ECLI:NL:RBAMS:2026:6971

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
13/009663-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 240 SrArt. 241 lid 1 SrArt. 342 SvArt. 6 EVRMArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetaanranding in uitgaansgelegenheid met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 2 november 2025 werd verdachte beschuldigd van opzetaanranding van een vrouw in Club Escape te Amsterdam. De aangeefster verklaarde dat verdachte haar ongewild bij haar billen, borsten en vagina had aangeraakt, terwijl zij in shock en onder invloed van alcohol was. Een getuige bevestigde dat verdachte haar op ongepaste wijze betastte en dat het slachtoffer zichtbaar ontdaan was.

De verdediging voerde aan dat de verklaring van het slachtoffer onvoldoende betrouwbaar was, mede omdat zij in het Engels en niet in haar moedertaal was verhoord. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen consistent en betrouwbaar waren en dat de getuigenverklaring als steunbewijs diende. Het ontbreken van DNA-sporen werd niet als doorslaggevend beschouwd.

De rechtbank stelde vast dat verdachte bewust de wil van het slachtoffer negeerde en haar meerdere malen betastte, wat kwalificeert als opzetaanranding volgens de sinds 1 juli 2024 geldende wetgeving. Een voorwaardelijk verzoek van de verdediging om getuigen te horen werd afgewezen wegens te late indiening en onvoldoende motivering.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 14 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen hechtenis bij niet-naleving. Verdachte had geen strafblad en de straf werd passend geacht gezien de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 dagen gevangenisstraf waarvan 12 voorwaardelijk en een taakstraf van 80 uur wegens opzetaanranding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/009663-26
Datum uitspraak: 8 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1991,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
24 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich op 2 november 2025 te Amsterdam, heeft schuldig gemaakt aan schuld- of opzetaanranding van [aangeefster] . Respectievelijk artikel 240 en Pro artikel 241 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetaanranding.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De verklaring van aangeefster is onvoldoende betrouwbaar. Zij is in beschonken toestand gehoord zonder bijstand van een tolk in de Poolse taal. Zij is niet in haar moedertaal, maar in de Engelse taal verhoord.
Dat verdachte aangeefster bij/over haar billen, borsten en/of vagina zou hebben aangeraakt zoals ten laste gelegd, is slechts afkomstig uit één bron, namelijk aangeefster zelf. De getuige [getuige] bevestigt niet dat zij deze handelingen heeft gezien. Daar komt bij dat ook deze getuige niet in haar moedertaal, maar in de Engelse taal is verhoord.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
4.3.1.1. Bevindingen verbalisanten
Op 2 november 2025 om 05:25 uur werden verbalisanten aangesproken door getuige [getuige] . Zij verklaarde het volgende: “ik was in Club Escape en zag daar een jonge dame op een bankje zitten. Ik zag dat zij onder invloed was. Naast haar zat een jongen. Ik zag dat hij haar op een ongepaste manier aanraakte en streelde over haar rug en billen. Ik kon zien dat de jonge dame dit niet leuk vond en dat zij in shock was. Ik zag dat aan haar hele lichaamshouding. Ik heb haar uit de situatie gehaald. Daarna zijn wij samen naar buiten gegaan.” [getuige] wees het slachtoffer aan. Verbalisant kon aan het gezicht van het slachtoffer zien dat zij erg ontdaan was. Zij keek naar de grond en had een licht trillende lip.
Vervolgens wees [getuige] als verdachte aan de persoon die zij omschreef als ‘de kleine man met opvallend grote bril’. Zij wees daarbij in de richting van twee mannen. Verbalisant zag dat de twee mannen vervolgens richting een bus liepen om in te stappen. De man met de opvallend grote bril stak zijn middelvinger op in de richting van verbalisant en [getuige] . Verbalisanten zijn naar de man gegaan die werd aangewezen als verdachte en bleek te zijn genaamd [verdachte] . Verdachte verklaarde desgevraagd: “Kijk naar haar zij is dronken, geloven jullie haar”.
