien, worden deze afzonderlijk getoetst. Alle hiervoor aangehaalde bedingen worden als oneerlijk aangemerkt.
2.12.
Hoewel een bepaalde opslag op de wettelijke rente een rentebeding niet per definitie oneerlijk maakt, wordt het onderhavige rentebeding in artikel 11.7 wel als oneerlijk aangemerkt. Het rentebeding maakt namelijk niet duidelijk per welke periode de opslag van 2% bovenop de wettelijke rente geldt. Daar zijn verschillende lezingen over mogelijk. Als 2% per dag, per week of per maand in rekening wordt gebracht, is het een onevenredig hoge schadevergoeding. Nu het beding dat niet duidelijk maakt en daardoor voor meerdere uitleggen vatbaar is – ook een uitleg die een te groot nadeel voor de consument teweeg kan brengen – is het beding oneerlijk.
2.13.
Het beding met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten wijkt ten nadele af van de wettelijke regeling, omdat geen vruchteloze aanmaning in de zin van artikel 6:96 lid 6 BW Pro wordt vereist en deze kosten dus direct verschuldigd worden na het overtreden van een betalingstermijn. Daarmee wordt ten nadele van de consument afgeweken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
2.14.
Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Het beding is daarom oneerlijk, zoals ook door de Hoge Raad is bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820). Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen daarvan op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
2.15.
Voordat de kantonrechter de hiervoor besproken bedingen die als oneerlijk zijn aangemerkt buiten toepassing laat, mag eisende partij zich over de oneerlijkheid en de gevolgen daarvan uitlaten.
2.16.
De zaak wordt voor akte uitlating eisende partij verwezen naar de rol. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 14 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating eisende partij,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
991