ECLI:NL:RBAMS:2026:7020

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
12047898 EA VERZ 26-14
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b lid 1 sub b BWArt. 7:669 lid 3 sub a BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden zonder billijke vergoeding

Brenntag Amsterdam B.V. verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wegens bedrijfseconomische omstandigheden na weigering van het UWV om toestemming te verlenen. De kantonrechter beoordeelde de reorganisatie en stelde vast dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen door een nieuwe organisatiestructuur en herverdeling van taken.

Hoewel [verweerder] niet de kans kreeg te solliciteren op twee nieuw gecreëerde functies, oordeelde de kantonrechter dat Brenntag niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, mede vanwege twijfels over het functioneren van [verweerder] en zijn arbeidsongeschiktheid. Herplaatsingsinspanningen werden als voldoende beoordeeld.

De opzegtermijn van twee maanden uit de arbeidsovereenkomst werd gehandhaafd, en de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026. De vordering tot betaling van een bonus over 2025 werd afgewezen omdat de bonus discretionair is en [verweerder] zijn werkzaamheden niet volledig kon uitvoeren. De transitievergoeding werd vastgesteld op €20.450,39 met wettelijke rente. Verder werd Brenntag veroordeeld tot inzage en overlegging van documenten over de bonusregeling. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 augustus 2026 met toekenning van een transitievergoeding en afwijzing van de bonusvordering.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12047898 \ EA VERZ 26-14
Beschikking van 16 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BRENNTAG AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
verwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: Brenntag,
gemachtigden: mr. E.J. van Zadelhof en mr. J.M. Groen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Kager.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties van 6 januari 2026,
- het verweerschrift met producties en (voorwaardelijke) tegenverzoeken,
- de e-mail van 31 maart 2026 van de rechtbank aan partijen dat de mondelinge behandeling van 2 april 2026 niet zal doorgaan, omdat de kantonrechter is verhinderd,
- de aanvullende producties 1 tot en met 8 van Brenntag,
- de aanvullende producties 28 tot en met 30 van [verweerder] ,
- de akte wijziging van eis tevens overlegging producties 31 tot en met 35 van [verweerder] ,
- de aanvullende productie 9 van Brenntag,
- de mondelinge behandeling van 1 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op 1 mei 2026 is de mondelinge behandeling gehouden. Namens Brenntag zijn verschenen [naam 1] , [functie 1] , en [naam 2] , [functie 2] , bijgestaan door mr. Van Zadelhof en mr. Groen. [verweerder] is verschenen en werd bijgestaan door mr. Kager. Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten toegelicht, Brenntag mede aan de hand van spreekaantekeningen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Brenntag maakt deel uit van de internationale Brenntag Groep, een distributeur van chemicaliën en ingrediënten. Bij Brenntag zijn 129 werknemers in dienst. De Brenntag Groep is een (in Duitsland) beursgenoteerde vennootschap met wereldwijd meer dan 18.000 werknemers.
2.2.
[naam 3] is op 21 februari 2022 in dienst getreden bij de Franse entiteit van Brenntag in de functie van [functie 3] . Na een verhuizing naar Engeland is zij in dienst getreden bij de Engelse entiteit van Brenntag.
2.3.
