Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
1.Procesgang
10-149481-25).
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie
4.Beslissing
[de opgeëiste persoon] .
Rechtbank Amsterdam
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 juni 2026 de vordering van de officier van justitie tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, België. De opgeëiste persoon, geboren in 1989, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat. De rechtbank had de behandeling aanvankelijk aangehouden om te onderzoeken of er sprake was van overlap met een Nederlandse strafzaak.
Op 23 juni 2026 werd de rechtbank geïnformeerd dat het EAB was ingetrokken door de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie verzocht daarop om niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. De raadsman van de opgeëiste persoon steunde dit standpunt.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is omdat het EAB niet langer bestaat. De geschorste overleveringsdetentie werd opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open volgens de Overleveringswet.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het Europees aanhoudingsbevel.