ECLI:NL:RBAMS:2026:6792

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
13/261186-25 (A); 13/087945-26 (B) (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor medeplegen poging ontploffing en opzetheling scooter

De rechtbank Amsterdam heeft een 17-jarige verdachte veroordeeld voor zijn belangrijke rol bij een poging tot ontploffing van een explosief bij De Pizzabakkers in Amsterdam en voor opzetheling van een gestolen scooter. De verdachte werd samen met medeverdachten betrokken geacht bij het vervaardigen en overhandigen van een zwaar explosief, dat op 3 september 2025 aan de deur van het pand werd bevestigd.

Het bewijs bestond uit DNA-sporen van de verdachte op het explosief, telefoon- en OV-chipkaartgegevens die zijn aanwezigheid op de plaats van de ontmoeting met medeverdachten bevestigden, en gesprekken waarin werd gesproken over een 'bom' en 'tape'. De rechtbank verwierp het verweer dat het DNA door secundaire overdracht was gekomen en concludeerde dat de verdachte medepleger was van de poging tot ontploffing met gevaar voor levens en goederen.

Ten aanzien van de diefstal van een scooter sprak de rechtbank de verdachte vrij, maar veroordeelde hem voor opzetheling, omdat hij wist dat de scooter gestolen was. De rechtbank legde een jeugddetentie van 200 dagen op, waarvan 184 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast werd een taakstraf van 80 uur opgelegd, bestaande uit een werk- en leerstraf. De vorderingen van benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en proceseconomische redenen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, deels voorwaardelijk, en taakstraf voor medeplegen poging ontploffing en opzetheling scooter.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13/261186-25 (A); 13/087945-26 (B) (Promis)
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen verdachte of [verdachte] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 19 juni 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. van Eck Rasmussen, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.E. Berfelo, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] namens William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) en door de moeder van de verdachte naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door en namens De Eilanders Restaurants B.V., De Pizzabakkers Group B.V., [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd en na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
In zaak A:

1.

het medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing op 3 september 2025 te Amsterdam terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor personen en/of gevaar voor lichamelijk letsel voor personen te duchten was;
subsidiairten laste gelegd als medeplichtigheid bij het voornoemde misdrijf;

2.

het in vereniging voorhanden hebben van een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie in de periode van 2 september 2025 tot en met 3 september 2025 te Amsterdam;
In zaak B:
diefstal met braak van een scooter/bromfiets van I. Addarazi in de periode van 19 maart 2026 tot en met 20 maart 2026 te Amsterdam;
subsidiairten laste gelegd als opzet- dan wel schuldheling van een scooter.
De volledige gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Ten aanzien van zaak A
4.1.1.
Inleiding
De volgende feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen. De feiten en omstandigheden zijn vervat in de in de voetnoten weergegeven bewijsmiddelen. [1]
Op 3 september 2025 omstreeks 01:25 wordt op een beveiligingscamera gezien hoe een persoon een tas ophangt aan het pand van de Pizzabakkers aan de [adres] . [2] Kort daarop wordt de persoon, die het op de deur had gehangen en bezig was met een aansteker, aangehouden en geïdentificeerd als [medeverdachte 1] (hierna: medeverdachte [medeverdachte 1] ). [3] In de tas blijkt een explosief te zitten, bestaande uit drie Super Cobra 6 en drie flessen benzine. [4] Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart dat hij eerder op de avond van twee lange, donkere jongens op metrostation Waterlooplein het explosief overhandigd heeft gekregen en de opdracht heeft gekregen om het explosief aan de deur van het voornoemde pand te bevestigen. [5] Een van de twee jongens heeft een masker op tijdens de ontmoeting, dat hij aan medeverdachte [medeverdachte 1] geeft. Dat masker heeft medeverdachte [medeverdachte 1] ook op tot de politie hem staande houdt. [6]
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de verdachte een van deze twee jongens is geweest en hoe het handelen van de verdachte gekwalificeerd dient te worden.
4.1.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing en het onder feit 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van een explosief. Op basis van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , de gezamenlijke reisbeweging door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] naar metrostation Waterlooplein, het DNA-spoor van de verdachte en het dactyloscopisch spoor van medeverdachte [medeverdachte 2] op het explosief en het gesprek tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] naderhand over een bom en tape, kan worden vastgesteld dat het de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] waren die met medeverdachte [medeverdachte 1] afspraken, het explosief overhandigden en medeverdachte [medeverdachte 1] aanstuurden.