[verweerder] , geboren op [geboortedag] 1975, is op 1 september 2022 bij Brenntag in dienst getreden als [functie 4] op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Zijn huidige salaris bij een arbeidsomvang van 38,75 uur per week bedraagt € 14.221,35 bruto per maand exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten. In de arbeidsovereenkomst staat dat beide partijen de overeenkomst kunnen opzeggen met een opzegtermijn van twee maanden. Op de arbeidsovereenkomst is een bonusregeling van toepassing. De bonus bestaat uit een company performance gedeelte (70%) en een individueel gedeelte (30%). [verweerder] maakt onderdeel uit van het [team] .
2.4.
In 2023 is [verweerder] verwikkeld geraakt in een (v)echtscheiding.
2.5.
Brenntag heeft op 7 juli 2023 aan [verweerder] meegedeeld dat zijn functioneren ondermaats is. Brenntag heeft hem vervolgens drie opties aangeboden: een verbetertraject, een vaststellingsovereenkomst of een demotie naar de functie van [functie 5] .
2.6.
[verweerder] heeft zich op 10 juli 2023 ziekgemeld.
2.7.
[naam 1] is op 1 september 2023 in dienst getreden in de functie van [functie 6] .
2.8.
[verweerder] , [naam 3] en [naam 1] maken in september 2023 allen deel uit van het [team] . Dit team bestaat in totaal uit zeven personen. [naam 4] staat aan het hoofd van dit team, met daaronder zes ‘directors’ onder wie dus [verweerder] , [naam 3] en [naam 1] .
2.9.
Over 2023 is aan [verweerder] een bonus uitgekeerd van € 4.150,08 bruto.
2.10.
[naam 5] is op 1 april 2024 in dienst getreden bij Brenntag in de functie van [functie 5] .
2.11.
In 2024 heeft het Brenntag concern breed besloten organisatorische veranderingen door te voeren.
2.12.
Brenntag heeft op 30 augustus 2024 de functie van [verweerder] boventallig verklaard.
2.13.
Brenntag heeft op 2 oktober 2024 aan [verweerder] meegedeeld dat zijn functie is komen te vervallen.
2.14.
In het kader van de onder 2.11 genoemde organisatorische veranderingen heeft Brenntag besloten de functies van [verweerder] , [naam 3] en [naam 1] te laten vervallen en twee nieuwe functies te creëren: die van [functie 1] en van [functie 7] , die na een sollicitatieprocedure aan [naam 1] respectievelijk [naam 3] zijn toegedeeld. Aan [verweerder] is niet de gelegenheid gegeven om op één van de functies te solliciteren.
2.15.
Over 2024 is aan [verweerder] een bonus uitgekeerd van € 6.602,40.
2.16.
[verweerder] is vanaf 28 april 2025 gaan re-integreren en op 16 juni 2025 heeft [verweerder] zich beter gemeld. [verweerder] heeft incidenteel hand- en spandiensten verricht en is verder vrijgesteld van werk.
2.17.
Vanaf 1 juli 2025 hebben er herplaatsingsgesprekken plaatsgevonden tussen Brenntag en [verweerder] .
2.18.
Brenntag heeft op 9 juli 2025 aan het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van bedrijfseconomische redenen op te mogen zeggen. Op 6 november 2025 is dat verzoek door het UWV afgewezen.
2.19.
Brenntag heeft op 24 september 2025 een vacaturestop doorgevoerd, met uitzondering van operationele en commerciële rollen.
2.20.
[verweerder] heeft zonder succes gesolliciteerd op een viertal vacatures bij Brenntag.
2.21.
[naam 3] is op 31 december 2025 uit dienst getreden bij Brenntag. Haar nieuwe functie – die van [functie 7] – is niet opnieuw ingevuld.
2.22.
[naam 4] , de direct leidinggevende van [verweerder] , heeft met ingang van 16 januari 2026 Brenntag verlaten. Zijn functie is niet opnieuw ingevuld.
2.23.
Op 3 maart 2026 heeft Brenntag haar werknemers geïnformeerd dat om advies is gevraagd aan de ondernemingsraad over het voorgenomen besluit tot gedeeltelijke sluiting en reorganisatie van de afdeling [afdeling] , met opnieuw een verwacht effect op de afdeling [afdeling] . Brenntag heeft het voornemen om circa 34 arbeidsplaatsen te laten vervallen waaronder die van [naam 1] . De ondernemingsraad heeft een procedure aanhangig gemaakt bij de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
2.24.
Bij brief van 28 april 2026 heeft Brenntag aan [verweerder] bericht dat over 2025 aan hem geen bonus zal worden uitgekeerd.

