ECLI:NL:RBAMS:2026:6919

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
13-116238-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138 Wetboek van StrafrechtArt. 282 Wetboek van StrafrechtArt. 300 Wetboek van StrafrechtArt. 27 Wet wapens en munitieArt. 1 Uitvoeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering verdachte voor gewelddadige aanval en andere strafbare feiten aan Verenigd Koninkrijk

De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 juni 2026 een vordering tot overlevering van een verdachte aan het Verenigd Koninkrijk op basis van een arrestatiebevel uitgevaardigd door de Birmingham Magistrates' Court. De verdachte wordt verdacht van betrokkenheid bij een gewelddadige aanval op drie mannen, waarbij onder meer mishandeling, wapenbezit, vrijheidsberoving en binnendringen zijn gepleegd.

De verdediging voerde aan dat er onduidelijkheden bestonden over de aard van het arrestatiebevel en de detentieomstandigheden na overlevering, met name vanwege de minderjarige leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict. De rechtbank oordeelde dat het arrestatiebevel een vervolgingsarrestatiebevel betreft en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd door de feitelijke omschrijving van de feiten.

Verder concludeerde de rechtbank dat de detentieomstandigheden in de beoogde inrichting (HMP Wormwood Scrubs) geen reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling opleveren, ook niet gezien de minderjarige leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict. De mogelijkheid tot vervroegde invrijheidsstelling bij een levenslange gevangenisstraf is gegarandeerd, waardoor ook dit bezwaar werd verworpen.

Gelet op de naleving van de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering van de verdachte aan het Verenigd Koninkrijk toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan het Verenigd Koninkrijk toe wegens voldoende naleving van wettelijke vereisten en afwezigheid van weigeringsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-116238-26 (AB I)
Datum uitspraak: 25 juni 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 21 april 2026 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 28 mei 2025 door
the Birmingham Magistrates' Court(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 11 juni 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. W.L.M. van Poll. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem en door een tolk in de Roemeense taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. [1]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een
warrant of Arrest Without Bail. Blijkens de aanvullende informatie van 27 mei 2026 is dit arrestatiebevel uitgevaardigd door de
Birmingham Crown Courtop 10 maart 2025.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van het Verenigde Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er verschillen en onduidelijkheden bestaan tussen het AB en de Interpolmelding. Zo wordt in de Interpolmelding gesproken over een veroordeling. In het AB wordt uitgegaan van een verdenking, terwijl tevens staat vermeld dat de opgeëiste persoon reeds schuldig is bevonden (reden waarom onderdeel (d) ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in die procedure is ingevuld) en op de rol van 9 juli 2025 staat voor strafbepaling. Kort gezegd komen de onduidelijkheden neer op de vraag of sprake is van een verzoek tot overlevering ter vervolging of executie. Daarnaast is het nationaal aanhoudingsbevel (NAB) dat als bijlage bij antwoorden van de Britse autoriteiten zou zitten, niet aan het dossier toegevoegd, zodat dit niet valt te controleren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een vervolgings-AB, aangezien in deze zaak nog niet bij een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis een vrijheidsstraf aan de opgeëiste persoon is opgelegd. Overlegging van een NAB is niet vereist in overleveringszaken, enkel dat blijkt dat een afzonderlijk bevel is afgegeven.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank leidt uit het dossier af dat de opgeëiste persoon voor de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht schuldig is bevonden, maar dat nog geen sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, waarbij aan de opgeëiste persoon een straf of maatregel is opgelegd. De rechtbank beschouwt het AB daarom als een vervolgingsarrestatiebevel. Gelet hierop zal de rechtbank de verweren met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon bij de zittingen over de inhoudelijke behandeling ter vaststelling van de schuld onbesproken laten.
De rechtbank merkt verder op dat op grond van artikel 606 HSO Pro, en artikel 2, tweede lid onder c, OLW en het arrest Bob-Dogi van het Hof van Justitie EU [2] het uitsluitend van belang is vast te stellen dat een van het AB te onderscheiden voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel (of een vergelijkbare beslissing) is vermeld. Het bevel zelf hoeft hierbij niet te worden overgelegd.
3.1
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de informatie in het AB niet genoegzaam is. De kwalificaties in de Interpolmelding komen namelijk niet overeen met het arrestatiebevel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het AB genoegzaam is. Het specialiteitsbeginsel is voldoende gewaarborgd nu de feitsomschrijving voldoende duidelijk is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het AB, gelet op artikel 606 HSO Pro, gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de HSO geformuleerde vereisten. Daartoe dient het AB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
De rechtbank beoordeelt de genoegzaamheid niet aan de hand van de Britse strafbaarstelling of de kwalificatie naar Brits recht, maar hoofdzakelijk aan de hand van de feitelijke omschrijving. Uitgaande van de omschrijving van de feiten zoals opgenomen in het AB in samenhang gelezen met de Interpolmelding, is voor de opgeëiste persoon duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Uit de feitsomschrijving volgt dat de opgeëiste persoon wordt aangemerkt als één van de zes verdachten die betrokken was bij een gecoördineerde aanval op drie mannen op 6 juni 2024. Over de wijze waarop deze aanval plaatsvond wordt vermeld dat de zes verdachten met drie auto’s, de auto van slachtoffers hebben omsingeld en de slachtoffers met gebruikmaking van machetes met geweld hebben aangevallen. Daarbij is één van de slachtoffers, de chauffeur, met geweld uit de auto gehaald en in de kofferbak van de auto van één van de verdachten genomen waarna dit slachtoffer naar een adres werd gebracht in [plaats] . Daar is het slachtoffer uit de kofferbak gehaald waarna een aantal verdachten zich toegang heeft verschaft tot een ‘woning’ (
property). Het slachtoffer is met geweld naar binnen gebracht waar vervolgens een zoeking heeft plaatsgevonden. Een uur na de aanval is het slachtoffer vrijgelaten. De andere twee slachtoffers hebben ernstige verwondingen bij de aanval opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel op basis van deze informatie voldoende gewaarborgd.
De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. [3] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
medeplegen van mishandeling;
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;
medeplegen van in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