Het slachtoffer bleek te zijn genaamd: [aangeefster] . Zij verklaarde: “Die man met wie u net sprak heeft mij op verschillende plekken aangeraakt tegen mijn zin in. Ik wilde dit helemaal niet maar toch raakte hij mij op intieme plekken aan. Hij heeft aan mijn borsten en billen gezeten.” Zij vertelde dat verdachte haar meerdere keren bij haar borsten had aangeraakt en geknepen. Eerst over haar kleding heen en daarna onder de kleding. Ook heeft hij haar over haar gehele lichaam gestreeld en meerdere keren in haar billen geknepen. Zij verklaarde verder dat verdachte haar heeft aangeraakt bij haar ‘private parts’. Daarbij wees zij naar beneden, naar haar geslachtsdeel. Daarbij hoorde verbalisant haar duidelijk zeggen ‘private parts’. Zij vertelde dat dit alleen over haar slipje was en niet haar geslachtdeel zelf. [2]
4.3.1.2. Verklaring aangeefster
Aangeefster heeft aanvullend in haar aangifte het volgende verklaard. NN1 (hierna verdachte) kwam op mij aflopen en begon mij meteen aan te raken. Verdachte stond tegen mijn rug aan met zijn lichaam. Ik voelde dat zijn lichaam tegen mijn lichaam aan stond. Ik voelde dat zijn rechterarm langs mijn lichaam ging. Zijn hand ging langs de achterkant over mijn rug naar beneden. Ik voelde dat hij zijn hand onder mijn jurkje stak van de achterkant. Ik voelde dat zijn hand in mijn panty ging op mijn onderrug net boven mijn billen. Ik voelde dat zijn hand over mijn slipje over mijn billen ging en tussen mijn benen door ging. Ik voelde dat zijn hand van achteren richting mijn vagina ging over mijn slipje. Ik voelde zijn vingers met lichte druk op mijn schaamlippen. Ik voelde dat hij onder mijn onderbroek probeerde te komen met zijn vingers. Hij bewoog namelijk zijn vingers en probeerde mijn slipje opzij te duwen. Op dat moment besefte ik mij wat hij probeerde en trok ik zijn hand weg. Het voelde extreem oncomfortabel voor mij dat de man dit probeerde. Ik was ook in shock omdat het zo onverwachts was. De man probeerde vervolgens ook met zijn hand mijn borsten aan te raken over mijn kostuum. Een onbekende vrouw kwam naar mij toe en nam mij mee. [3]
4.3.1.3. Verklaring getuige [getuige]
heeft in het verhoor aanvullend het volgende verklaard: ik zag dat de vrouw aan het wankelen was. Ze was met een jongen die haar vasthield. De vrouw was duidelijk zichtbaar onder invloed van alcohol. Ik liep achter hun aan. Tot mijn verbazing zag ik dat de vrouw was gaan zitten op een bankje. De jongen zat naast haar en was haar aan het betasten door haar steeds aan te raken, haar heupen, dan haar rug. De vrouw keek voor zich uit en sprak helemaal niet. Ik zag aan haar dat ze verdrietig of in shock was. Ik besloot om haar aan te spreken in het Engels. De jongen zei steeds: “Ja, het gaat goed met haar, je kan gewoon doorlopen”. Ik vertrouwde de situatie niet. Het voelde gewoon niet goed. Ik liep samen met de vrouw naar buiten, maar de jongen wilde niet weggaan. [4]
4.3.1.4. Verklaring van verdachte
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat aangeefster heel dronken was. Verdachte heeft aangeefster vastgepakt, zodat ze niet zou vallen. Verdachte heeft aangeefster bij haar onderrug aangeraakt. [5] Ook bij de politie heeft verdachte verklaard dat zij ‘heel erg dronken was en nauwelijks op haar benen kon staan’. [6]
4.3.2.
