ECLI:NL:RBAMS:2026:6874

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/13/769717 / HA ZA 25-1091
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 2 BWArt. 612 RvArt. 7:15 AwbArt. 8:75 AwbArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gemeente Amsterdam onrechtmatig jegens rederij door omzetting exploitatie- en ligplaatsvergunningen

Blue Boat Company, actief in de Amsterdamse rondvaartbranche, kreeg in 2020 exploitatievergunningen voor haar rondvaartboten omgezet van onbepaalde naar bepaalde tijd, met verschillende einddata. De gemeente wijzigde ook ligplaatsvergunningen naar bepaalde tijd. Deze besluiten werden door bestuursrechters herroepen wegens onrechtmatigheid.

Blue Boat Company vorderde een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld en een schadevergoeding. De gemeente erkende de onrechtmatigheid van de omzettingsbesluiten, maar betwistte het causaal verband met de schade en stelde dat het gehele vaarbeleid niet onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de omzettingsbesluiten vaststaat en dat de mogelijkheid van schade door Blue Boat Company voldoende aannemelijk is. De verkoop van boten en het niet kunnen exploiteren van een boot tussen maart en oktober 2024 zijn gevolgen van de onrechtmatige besluiten. De schade kan echter nog niet worden begroot, zodat de zaak wordt verwezen naar schadestaat.

De rechtbank wees een verklaring voor recht toe, veroordeelde de gemeente tot schadevergoeding op te maken bij staat en veroordeelde de gemeente tot betaling van proceskosten. Juridische kosten komen niet apart voor vergoeding in aanmerking vanwege bestaande proceskostenregelingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de gemeente onrechtmatig en veroordeelt tot schadevergoeding op te maken bij staat.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769717 / HA ZA 25-1091
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.AMSTERDAM CANAL CRUISES B.V.,2. ALGEMENE AMSTERDAMSE REDERIJ NOORD-ZUID B.V.,

beide te Amsterdam,
eisende partijen,
hierna samen (in enkelvoud) te noemen: Blue Boat Company,
advocaat: mr. H.J.M. van Schie,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. B.S. Jaasma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 mei 2025,
- de akte overlegging producties van Blue Boat Company,
- de akte houdende toelichting op schadeposten van Blue Boat Company, met producties,
- de conclusie van antwoord van de gemeente, met producties,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Blue Boat Company is als rederij actief in de Amsterdamse rondvaartbranche.
De vloot van Blue Boat Company bestond begin 2020 uit negentien rondvaartboten met een exploitatievergunning, waarvan zeventien in het segment bemand groot en twee sloepen.
2.2.
In 2019 en 2020 heeft de gemeente achtereenvolgens de Nota Varen Deel 1 en de Nota Varen Deel 2 vastgesteld. Het in die Nota’s neergelegde beleid had betrekking op het gebruik van het Amsterdamse binnenwater met als doelstellingen het beheersen van drukte en vermindering van overlast, de verdeling van schaarse ruimte op de grachten, de bescherming van het karakter van de grachten als historisch erfgoed en het waarborgen van een vlotte en veilige doorvaart. De Nota’s kondigen meerdere maatregelen aan, waaronder een volumebeleid voor de passagiersvaart (door middel van een maximering van het aantal exploitatievergunningen) en de verdeling van (exclusieve) op- en afstapplaatsen.
De besluiten over de exploitatievergunning en de herroeping daarvan
2.3.
Op 4 juni 2020 heeft de gemeente [1] voor elk van de negentien rondvaartboten van Blue Boat Company het besluit genomen om de exploitatievergunning voor onbepaalde tijd om te zetten naar een vergunning voor bepaalde tijd (hierna: de omzettingsbesluiten exploitatievergunning). De einddatum van de verschillende exploitatievergunningen werd daarbij gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030. Op 13 juli 2020 heeft de gemeente de einddata voor enkele rondvaartboten gewisseld (hierna: de wisselbesluiten). De gemeente heeft op 26 januari 2021 het bezwaar tegen de omzettingsbesluiten exploitatievergunning en de daarmee samenhangende wisselbesluiten ongegrond verklaard.