4.1.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder feit 1 primair en subsidiair en het onder feit 2 ten laste gelegde. De stelling van het openbaar ministerie, dat verdachte één van de personen is waarmee medeverdachte [medeverdachte 1] heeft afgesproken, is onjuist. Daartoe is relevant dat een masker is aangetroffen op de plaats delict dat door medeverdachte [medeverdachte 1] is gedragen dat volgens medeverdachte [medeverdachte 1] door één van de twee jongens op het Waterlooplein is gedragen. Op dit masker is DNA van drie onbekende personen aangetroffen, niet zijnde de verdachte. Daarnaast leent de verdachte zijn OV-chipkaart regelmatig uit. Dat de verdachte de OV-chipkaart zelf heeft gebruikt om naar het Waterlooplein te reizen, is niet vast te stellen. De DNA-sporen van de verdachte zijn uitsluitend aangetroffen op de zichtbare delen van de tape op het explosief. Daarmee kan niet worden uitgesloten dat zijn DNA in het mengprofiel door secundaire overdracht op de tape is beland. Tenslotte blijkt uit de opgenomen gesprekken van medeverdachte [medeverdachte 2] dat de verdachte juist niet betrokken is bij het onderhavige feit.
Subsidiair betoogt de raadsman dat (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict ontbreekt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van zowel het medeplegen als het medeplichtig zijn aan het teweegbrengen van een ontploffing.
4.1.4.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
het explosief
Het aangetroffen explosief bestond uit drie Super Cobra 6 (hierna: de cobra’s) die met ducttape aan elkaar bevestigd waren, met daaromheen drie halve liter SPA-flessen, gevuld met benzine. Deze flessen waren – eveneens met ducttape – rondom de cobra’s bevestigd. [7]
Uit DNA-onderzoek is naar voren gekomen dat op tenminste twee plekken op dit explosief DNA-sporen van de verdachte terecht zijn gekomen. De sporen zijn aangetroffen aan de buitenzijde van de tape die om de cobra’s zat [8] en aan de buitenzijde van de tape die om de flessen benzine zat. [9]
De sporen op de tape om de cobra’s betreffen een mengprofiel met minimaal drie donoren waaronder de verdachte, terwijl het daarbij ongeveer 1 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. [10]
De sporen op de tape om de flessen betreffen een mengprofiel met minimaal vier donoren waaronder de verdachte, terwijl het daarbij ongeveer 1 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van verdachte en drie onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van vier willekeurige onbekende personen. [11]
Ten aanzien van medeverdachte [medeverdachte 2] geldt dat uit dactyloscopisch onderzoek naar voren is gekomen dat een dactyloscopisch spoor van medeverdachte [medeverdachte 2] terecht is gekomen op het label van één van de flessen benzine in het explosief. [12]
Verdachte heeft ter zitting onder andere verklaard niet te weten hoe het kan dat zijn DNA op de tape is aangetroffen. [13]
ontmoeting met medeverdachte [medeverdachte 1]
De OV-chipkaart van de verdachte is op de avond waarop medeverdachte [medeverdachte 1] zou hebben afgesproken tussen 20:50 en 21:13 gebruikt om van metrostation Venserpolder naar metrostation Waterlooplein te reizen. [14] De telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] maakt rond 21:10 verbinding met een indoorcell bij metrostation Weesperplein. [15] Deze indoorcell maakt verbinding met telefoons in de ondergrondse metrotunnels, tot aan het naastgelegen metrostation Waterlooplein. [16] Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat medeverdachte [medeverdachte 2] een vriend van hem is en dat hij weet dat [medeverdachte 2] is veroordeeld voor betrokkenheid bij dit tenlastegelegde feit. [17]
Verdachte heeft verklaard dat het kan zijn dat hij zijn OV-chipkaart eerder die avond bij Strandvliet en Venserpolder heeft gebruikt, maar dat hij niet op het Waterlooplein is geweest. Hij heeft verklaard dat hij zijn OV-chipkaart wel vaker uitleent, zo ook wel aan medeverdachte [medeverdachte 2] , maar dat hij zich niet kan herinneren aan wie hij de kaart die avond heeft uitgeleend. [18]
Op 23 oktober 2026 heeft medeverdachte [medeverdachte 2] telefonisch contact gehad met het nummer eindigend op * [nummer] , dat aan verdachte wordt, [19] waarbij medeverdachte [medeverdachte 2] met de verdachte spreekt over een ‘bom’ en ‘tape’: “Maar faka met die bom, ga je nog op die tape, ik ga je bijna steunen man.” [20]
conclusie
De rechtbank concludeert op basis van het onderzoek dat het DNA van de verdachte niet alleen is aangetroffen op de tape die de flessen benzine omwikkelt, die het buitenste deel van hetzelfde explosief vormen, maar ook is aangetroffen op de tape die de cobra’s omwikkelt, die het binnenste deel van hetzelfde explosief vormen. Een explosief waarop ook vingerafdrukken zitten van medeverdachte [medeverdachte 2] , een vriend van verdachte. Daarbij komt dat het bericht van medeverdachte [medeverdachte 2] aan verdachte over “die bom” waarbij verdachte “op die tape” gaat, ook wijst op betrokkenheid van verdachte bij een zelf gefabriceerd explosief.