Beoordeling
4.3.2.1 Algemene overwegingen ten aanzien van bewijs in zedenzaken
Zedenzaken kenmerken zich in het algemeen door het gegeven dat slechts twee personen – de aangeefster en de verdachte – aanwezig waren bij de ten laste gelegde handelingen. Ook in deze zaak is (deels) sprake van zo’n één-op-één situatie.
Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken kan worden afgeleid dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging dienen te vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, die afkomstig zijn van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Daarnaast geldt dat een voor het bewijs gebruikte verklaring op zichzelf ook voldoende betrouwbaar moet zijn.
4.3.2.2. Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Aangeefster heeft ter plaatse direct na het incident en enkele uren later in haar aangifte een verklaring afgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de seksuele handelingen die verdachte met haar heeft verricht, namelijk het betasten van haar billen, borsten en vagina. De rechtbank acht deze verklaringen van aangeefster daarom betrouwbaar en bruikbaar als bewijs.
Dat zij niet in haar moedertaal, maar in de Engelse taal is verhoord, doet niet af aan de betrouwbaarheid van haar verklaring over de verweten handelingen. Aangeefster heeft zelf aangegeven dat zij in de Engelse taal verhoord wilde worden. Ook hebben de betreffende verbalisanten, op ambtseed, verklaard dat zij de Engelse taal beheersen. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen.
4.3.2.3. Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van aangeefster. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Getuige [getuige] heeft zowel ter plaatse als tijdens het getuigenverhoor verklaard dat zij heeft gezien dat [aangeefster] op een ongepaste manier werd aangeraakt, dat [aangeefster] het niet wilde en in shock was. Dat deze getuige, zoals door de raadsvrouw is betoogd, niet alle handelingen heeft gezien waarover aangeefster heeft verklaard, maakt niet dat haar verklaring niet als steunbewijs kan worden gebruikt. Het is immers voldoende wanneer de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Daarvan is in dit geval sprake.
De rechtbank acht de verklaringen van [getuige] op de hiervoor genoemde punten consistent en in samenhang met de verklaring van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar als steunbewijs. Dat ook de getuige [getuige] niet in haar moedertaal, maar in de Engelse taal is verhoord doet ook niets af aan de betrouwbaarheid van de inhoud van haar verklaring. De rechtbank heeft ook op dit punt geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen door de betreffende verbalisanten op ambtseed is vastgelegd in het proces-verbaal.
4.3.2.4. Kwalificatie, opzet- of schuldaanranding
De rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster heeft aangeraakt bij de billen, borsten en vagina. De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of sprake is van opzet- of schuldaanranding.
Juridisch kader
De strafbaarstelling van aanranding in de artikelen 240 en 241 Sr is op 1 juli 2024 in werking getreden als onderdeel van de Wet seksuele misdrijven. Voor strafbaarheid van aanranding is niet langer vereist dat de dader een ander opzettelijk dwingt tot het ondergaan van seksuele handelingen. Voor strafbaarheid volstaat dat de dader seksuele handelingen verricht terwijl hij weet (opzet) of ernstige reden heeft te vermoeden (schuld) dat bij de ander daartoe de wil ontbreekt.
Ontbrekende wil
Van ontbrekende wil is sprake bij de afwezigheid van een positieve wilsuiting van de ander. De ander die in staat moet zijn tot (vrije) wilsuiting. Uit de Memorie van Toelichting [7] volgt dat de ontbrekende wil onder meer uit waarneembare feiten en omstandigheden kan worden afgeleid, bijvoorbeeld door duidelijke verbale en/of non verbale signalen, maar ook dat dit kan worden afgeleid uit een terughoudende of passieve opstelling van de ander. Bij dat laatste moet gedacht worden aan wegdraaien, niet bewegen, bevriezen of verstijven. Als signalen worden genegeerd, worden grenzen overschreden en is sprake van strafwaardig gedrag.
