Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
24 juni 2026.
mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. van den Berg, naar voren hebben gebracht.
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
5.Bewezenverklaring
6.Bespreking van een voorwaardelijk verzoek tot het verhoren van twee getuigen
toereikend wordt gemotiveerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nieuwe feiten en omstandigheden die zich sinds de eerdere standpuntinname hebben voorgedaan, of een nieuw inzicht dat wordt verklaard door het procesverloop of door ontwikkelingen tijdens het onderzoek op de terechtzitting. De hiervoor onder 6.1 weergegeven uiteenzetting van de raadsvrouw van mogelijk te stellen vragen aan de getuigen, levert naar het oordeel van de rechtbank, niet zo’n toereikende motivering op. Immers is daaruit niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden of een nieuw inzicht.
de eerlijkheid van het proces in zijn geheelworden beoordeeld waarbij wordt betrokken: de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend; het gewicht van de verklaring van de getuigen en het bestaan van compenserende factoren. In dat kader overweegt de rechtbank dat zowel aangeefster als de getuige, direct na het incident, ieder afzonderlijk van elkaar uitgebreid en gedetailleerd verklaard hebben over het incident waarbij verdachte aangeefster op een ongepaste manier heeft betast. Zowel aangeefster als de getuige verklaren over de toestand waarin aangeefster verkeerde, namelijk dat zij in shock was en stilletjes. Deze gemoedstoestand wordt vervolgens ook waargenomen door de verbalisanten die aldaar aanwezig waren en door de getuige werden gealarmeerd. Verbalisanten omschrijven dat aangeefster ontdaan was, dat zij naar de grond keek en dat zij een licht trillende lip had. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel vast staan. Verdachte heeft geen ander scenario geschetst waardoor het emotionele effect bij aangeefster kan zijn opgetreden.
7.De strafbaarheid van het feit
8.De strafbaarheid van verdachte
9.Motivering van de straffen
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) dagen.
een taakstraf van 80 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.