Het is bovendien de op naam gestelde OV-chipkaart van verdachte waarmee in iets meer dan een half uur een reisbeweging wordt gemaakt vanaf Strandvliet, nabij het woonadres van verdachte, naar het Waterlooplein. Terwijl ook medeverdachte [medeverdachte 2] zich daar blijkens het onderzoek naar zijn telefoonbewegingen bevond en medeverdachte [medeverdachte 1] op het Waterlooplein twee jongens heeft ontmoet.
De rechtbank beoordeelt de combinatie van al deze onderzoeksresultaten als redengevend voor het bewijs van de betrokkenheid van verdachte. Daar tegenover heeft verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven.
Zo heeft verdachte niet nader geconcretiseerd hoe zijn DNA door secundaire overdracht op het explosief terecht zou kunnen zijn gekomen. De enkele ontkenning verder dat het telefoonnummer eindigend op * [nummer] , waarnaar medeverdachte [medeverdachte 2] het bericht heeft gestuurd, niet het nummer van verdachte is, alleen omdat hij dat niet herkent, is eveneens onvoldoende. Dat verdachte zijn OV-chipkaart die dag heeft uitgeleend aan een niet nader te noemen derde, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
De door de raadsman gestelde contra-indicaties uit het dossier houden ook geen stand tegenover voornoemde bewijsmiddelen.
De gesprekken van medeverdachte [medeverdachte 2] waaruit zou blijken dat de verdachte niet bij strafbare feiten betrokken is geweest, leest de rechtbank anders. Medeverdachte [medeverdachte 2] noemt geen namen van de personen en schrijft evenmin dat personen onterecht zijn opgepakt. Deze gesprekken staan naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan het vaststellen van betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde. De rechtbank verwerpt dit verweer.
Dat het DNA van verdachte niet is aangetroffen op het masker dat medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gekregen van één van de twee jongens die hem ook het explosief hebben gegeven, maakt het voorgaande niet anders. Blijkens het dossier is enkel onderzocht of het op het masker aangetroffen DNA overeenkwam met dat van de verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] en twee onbekend gebleven personen waarvan eerder DNA werd aangetroffen op de flessen van het explosief. Het onderzoek leverde geen match op met een van de voornoemde personen, maar wel met een onbekende vijfde persoon. De rechtbank overweegt dat daarmee niet is uitgesloten dat het DNA afkomstig is geweest van medeverdachte [medeverdachte 2] , nu niet is onderzocht of het DNA van hem afkomstig is geweest. Het DNA op het masker vormt daarmee, anders dan de raadsman stelt, geen contra-indicatie voor de aanwezigheid van de verdachte bij de ontmoeting in metrostation Waterlooplein. De rechtbank verwerpt het verweer.
Uit de feiten en omstandigheden uit het dossier leidt de rechtbank dus af dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2] , de twee “lange donkere” jongens zijn geweest, die medeverdachte [medeverdachte 1] volgens zijn verklaring heeft ontmoet op het Waterlooplein. Zij zijn het geweest die het explosief en het masker hebben overhandigd aan medeverdachte [medeverdachte 1] en hem daarbij de instructie hebben gegeven het explosief te laten afgaan bij het pand van de Pizzabakkers aan de [adres] .
gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel, levensgevaar
Als het explosief zou zijn afgegaan zou daardoor volgens het rapport van het NFI een vuurbal zijn ontstaan, waarbij de door ontploffing vrijgekomen vloeibare benzine nog wat langer zou hebben nagebrand. Door ontploffing van het explosief zou de kans op brandschade en letsel door brand ten gevolge van de ontploffing sterk zijn vergroot. [21] Boven het pand aan de [adres] bevinden zich woningen. [22] De rechtbank overweegt dat als het explosief zou zijn ontploft, brand had kunnen ontstaan in het pand van De Pizzabakkers, het naastgelegen trappenhuis en de bovengelegen woningen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat bij de poging tot het teweegbrengen van een ontploffing gemeen gevaar voor de (omliggende) panden en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van de (omliggende) panden te duchten was.
medeplegen
De rechtbank overweegt voorts dat de verdachte, door het explosief te hebben aangeraakt, samen met medeverdachte [medeverdachte 2] het explosief en het masker te hebben overgedragen en instructies te hebben gegeven aan medeverdachte [medeverdachte 1] , opzet heeft gehad op het ten laste gelegde medeplegen van een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor goederen en zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar. Verdachte heeft nauw en bewust samengewerkt met zijn medeverdachte(n) en zijn bijdrage is van voldoende gewicht geweest.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in zaak A onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde en dat daarbij sprake is van eendaadse samenloop.
4.2.
Ten aanzien van zaak B
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van de primair ten laste gelegde diefstal en de subsidiair ten laste gelegde opzetheling. De raadsman heeft zich met betrekking tot de impliciet meer subsidiair ten laste gelegde schuldheling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
4.2.1.
Het oordeel van de rechtbank
Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal van de scooter. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.
De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte is op 23 maart 2026 in Amsterdam door de politie gezien terwijl hij een scooter bestuurde. Na een korte achtervolging door de politie zijn de verdachte en een bijrijder aangehouden en is geconstateerd dat het contactslot van de scooter was uitgeboord waardoor de bromfiets zonder sleutel te starten was. De motor van de scooter bleef draaien terwijl er geen sleutel in de bromfiets zat. [23] De scooter was twee dagen eerder gestolen. [24]
De rechtbank overweegt dat de verdachte, gelet op het voorgaande, moet hebben geweten dat hij op een gestolen scooter reed. De rechtbank is daarom van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling van een scooter.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bewijsmiddelen vervatte feiten en omstandigheden bewezen dat
In zaak A:
1.
hij op 3 september 2025 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, bij een pand, gelegen aan de [adres] (Pizzabakkers) ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor voornoemd pand en de nabij gelegen panden en
auto's te duchten was en
- levensgevaar voor personen die zich op het moment van de ontploffing in de
nabijheid en de naastgelegen omgeving van de plek waar de ontploffing zou
plaatsvinden bevonden te duchten was en
- gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich op het moment van de
ontploffing in de nabijheid van de plek waar de ontploffing zou plaatsvinden
bevonden te duchten was,
met een tas met daarin een geïmproviseerde explosieve constructie, te weten
meerdere stukken zwaar vuurwerk (cobra 6) en drie flessen vloeistof (benzine),
naar voornoemd pand is toegegaan en aldaar voornoemde tas met daarin een geïmproviseerde explosieve constructie aan de deur heeft gehangen en daarbij een aansteker in de hand en/of voor gebruik gereed heeft gehouden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2.
hij in de periode van 2 september 2025 tot en met 3 september 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
In zaak B:
hij op 23 maart 2026 te Amsterdam een scooter/bromfiets (Piaggio Vespa) voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot 200 dagen jeugddetentie, waarvan 184 dagen voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest, met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uur bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uur en de leerstraf SoCool voor de duur van 40 uur, beide met vervangende jeugddetentie.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van de bewezen
feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals
daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
ernst van de feiten
De verdachte heeft een belangrijke rol gespeeld in een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een vestiging van de Pizzabakkers in het centrum van Amsterdam door een zeer jonge uitvoerder te voorzien van een zwaar explosief, instructies en een masker. De poging van de verdachte om een explosief te laten afgaan volgde op een reeks explosies aan het adres van de Pizzabakkers en een naburig pand. Deze explosies hebben gevoelens van angst en onveiligheid doen ontstaan bij bewoners in en rondom de getroffen gebouwen, bij bewoners in de buurt van mogelijke toekomstige doelwitten en in de stad en samenleving in het algemeen. Ook hebben de explosies ertoe geleid dat De Pizzabakkers Group B.V. en De Eilanders Restaurants B.V. gigantische financiële schade hebben geleden. Ter zitting is door en namens de eigenaren duidelijk gemaakt dat de gevolgen ook voor hen persoonlijk zeer ingrijpend en verstrekkend zijn geweest.