Opzet- of schuldaanranding
Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval is de dader zich bewust van de mogelijkheid dat bij de ander de wil ontbreekt, maar heeft hij de keuze gemaakt dat te negeren. Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Bij schuldaanranding gaat de dader er ten onrechte vanuit dat de ander seksueel contact wil. Dit terwijl er signalen waren waaruit de dader had kunnen opmaken dat dit niet het geval was.
Conclusie
Aangeefster werd onverwachts door verdachte aangeraakt bij de billen, borsten en vagina. In eerste instantie wist aangeefster niet goed wat zij met de situatie aan moest omdat het voor haar heel ongemakkelijk voelde. Zij verstijfde of bevroor als het ware. Desondanks ging verdachte door met het betasten van het lichaam van aangeefster. Ook nadat aangeefster op enig moment de hand van verdachte had weggetrokken, bleef hij doorgaan. Door het ingrijpen van de getuige werd aangeefster uit de situatie gehaald. Maar ook daarna liet verdachte aangeefster niet met rust en volgde hij haar naar buiten.
De rechtbank acht, gelet op voorgaande overwegingen, bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding. Verdachte heeft de wil van aangeefster meermalen genegeerd. Verdachte is aan deze duidelijke (non-)verbale signalen voorbijgegaan door aangeefster te blijven betasten. Concluderend komt de rechtbank dus tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetaanranding.
Het feit dat er naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar de bemonstering van de panty en de borsten van het slachtoffer geen DNA-match met verdachte kon worden vastgesteld, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, maakt het oordeel niet anders. Het afwezig zijn van sporen maakt op zichzelf niet dat de verweten gedraging daarom niet heeft plaatsgevonden.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 2 november 2025 te Amsterdam, met een persoon, te weten [aangeefster] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten het aanraken en/of strelen van de billen en/of de borsten en/of de vagina van die [aangeefster] , terwijl hij, verdachte, wist, dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.

6.Bespreking van een voorwaardelijk verzoek tot het verhoren van twee getuigen

6.1
Het voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het verhoren van aangeefster en [getuige] als getuige, in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. De raadsvrouw wil de getuigen onder meer bevragen naar wat zij exact hebben waargenomen, op welk moment zij dit hebben waargenomen, waar hetgeen zij over verklaren exact heeft plaatsgevonden en wat de waarnemingsomstandigheden waren. Voorts wenst de raadsvrouw beide getuigen alsdan te bevragen over de totstandkoming van hun verklaring.
6.2
De beslissing op het voorwaardelijk verzoek
6.2.1.
Procesverloop
Op 11 maart 2026 is de raadsvrouw van verdachte in kennis gesteld van de beslissing tot dagvaarding van verdachte, is haar de concept tenlastelegging toegestuurd en is haar door het Openbaar Ministerie verzocht om binnen vier weken onderzoekswensen bij de rechter-commissaris in te dienen.
Uit het afsluitproces-verbaal van de rechter-commissaris van 16 april 2026 blijkt dat de raadsvrouw op 9 april 2026 een herinneringsmail heeft ontvangen om alsnog onderzoekswensen in te dienen. Op 10 april 2026 heeft de raadsvrouw aangegeven in dit stadium van het strafproces geen onderzoekswensen te hebben. Om die reden heeft de rechter-commissaris het onderzoek gesloten en de stukken aan het Openbaar Ministerie geretourneerd.
Vervolgens is verdachte op 19 mei 2026 gedagvaard voor de inhoudelijke behandeling van de zaak op 24 juni 2026 en is zijn raadsvrouw voor die zitting opgeroepen.
6.2.2.
Beoordeling van het verzoek
Opmerking vooraf
De rechtbank stelt voorop dat de verdediging het recht heeft om getuigen te doen horen die in het belang van de verdediging worden geacht. Dat recht is echter niet onbeperkt en mag worden begrensd in het belang van een goede procesorde (“proper administration of justice”, EHRM 14 februari 2008, 66802-01, Dorokhov).