2.4.
Op 22 februari 2022 heeft de rechtbank het beroep van Blue Boat Company tegen het besluit op bezwaar van 26 januari 2021 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 oktober 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank vernietigd, de beslissing op bezwaar vernietigd en de omzettingsbesluiten (inclusief de wisselbesluiten) herroepen. [2] Gevolg hiervan was dat de eerder aan Blue Boat Company voor onbepaalde tijd verleende exploitatievergunningen weer golden.
De besluiten over de ligplaatsvergunningen en de herroeping daarvan
2.5.
Bij besluiten van 15 juli 2022 heeft de gemeente de ligplaatsvergunningen voor onbepaalde tijd van Blue Boat Company gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024 en 1 maart 2026 (hierna: de omzettingsbesluiten ligplaatsvergunning). In maart en april 2024 heeft de gemeente de ligplaatsvergunningen verlengd tot 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030.
2.6.
Na bezwaar en beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak van 9 september 2024 de besluiten van 15 juli 2022 herroepen. Voor zover die herroeping zag op vergunningen voor exclusieve op- en afstapplaatsen waarvoor Blue Boat Company een exclusief gebruiksrecht had, is geen hoger beroep ingesteld zodat die herroeping definitief is. Voor zover de besluiten van 15 juli 2022 betrekking hadden op een drietal reguliere ligplaatsvergunningen van Blue Boat Company (dus voor ligplaatsen op locaties zonder exclusieve op- of afstapplaats) heeft de Afdeling de gemeente in haar uitspraak van 25 februari 2026 opgedragen een nieuw besluit te nemen. [3]
Verkoop van boten
2.7.
In 2020 en 2021 heeft Blue Boat Company drie van haar rondvaartboten verkocht. Het ging daarbij om boten waarvan de exploitatievergunning als gevolg van de omzettingsbesluiten exploitatievergunning op 1 maart 2024 zou aflopen.
Deelname aan verdelingsronde in 2021
2.8.
Blue Boat Company heeft vier aanvragen voor (nieuwe) exploitatievergunningen gedaan. Al deze aanvragen zijn afgewezen. Beroep daartegen is aanhangig bij de bestuursrechter.
Aansprakelijkstelling
2.9.
Blue Boat Company heeft de gemeente op 11 november 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die Blue Boat Company heeft geleden als gevolg van de omzettingsbesluiten exploitatievergunning. Daarbij heeft Blue Boat Company aangegeven de schadeomvang nog niet volledig te kunnen bepalen, maar wel verzocht enkele schadeposten alvast te vergoeden. In januari 2025 heeft Blue Boat Company een aanvullende schadeonderbouwing toegezonden.
2.10.
In haar reactie van 24 april 2025 heeft de verzekeraar van de gemeente laten weten geen aanleiding te zien om aan Blue Boat Company een schadevergoeding toe te kennen. Dat heeft de verzekeraar van de gemeente, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:
“(…) Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de onrechtmatigheid en de toerekenbaarheid van de omzettingsbesluiten waar de uitspraak op ziet in beginsel gegeven. Voor aansprakelijkheid moet echter ook sprake zijn van causaliteit, schade en relativiteit. (…) Uw schadeclaim is op dit moment nog onvoldoende onderbouwd. Zo voert u verschillende schadeposten op zonder dat u daarbij aangeeft waarom er een causaal verband tussen de omzettingsbesluiten en deze schade bestaat. (…)
Uiteraard staat VGA ervoor open om met u in gesprek te gaan over de vraag of de door u genoemde kosten het gevolg zijn van de omzettingsbesluiten en of deze kosten nader kunnen worden onderbouwd. (…)
Over de aan te leveren stukken kunnen we eventueel in gesprek gaan. Voor een aanspraak op een schadevergoeding denken wij onder meer aan het volgende:
1. Een schadeopstelling van de schade die u als gevolg van de omzettingsbesluiten heeft geleden, lijdt, of nog verwacht te lijden. Eventuele andere schade als gevolg van andere besluiten en/of handelingen in het ‘rondvaartbotendossier’ kunt u daarbij in principe buiten beschouwing laten
2. Ik vraag u daarbij in te gaan op het causale verband tussen de omzettingsbesluiten en de door u gesteld geleden schade.