De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij geen enkel oog heeft gehad voor de gevoelens van angst die hij bij de directe slachtoffers en de omwonenden teweeg heeft gebracht en de schade die hij teweeg had kunnen brengen. Als de politie niet op tijd had ingegrepen hadden de gevolgen immers catastrofaal kunnen zijn; ook boven het getroffen pand wonen mensen die bij ontploffing van het explosief levensgevaar zouden hebben gelopen.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een scooter. Hij heeft op die manier meegewerkt aan de instandhouding van gepleegde criminaliteit.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat een jeugddetentie passend is als reactie op het handelen van de verdachte.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 maart 2026 waaruit blijkt dat de verdachte op 15 juli 2025 door de officier van justitie in het parket Amsterdam een strafbeschikking uitgevaardigd heeft gekregen voor openlijke geweldpleging op 14 januari 2025. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
persoonlijke omstandigheden
De Raad heeft ter zitting geadviseerd om aan de verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden het hebben van een zinvolle vrijetijdsbesteding, het hebben van werk en/of schoolgang, het meewerken aan de begeleiding vanuit IFA of soortgelijke coaching, het meewerken aan aanvullende hulpverlening die WSS nodig acht, het houden aan een contactverbod met de medeverdachten en het meewerken aan hulpverlening die door WSS nodig wordt geacht. Verdachte is een kwetsbare, impulsieve jongen die gebaat is bij behandeling. Een leerstraf kan hem helpen om ‘nee’ te zeggen en minder beïnvloedbaar te zijn.
WSS heeft ter zitting verklaard dat het traject bij Inforsa niet van de grond is gekomen omdat verdachte zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde ontkent. Hij kan dat traject altijd nog hervatten. Het IFA-coachingstraject is eveneens beëindigd omdat hij geen klik had met de IFA-coach. In plaats daarvan heeft hij wel een goede band met de coach vanuit Credible Messengers. WSS stelt prijs op een voorwaarde waarmee een coach betrokken kan worden en blijven bij de verdachte. De verdachte is gemotiveerd voor zijn school.
De omstandigheid dat verdachte per september 2026 eindelijk weer naar school kan én hij daarvoor gemotiveerd is, vormt een belangrijke overweging voor de rechtbank om verdachte nu niet terug te sturen naar de jeugdgevangenis. Verdachte moet zijn schoolplannen serieus waar moeten maken in zijn eigen belang, namelijk met het oog op zijn toekomst en ontwikkeling maar ook omdat zijn vrijheid op het spel staat.
Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie en acht zij een jeugddetentie van 200 dagen, waarvan 184 dagen voorwaardelijk en met aftrek van voorarrest, met bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad, en een proeftijd van 2 jaar en daarnaast een taakstraf voor de duur van 80 uur bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uur en de leerstraf SoCool voor de duur van 40 uur, passend en geboden.

9.Vorderingen benadeelde partijen

9.1.
De Eilanders Restaurants B.V. en De Pizzabakkers Group B.V.
De Eilanders Restaurants B.V. en De Pizzabakkers Group B.V. hebben zich gevoegd als benadeelde partijen.
De benadeelde partijen stellen dat door de handelingen van verdachte de burgemeester van Amsterdam het pand heeft gesloten van 12 september tot en met 24 november 2025. Daardoor moesten de medewerkers van het hoofdkantoor noodgedwongen thuiswerken. De begroting voor 2026 is sterk naar beneden aangepast en er zijn vier contracten van medewerkers niet verlengd. Op dit moment liggen alle expansie-activiteiten stil, terwijl er eigenlijk gepland was 4 tot 5 nieuwe De Pizzabakkers-restaurants te openen in 2026. De schade voor de merknaam is er ook, maar deze is lastig te bepalen. De benadeelde partij De Pizzabakkers Group B.V. vordert € 281.743,- aan materiële schadevergoeding voor bedrijfsschade.