Juridisch kader en beoordeling
In deze zaak is ten aanzien van aangeefster en de getuige het ondervragingsrecht niet uitgeoefend. Zij hebben wel een voor verdachte belastende verklaring afgelegd en de rechtbank heeft deze verklaring voor het bewijs in de onderhavige zaak gebruikt. Zou de verdediging in enig eerder stadium om het verhoren van deze getuigen hebben verzocht, dan zou dat verzoek voor toewijzing vatbaar zijn in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad. In die rechtspraak is invulling gegeven aan de eisen die op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan een eerlijk proces moeten worden gesteld, waar het gaat om het recht van de verdediging om belastende getuigen te kunnen ondervragen (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 en HR 25 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:765). Uit deze rechtspraak volgt onder meer het volgende.
“De omstandigheid dat de verdediging geen gebruik heeft gemaakt van een eerder bestaande gelegenheid om wensen met betrekking tot de ondervraging van getuigen kenbaar te maken of dat de verdediging niet zelf in een eerder stadium van het onderzoek gebruik heeft gemaakt van de hiervoor genoemde mogelijkheden om een verzoek te doen een getuige te verhoren, terwijl daarvoor op dat moment geen beletsel bestond, biedt op zichzelf geen grond voor de afwijzing van zo’n verzoek. Dat neemt niet weg dat een dergelijke inactiviteit van de verdediging, als daarvoor geen gegronde reden bestaat, een rol kan spelen bij de beoordeling of het proces als geheel eerlijk is verlopen.”
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak géén sprake is van inactiviteit van de verdediging zoals in voorgaand citaat is bedoeld. Door de verdediging is in deze zaak namelijk actief kenbaar gemaakt dat zij géén onderzoekswensen heeft, zodat de zaak gereed is voor een inhoudelijke behandeling.
Van de verdediging mag in een dergelijk geval worden verwacht dat – deze wijziging van standpunt –
toereikend wordt gemotiveerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe feiten en omstandigheden die zich sinds de eerdere standpuntinname hebben voorgedaan, of een nieuw inzicht dat wordt verklaard door het procesverloop of door ontwikkelingen tijdens het onderzoek op de terechtzitting. De hiervoor onder 6.1 weergegeven uiteenzetting van de raadsvrouw van mogelijk te stellen vragen aan de getuigen, levert naar het oordeel van de rechtbank, niet zo’n toereikende motivering op. Immers is daaruit niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden of een nieuw inzicht.
Vervolgens moet
de eerlijkheid van het proces in zijn geheelworden beoordeeld waarbij wordt betrokken: de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend; het gewicht van de verklaring van de getuigen en het bestaan van compenserende factoren. In dat kader overweegt de rechtbank dat zowel aangeefster als de getuige, direct na het incident, ieder afzonderlijk van elkaar uitgebreid en gedetailleerd verklaard hebben over het incident waarbij verdachte aangeefster op een ongepaste manier heeft betast. Zowel aangeefster als de getuige verklaren over de toestand waarin aangeefster verkeerde, namelijk dat zij in shock was en stilletjes. Deze gemoedstoestand wordt vervolgens ook waargenomen door de verbalisanten die aldaar aanwezig waren en door de getuige werden gealarmeerd. Verbalisanten omschrijven dat aangeefster ontdaan was, dat zij naar de grond keek en dat zij een licht trillende lip had. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel vast staan. Verdachte heeft geen ander scenario geschetst waardoor het emotionele effect bij aangeefster kan zijn opgetreden.