3. Namens welke vennootschappen wordt om schadevergoeding verzocht, hoe deze vennootschappen zich tot elkaar verhouden en hoe deze vennootschappen zelfstandig zijn geraakt door de omzettingsbesluiten.
Mocht u een overzicht van uw schade sturen, dan zal ik opnieuw beoordelen of aanleiding bestaat om de gestelde schade te vergoeden. (…)”

3.Het geschil

3.1.
Blue Boat Company vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht verklaart dat de gemeente onrechtmatig jegens Blue Boat Company heeft gehandeld, alsmede de gemeente een schadevergoeding [de rechtbank leest: de gemeente veroordeelt tot een schadevergoeding], op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
 een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.
3.2.
Blue Boat Company legt aan haar vordering ten grondslag dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de exploitatievergunningen om te zetten naar vergunningen voor bepaalde tijd. Met de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, waarbij de beslissingen op bezwaar zijn vernietigd en de primaire besluiten zijn herroepen, zijn de onrechtmatigheid, de toerekenbaarheid en de schuld van de gemeente gegeven. Met de uitspraak van de rechtbank van 9 september 2024 staat ook de onrechtmatigheid van de omzettingsbesluiten voor de exclusieve ligplaatsvergunningen vast. Naast de onrechtmatigheid van die besluiten is het gehele gemeentelijke vaarbeleid onzorgvuldig vormgegeven en was de inzet op de uitvoering daarvan onrechtmatig.
De gemeente beraadt zich hoe nu verder te gaan met het rondvaartbeleid, maar daar heeft zij nog geen keuze in gemaakt. Daarom is het op dit moment voor Blue Boat Company niet goed mogelijk om haar schade te begroten. Dat is de reden dat verwijzing naar de schadestaat wordt gevraagd.
3.3.
De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Blue Boat Company, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Blue Boat Company in de kosten van deze procedure. De gemeente erkent dat de besluiten tot omzetting van de exploitatievergunningen en de besluiten tot omzetting van de ligplaatsvergunningen voor onrechtmatig moeten worden gehouden, maar stelt zich op het standpunt dat het causaal verband ontbreekt tussen de door Blue Boat Company opgevoerde schadeposten en de onrechtmatige besluiten. Verder bestrijdt de gemeente dat het gehele vaarbeleid onrechtmatig is jegens Blue Boat Company.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het onrechtmatig handelen van de gemeente
4.1.
De rechtbank moet eerst vaststellen waaruit het onrechtmatig handelen van de gemeente bestaat, omdat dat handelen de grondslag vormt voor een eventuele schadevergoedingsplicht van de gemeente.
4.2.
Partijen zijn het erover eens dat de door de gemeente genomen omzettingsbesluiten exploitatievergunning van 4 juni 2020 (en de daarmee samenhangende wisselbesluiten van 13 juli 2020) onrechtmatig zijn jegens Blue Boat Company. Dat geldt ook voor de omzettingsbesluiten ligplaatsvergunning van 15 juli 2022, voor zover die zagen op exclusieve op- en afstapplekken. Al die besluiten zijn immers door de bestuursrechter herroepen en daarmee is de onrechtmatigheid van die besluiten gegeven.
4.3.
Blue Boat Company heeft onvoldoende onderbouwd dat, naast de hiervoor genoemde besluiten, sprake is van andere onrechtmatige gedragingen van de gemeente tegenover Blue Boat Company. De rechtbank volgt Blue Boat Company niet in het standpunt dat het gehele gemeentelijk vaarbeleid als onrechtmatig jegens haar moet worden aangemerkt. Uitgangspunt is dat het vaarbeleid van de gemeente pas effect sorteert tegenover Blue Boat Company wanneer de gemeente (mede) op basis van dat beleid een aan Blue Boat Company gericht besluit neemt of civielrechtelijk handelingen verricht. Blue Boat Company heeft niet concreet gemaakt wat precies het door haar gestelde “zelfstandig effect van het vaarbeleid op het handelen en de positie van Blue Boat Company” is. Begrijpelijkerwijs zal Blue Boat Company zich naar aanleiding van het in 2019 geïntroduceerde nieuwe vaarbeleid genoodzaakt hebben gezien zich te beraden over wat dat beleid betekent voor haar bedrijfsvoering, maar dat is onvoldoende om het vaarbeleid als zodanig als onrechtmatig jegens Blue Boat Company aan te merken. Het onrechtmatig handelen van de gemeente beperkt zich dus tot de door haar tegenover Blue Boat Company genomen besluiten zoals genoemd in 4.2.