De benadeelde partij De Eilanders Restaurants B.V. vordert € 364.047,- aan materiële schadevergoeding (bedrijfsschade) en daarnaast € 4.830,- aan proceskosten, de kosten die aan de advocaat betaald moeten worden. De Eilanders Restaurants B.V. heeft nog drie vestigingen van De Pizzabakkers in Amsterdam en ten gevolge van de daad van de verdachte is er weliswaar geen schade aan het pand ontstaan maar is wel sprake van financiële en immateriële schade. Mede ten gevolge van en na deze mislukte aanslag heeft de burgemeester van Amsterdam de vier panden gesloten op 12 september 2025, waarbij de vestiging Overtoom pas op 5 februari 2026 weer geopend werd. De verzekering dekt deze bedrijfsschade inclusief gederfde inkomsten niet, waardoor de kosten op de verdachte worden verhaald.
De hoogte van de vorderingen is betwist.
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen. De behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat zowel het causale verband als de hoogte van de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Dat komt omdat de vorderingen verband houden met meerdere ontploffingen, bij meerdere panden van de B.V.’s, alsmede met de sluiting(en) door de gemeente waarvan een deel achteraf onrechtmatig is geoordeeld. Het causaal verband tussen de door verdachte gepleegde bewezenverklaarde feiten en de geleden schade staat onvoldoende vast om de vorderingen nu (gedeeltelijk) toe te kunnen wijzen. Uit proceseconomische overwegingen zal eveneens de vordering ten aanzien van de advocaatkosten niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen in hun geheel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
9.2.
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]
[benadeelde partij 1] heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.000 voor immateriële schade, bestaande uit de blijvende impact die de explosies en de poging daartoe op haar leven en gezondheid hebben gehad. Zij heeft daartoe een verslag van een consult bij de huisarts overlegd. Daarnaast vordert zij € 800,- aan proceskosten.
[benadeelde partij 2] heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.000 voor immateriële schade, bestaande uit gezondheidsklachten en de spanning en de impact die de explosies en de poging daartoe tot gevolg hebben gehad. Zij heeft daartoe een brief van de huisarts overlegd. Daarnaast vordert zij € 800,- aan proceskosten.
[benadeelde partij 3] heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.000 voor immateriële schade, bestaande uit de onrust, angst en gezondheidsklachten die de explosies en de poging daartoe hebben veroorzaakt. Daarnaast vordert hij € 250,- aan proceskosten.
[benadeelde partij 4] heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 5.000 voor immateriële schade, bestaande uit psychische en lichamelijke klachten die de explosies en de poging daartoe hebben veroorzaakt. Daarnaast vordert hij € 250,- aan proceskosten.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan, onder meer, een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van bedoelde aantasting in de persoon 'op andere wijze' is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht of bij gevoelens van angst en/of schrik.
De rechtbank zal de vorderingen van de benadeelden niet-ontvankelijk verklaren. Vanwege de verwevenheid met het geheel aan explosies en de gevolgen daarvan, komt de gevorderde immateriële schade in de onderhavige procedure niet voor (gedeeltelijke) toewijzing in aanmerking. Het causaal verband tussen de door verdachte gepleegde bewezenverklaarde feiten en de door de benadeelden geleden schade staat daarvoor immers onvoldoende vast. Bovendien kan de rechtbank niet zonder meer concluderen dat door het bewezen feit geestelijk letsel is veroorzaakt. Ook is niet vanzelfsprekend dat de aard en de ernst van de normschending persoonsaantasting meebrengt van de op dat moment niet in het bedrijfspand aanwezige benadeelde partijen. Behandeling van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren omdat het causale verband telkens onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Uit proceseconomische overwegingen zullen eveneens de vorderingen ten aanzien van de advocaatkosten niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partijen kunnen hun vorderingen in hun geheel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 47, 55, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart het in zaak B primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feit 1 en 2 en het in zaak B subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
In zaak A:
Ten aanzien van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde:
de eendaadse samenloop van
medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan levensgevaar, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander en gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º of onderdeel 7º
In zaak B:
opzetheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie 200 (tweehonderd) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden,
Beveelt dat een gedeelte, groot
184 (honderdvierentachtig) dagen, van deze jeugddetentie
nietzal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt de proeftijd vast op
2 (twee) jaaronder de algemene voorwaarde dat veroordeelde
• zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:
• een zinvolle vrijetijdsbesteding in de vorm van een bijbaan en/of sport heeft en behoudt;
• naar werk en/of naar school gaat volgens rooster;
• meewerkt aan de begeleiding vanuit IFA of soortgelijke coaching;
• meewerkt aan de aanvullende hulpverlening die de Jeugdbescherming nodig acht;
• zich houdt aan een contactverbod met de medeverdachten;
• meewerkt aan diagnostiek voor zover de Jeugdbescherming dat nodig acht.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:
• ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
• zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling
William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclasseringtoezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. De veroordeelde is daarbij van rechtswege verplicht zijn medewerking te verlenen aan het vaststellen van zijn identiteit en aan reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van
80 (tachtig) urenbestaande uit een werkstraf voor de duur van
40 (veertig) urenen een leerstraf voor de duur van
40 (veertig) urenbestaande uit So-Cool Regulier.