5.Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat onduidelijk is waar de opgeëiste persoon na overlevering zal worden gedetineerd. Zo hebben de Britse autoriteiten eerst medegedeeld dat de opgeëiste persoon in HMP Birmingham zal worden gedetineerd, terwijl later is medegedeeld dat de opgeëiste persoon in HMP Wormwood Scrubs zal worden gedetineerd. Ook is onduidelijk of rekening is gehouden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was, zodat de mogelijkheid bestaat dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een inrichting voor minderjarigen dan wel jongvolwassenen. De overlevering kan (primair) niet worden toegestaan. Subsidiair dienen aanvullende vragen te worden gesteld over de gevangenis waar de opgeëiste persoon terecht zal komen, aldus de raadsman.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Britse detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. Blijkens het laatste antwoord van de Britse autoriteiten zal de opgeëiste persoon na overlevering in HMP Wormwood Scrubs worden gedetineerd en is tevens gegarandeerd dat de opgeëiste persoon niet in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford, HMP Winchester en HMP Wandsworth zal worden geplaatst, instellingen waarvan de rechtbank in het verleden heeft geoordeeld dat er een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Het aangenomen algemeen gevaar ziet bovendien niet op minderjarige opgeëiste personen, zodat hierover geen nadere vragen hoeven te worden gesteld.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (Alchaster). [4] Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. [5] De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft daarom niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren. Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. [6]
De rechtbank dient om die reden steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen.
Uit de aanvullende informatie van 10 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering hoogstwaarschijnlijk zal worden geplaatst in HMP Wormwood Scrubs (en dat hij niet in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford, HMP Winchester en HMP Wandsworth zal worden geplaatst).
De rechtbank beschikt (ambtshalve) niet over gegevens die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instelling, noch over omstandigheden of gegevens met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Dat de opgeëiste persoon ten tijde van het delict minderjarig was, doet daar niet aan af. De rechtbank is daarom van oordeel dat de detentieomstandigheden niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon. De rechtbank verwerpt het verweer.

6.Levenslange gevangenisstraf (Artikel 604, aanhef en onder a, HSO)

In onderdeel H van het AB staat het volgende.
“The offence(s) on the basis of which this warrant has been issued are punishable by a custodial life sentence or lifetime detention order:”
Wounding with intent contrary to section 18 of the Offences Against The Person Act 1861.
Kidnapping, contrary to Common Law.
Aggravated Burglary, contrary to section 10(1) of the Theft Act 1968.
The issuing State will upon request by the executing State give an assurance that it will:
[x] review the penalty or measure imposed - on request or at least after 20 years”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie van de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidsstelling bij een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf onvoldoende is. Onduidelijk is namelijk hoe deze regeling zich verhoudt tot een situatie waarin de opgeëiste persoon tweemaal tot een levenslange gevangenisstraf kan worden veroordeeld. Dit is relevant nu in het kader van AB II, dat gelijktijdig met onderhavig arrestatiebevel wordt behandeld (parketnummer 13-152932-26), eveneens is aangegeven dat een levenslange gevangenisstraf kan worden opgelegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de garantie volstaat, omdat in beide arrestatiebevelen is aangekruist dat de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij een veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef Pro en onder a, Overleveringsovereenkomst. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de garantie van de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidstelling, ook niet in het geval dat tweemaal een levenslange gevangenisstraf zou worden opgelegd.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 138, 282 en 300 Wetboek van Strafrecht, artikel 27 Wet Pro wapens en munitie, de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en artikelen 604 en 606 HSO.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Birmingham Magistrates' Court(Verenigd Koninkrijk).
Aldus gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en E. van den Brink., rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers.
en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2026.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet in verbinding met artikel 27, tweede lid, OLW.
2.HvJ EU, 1 juni 2016, C-241/15 (EU:C:2016:385),
3.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster).
5.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.