Het verzoek van de raadsvrouw komt er, zo de rechtbank uit de vraagstelling van de raadsvrouw begrijpt, in de kern op neer dat aangeefster en de getuige alsnog moeten worden gehoord om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen. Echter de rechtbank heeft de betrouwbaarheid van aangeefster en de getuige in deze zaak nu juist voldoende kunnen toetsen. Immers, de wijze waarop de gedetailleerde verklaringen zijn afgelegd in combinatie met de gemoedstoestand van aangeefster, en de verklaring daarover door de verbalisanten maken het in deze zaak mogelijk dat de rechtbank deze verklaringen zorgvuldig onderzoekt, in het licht van de enkele niet onderbouwde betwisting door de verdachte van die verklaring. De rechtbank is na zorgvuldig onderzoek van oordeel dat deze getuigenverklaringen betrouwbaar zijn.
Daarbij merkt de rechtbank op dat de raadsvrouw ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om onderzoekswensen in te dienen. De raadsvrouw is op 11 maart 2026 door het Openbaar Ministerie uitgenodigd onderzoekswensen in te dienen. Op 9 april 2026 heeft de rechter-commissaris de raadsvrouw herinnert aan de mogelijkheid tot het indienen van onderzoekswensen. Zoals gezegd heeft de raadsvrouw vervolgens op 10 april 2026 actief laten weten geen onderzoekswensen te hebben. Uiteindelijk heeft de raadsvrouw de onderzoekswensen bij pleidooi, in de vorm van een voorwaardelijk verzoek, ingediend. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdediging heeft verzuimd het nodige initiatief te tonen om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat alle omstandigheden in aanmerking genomen de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
De rechtbank wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw af.

7.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 12 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd van 80 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. Hij heeft het slachtoffer ongewild bij haar billen, borsten en vagina aangeraakt. Dit gebeurde in uitgaansgelegenheid Club Escape. Het slachtoffer heeft verklaard dat de aanrakingen van verdachte onverwachts waren, dat zij in shock was en de hand van verdachte nog heeft weggetrokken. De getuige [getuige] zag dat het slachtoffer onder invloed van alcohol was en zag dat zij door verdachte werd betast. Zij verklaarde dat het leek alsof het slachtoffer in shock was. De getuige vertrouwde de situatie niet en greep in. Verdachte heeft meermaals de wil van aangeefster genegeerd en hij is haar telkens blijven betasten. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte heeft voor dit alles geen verantwoordelijkheid genomen. Verdachte heeft kennelijk zijn eigen (lust)gevoelens voorop gesteld en zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen voor het slachtoffer.
In het algemeen geldt dat slachtoffers van dergelijke delicten daar nog lange tijd nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Maar daarnaast tasten verwerpelijke gedragingen als deze ook het gevoel van veiligheid in de samenleving aan. Verdachte heeft zich immers in het openbaar aan het slachtoffer vergrepen, waar in ieder geval [getuige] getuige van is geworden. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 23 april 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 1 juni 2026. Hieruit volgt dat verdachte sinds twee jaar in Nederland verblijft en in afwachting is van een beslissing op zijn verzoek om een langdurige verblijfstatus. Een gevangenisstraf zal voor verdachte geen andere negatieve consequenties hebben, anders dan die voor ieder ander zullen gelden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf zal voor verdachte als ‘stok achter de deur’ kunnen werken. Verdachte is in staat een taakstraf te verrichten.
De straffen
Gezien de ernst van het feit is het uitgangspunt het opleggen van een gevangenisstraf. In deze zaak heeft de rechtbank een andere afweging gemaakt nu verdachte voor het eerst in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank neemt in strafverzwarende zin mee dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen.
Alles afwegende acht de rechtbank, conform de strafeis van de officier van justitie, het opleggen van de volgende straffen passend en geboden.
Een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Daarnaast legt de rechtbank verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren op, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 241 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
opzetaanranding.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
 Veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 12 (twaalf) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
 Veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.R. Baart, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 juli 2026.
[.]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2025275816-5, p. 1-3.
3.Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2025275816-6, p. 4-7.
4.Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2025275816-3, p. 8-11.
5.Proces-verbaal ter terechtzitting van 24 juni 2026.
6.Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer 2025275816-8, p. 17.
7.Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3.