Beveelt dat, als verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
40 (veertig) dagen.
Bepaalt dat de benadeelde partijen
De Eilanders Restaurants B.V., De Pizzabakkers Group B.V., [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. A.Ş. Doğan en A.G.P. van der Baan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.
De voorzitter en de jongste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2025, pag. 016, bijschrift bij tweede afbeelding en p. 017 bijschrift bij eerste afbeelding.
3.Proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2025, pag. 007, alinea 5 en 6.
4.Proces-verbaal van bevindingen van 3 september 2025, pag. 003, alinea 9; een geschrift, zijnde een rapport van explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 december 2025, opgemaakt door dr.ir. K.D.B. Bezemer, paragraaf 6.1., tweede alinea, eerste en tweede zin en vierde alinea, eerste zin.
5.Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] van 3 september 2025, pag. 35, vijfde antwoord, eerste, vijfde, zesde en zevende zin.
6.Proces-verbaal van verhoor minderjarige verdachte [medeverdachte 1] van 3 september 2025, pag. 35, vijfde antwoord, negende tot en met dertiende zin.
7.Proces-verbaal van forensisch onderzoek aan [adres] van 13 september 2025, pag. 026, derde alinea.
8.Een geschrift, zijnde een rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 december 2025, opgemaakt door dr. ing. M. van Gent, pag. 091, par. 4, tweede regel van de tabel en pag. 092, par. 7, tweede regel van de tabel.
9.Proces-verbaal van vooronderzoek lab van 2 oktober 2026, pag. 047, eerste spoor.
10.Een geschrift, zijnde een rapport van onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 12 december 2025, opgemaakt door dr. ing. M. van Gent, pag. 092, par. 7, tweede regel van de tabel en pag. 093, par. 8, derde alinea.
11.Een geschrift, zijnde een rapport van forensisch DNA-onderzoek van Eurofins van 25 september 2025, opgemaakt door Dr. P.J. Herbergs, pag. 085, tabel 3, onderste regel en pag. 086, par. 6, tweede, derde en vierde alinea.
12.Proces-verbaal van vooronderzoek lab van 8 december 2025, pag. 059, par. ‘veiliggesteld spoor’; Proces-verbaal van bevindingen dactyloscopisch onderzoek van 9 december 2025, bijlage 1, pagina 074 en pagina 076, tabel 1.
13.Proces-verbaal van de zitting van 19 juni 2026.
14.Proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2025, p. 038, laatste zin en pag. 039, tabel.
15.Proces-verbaal van relaas van 14 januari 2026, pag. 5, vierde alinea en vijfde alinea.
16.Proces-verbaal van onderzoek telecommunicatienetwerk van 23 december 2025, pag. 088, Conclusie.
17.Ibid. noot 13.
18.Ibid. noot 13.
19.Proces-verbaal van bevindingen van 4 november 2025, pag. 045.
20.Proces-verbaal van bevindingen van 13 december 2025, pag. 079, laatste punt en pag. 080, twaalfde regel en eerste alinea.
21.Een geschrift, zijnde een rapport van explosievenonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 18 december 2025, opgemaakt door dr.ir. K.D.B. Bezemer, paragraaf 6.2., pag. 6, eerste alinea, voorlaatste en laatste zin en tweede alinea, tweede zin.
22.Proces-verbaal van forensisch onderzoek aan [adres] van 13 september 2025, pag. 026, eerste alinea, eerste zin.
23.Proces-verbaal van bevindingen van 23 maart 2026, pag. 7, par. onder ‘Aanleiding’, eerste alinea, eerste zin en pag. 8, par. onder ‘Constatering gestolen scooter’ en pag. 9, eerste alinea.
24.Proces-verbaal van aangifte [naam 3] van 21 maart 2026, pag. 49, par. onder ‘Verklaring’, eerste zin.