De mogelijkheid van schade
4.4.
Voor de toewijsbaarheid van de door Blue Boat Company gevorderde verklaring voor recht, evenals voor de gevorderde veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat, is vereist maar ook voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is. [4]
4.5.
Blue Boat Company heeft onder meer het volgende gesteld over haar schade. Door de omzettingsbesluiten exploitatievergunning heeft Blue Boat Company per 1 maart 2024 vier exploitatievergunningen verloren. Daarnaast was het perspectief dat per 1 maart 2026 van nog eens vier boten de exploitatievergunning zou vervallen. Het is niet gelukt om in maart 2021 nieuwe exploitatievergunningen te verkrijgen. Blue Boat Company heeft haar vloot moeten inkrimpen. Drie van de vier boten waarvan de explotatievergunning op 1 maart 2024 verliep, heeft zij verkocht. Met de vierde boot (Flying Dutchman) heeft Blue Boat Company na 1 maart 2024 niet kunnen varen bij gebrek aan exploitatievergunning.
4.6.
De gemeente betwist onder meer dat causaal verband (in de zin van
conditio sine qua non-verband) bestaat tussen de onrechtmatige besluiten en de door Blue Boat Company gestelde exploitatieschade. Het betoog van de gemeente luidt, kort samengevat, als volgt. Als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 hebben de vaartuigen sinds dat moment weer een exploitatievergunning voor onbepaalde tijd. Het is de keuze van Blue Boat Company geweest om de vaartuigen te verkopen, terwijl de bestuursrechtelijke procedure tegen de besluiten nog liep. Zij had bijvoorbeeld andere afspraken kunnen maken met de koper. De keuze voor verkoop van drie van de vier vaartuigen komt dan voor rekening en risico van Blue Boat Company. Het vierde vaartuig (Flying Dutchman) heeft Blue Boat Company tussen 1 maart 2024 en 2 oktober 2024 niet kunnen exploiteren, maar Blue Boat Company heeft niet aangetoond dat daadwerkelijk sprake is geweest van omzetverlies. Blue Boat Company heeft geen inzicht gegeven in de bezettingsgraad, zodat ervan uit wordt gegaan dat Blue Boat Company passagiers voor Flying Dutchman met haar andere vaartuigen kon vervoeren.
4.7.
Naar het oordeel van de rechtbank is de mogelijkheid dat Blue Boat Company schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige besluiten voldoende aannemelijk. Dat sinds de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 de exploitatievergunningen (voorlopig) weer voor onbepaalde tijd gelden, doet er niet aan af dat Blue Boat Company er ten tijde van de omzettingsbesluiten exploitatievergunning van moest uitgaan dat zij per 1 maart 2024 (en ook per 1 maart 2026) de exploitatievergunning van een aantal rondvaartboten zou kwijtraken. Het is dan logisch dat Blue Boat Company dit betrekt bij door haar te nemen beslissingen over haar bedrijfsvoering. Daarom kunnen de gevolgen van de keuze van Blue Boat Company om tot verkoop van een aantal boten over te gaan, niet (volledig) voor haar rekening komen. Het is, anders dan de gemeente betoogt, in de gegeven omstandigheden niet reëel om van Blue Boat Company te verwachten dat zij andere afspraken met de kopers had gemaakt, waarbij mogelijke uitkomsten van de bestuursrechtelijke procedure werden verdisconteerd. Ook is aannemelijk dat de verkochte boten toen minder waard zijn geworden als gevolg van de (pas nadien onrechtmatig gebleken) besluiten en dat de verkoopprijs lager was dan in de situatie zonder die (onrechtmatige) besluiten. Verder staat vast dat Blue Boat Company – als gevolg van de onrechtmatige besluiten – voor de Flying Dutchman niet beschikte over een exploitatievergunning tussen 1 maart 2024 en 2 oktober 2024. Aannemelijk is dat dit tot omzetverlies heeft geleid. Blue Boat Company hoeft in deze procedure het bestaan of de omvang van dat omzetverlies nog niet aan te tonen.
4.8.
De argumenten van de gemeente kunnen in het kader van de schadebegroting nader aan de orde komen, maar staan er dus niet aan in de weg dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure
4.9.
Artikel 612 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) noemt als uitgangspunt dat de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, de schade in het vonnis begroot. Indien het direct begroten van de schade niet mogelijk is, verwijst de rechter de zaak naar de schadestaat.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat de schade van Blue Boat Company in dit vonnis niet kan worden begroot. Daarvoor is het inhoudelijke debat over de gestelde schade(posten) nog onvoldoende gevoerd. Daarom zal de rechtbank een veroordeling tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat, uitspreken.
4.11.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Blue Boat Company toewijsbaar zijn. Dat als gevolg van de uitspraken van de bestuursrechter vaststaat dat de omzettingsbesluiten exploitatievergunning en de omzettingsbesluiten ligplaatsvergunning onrechtmatig zijn, ontneemt Blue Boat Company, anders dan de gemeente heeft betoogd, niet het belang bij de gevorderde verklaring voor recht. In geschil was immers of de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat die mogelijkheid aannemelijk is, ligt daarin het belang (zie ook 4.4).
Voorlopig oordeel over juridische kosten
4.12.
De schade van Blue Boat Company valt blijkens haar toelichting uiteen in twee categorieën: bedrijfsschade (exploitatieverlies en waardeverlies) en juridische kosten. Blue Boat Company heeft aangegeven dat partijen met het oog op de verdere afwikkeling van deze zaak, zo mogelijk buiten rechte, belang hebben bij een oordeel van de rechtbank over de aannemelijkheid van het bestaan van specifieke schadeposten.
4.13.
Over de bedrijfsschade kan de rechtbank geen verder voorlopig oordeel geven dan hetgeen hiervoor in 4.7 al is overwogen. Voor wat betreft de juridische kosten is het voorlopig oordeel van de rechtbank dat dergelijke kosten niet afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking komen in aanvulling op de reeds toegekende proceskostenvergoedingen in de eerder tussen partijen gevoerde bestuursrechtelijke en civiele procedures. Daartoe is redengevend dat zowel het bestuursrecht (in de artikelen 7:15 en 8:75 Algemene wet bestuursrecht en in het Besluit proceskosten bestuursrecht) als het civiele recht (in de artikelen 237 tot en met 241 Rv) een forfaitaire, limitatieve en exclusieve regeling voor de vergoeding van proceskosten bevat. Het merendeel, zo niet alle, van de door Blue Boat Company genoemde juridische kosten vallen onder die exclusieve proceskostenregelingen. Voor die kosten kan dan niet meer afzonderlijk op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro aanvullende (schade)vergoeding worden gevorderd. [5]
Proceskosten
4.14.
De gemeente wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij aangemerkt. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van deze procedure betalen. De proceskosten van Blue Boat Company worden begroot op:
- dagvaardingsexploot € 121,99
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.330,99

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de gemeente onrechtmatig jegens Blue Boat Company heeft gehandeld,
5.2.
veroordeelt de gemeente tot het betalen van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.3.
veroordeelt de gemeente in de proceskosten van € 2.330,99, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als de gemeente niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, rechter, bijgestaan door mr. K.E. Beerlage, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.De besluiten zijn genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Dat geldt ook voor alle hierna te noemen besluiten.
3.Uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1047)
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Hoge Raad van 27 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:760) en 5 juli 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1028).
5.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 12 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1600) en de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3518).