3.Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek

3.1.
Brenntag verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden tegen de eerst mogelijke datum, rekening houdend met de opzegtermijn van twee maanden verminderd met de duur van de procedure bij het UWV en deze procedure, waarbij Brenntag de transitievergoeding aan [verweerder] zal betalen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen.
3.3.
[verweerder] verzoekt, al dan niet voorwaardelijk en na vermeerdering van zijn verzoek, samengevat:
I. Brenntag te verplichten, op straffe van een dwangsom, hem toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden,
II. in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en geen rekening te houden met de duur van deze procedure;
III. in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden aan [verweerder] een transitievergoeding toe te kennen van € 23.094,98 bruto en een billijke vergoeding van € 275.748,98 bruto, dan wel in goede justitie te bepalen bedragen;
IV. Brenntag te veroordelen tot betaling van € 47.160,00 aan bonus over 2025 onder verstrekking van een loonstrook,
VI. Brenntag te veroordelen, op straffe van een dwangsom, tot inzage en overlegging, dan wel afschrift van:
a. het Incentive Plan 2025 en de daarin opgenomen KPI’s / targets en wegingen;
b. de gerealiseerde bedrijfsresultaten over 2025 die relevant zijn voor de bonus;
c. alle documenten waarop Brenntag de “individual performance” baseert;
d. de concrete berekening van de bonus over 2025;
e. het interne besluit / approval waarin is vastgesteld dat de bonus op nihil uitkomt, inclusief de betrokken besluitvormers, hun bevoegdheid daartoe en de grondslag van dat besluit;
f. de bonusbrief van 2025 en/of reguliere communicatie die normaliter medio april wordt verstrekt;
g. althans in goede justitie te bepalen bescheiden;
IV. Brenntag te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder I tot en met VI. (bedoeld zal zijn III en IV) verzochte bedragen,
V. Brenntag te veroordelen in de proces- en nakosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen
4.1.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Daarnaast is vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.2.
Ingevolge artikel 7:671b lid 1 sub b juncto 7:669 lid 3 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bestaat een redelijk grond voor ontbinding indien sprake is van het vervallen van arbeidsplaatsen als gevolg van de beëindiging van werkzaamheden van de onderneming of indien, over een toekomstige periode van ten minste 26 weken bezien, arbeidsplaatsen noodzakelijkerwijs vervallen als gevolg van het wegens bedrijfseconomische omstandigheden treffen van maatregelen voor een doelmatige bedrijfsvoering en het UWV toestemming heeft geweigerd.
4.3.
De kantonrechter toetst aan dezelfde (wettelijke) criteria als het UWV. Het UWV toetst een verzoek om een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden op te zeggen aan de Ontslagregeling, de Regeling Ontslagprocedure UWV en de Uitvoeringsregels. De kantonrechter zal hieraan dus ook toetsen, met dien verstande dat de kantonrechter niet gebonden is aan de in de Uitvoeringsregels neergelegde bepalingen, maar daar wel acht op kan slaan. De beoordeling van de kantonrechter geldt niet als een beoordeling in hoger beroep van de beslissing van het UWV. Het gaat om een zelfstandig te beoordelen verzoek en nieuwe feiten en omstandigheden kunnen door de kantonrechter bij de beoordeling worden betrokken.
4.4.
Bij een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische redenen moet op grond van de Ontslagregeling komen vast te staan dat:
er structureel arbeidsplaatsen vervallen door bedrijfsbeëindiging of door maatregelen die om bedrijfseconomische redenen nodig zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering;
de juiste volgorde voor ontslag is vastgesteld (afspiegelingsbeginsel);
er geen mogelijkheden zijn om de werknemer binnen een redelijke termijn (al dan niet met scholing) te herplaatsen in een andere passende functie binnen de onderneming of groep.
4.5.
Uitgangspunt is dat de werkgever bij de door haar te maken beleidskeuzes de nodige ruimte moet worden gelaten. De werkgever heeft in hoge mate de vrijheid om zijn onderneming in te richten zoals haar goeddunkt. Om te mogen reorganiseren is het dus niet nodig dat het resultaat daadwerkelijk negatief is. Wel dient de werkgever zich te verantwoorden voor de genomen beslissing.
4.6.
Brenntag heeft besloten om concernbreed organisatorische wijzigingen door te voeren. Die wijzigingen komen er voor Brenntag op neer dat is gekozen voor een splitsing in twee autonome divisies te weten Brenntag Essentials en Brenntag Specialities, inkrimping van het corporate center, digitalisering en introductie van het Advanced Operating Model in 2024 gebaseerd op agile werken in de vorm van een chapter-based structuur en integratie van taken in cross-functionele productteams met verschuiving van verantwoordelijkheden van centrale leidinggevende functies naar gespecialiseerde teams.
4.7.
Brenntag heeft voldoende onderbouwd dat door de introductie van het Advanced Operating Model, gebaseerd op agile werken in de vorm van een chapter-based structuur, zij afscheid heeft genomen van het model van centrale aansturing. Brenntag heeft voldoende onderbouwd hoe deze nieuwe organisatiestructuur er uit is komen te zien. Het was Brenntag toegestaan deze wijziging door te voeren, omdat dit tot haar beleidsvrijheid behoort.
4.8.
Brenntag heeft besloten om binnen het directorsteam, waartoe [verweerder] behoorde, zijn functie en die van [naam 3] en [naam 1] te laten vervallen en twee nieuwe functies te creëren te weten die van [functie 1] en van [functie 7] . De taken van [verweerder] , [naam 3] en [naam 1] zijn deels herverdeeld over deze twee nieuwe functies. Ook dit behoort tot de beleidsvrijheid die Brenntag heeft.
4.9.
De taken van [verweerder] zijn volgens Brenntag als volgt herverdeeld: 55% naar de functie van [functie 7] (de functie die [naam 3] is gaan verrichten), 30% naar de functie [functie 1] (de functie die van [naam 1] is gaan verrichten) en 15% naar de functie [functie 5] (de functie van [naam 5] ). De onderbouwing daarvan door Brenntag is door [verweerder] onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat daarvan wordt uitgegaan.
4.10.
Vervolgens rijst de vraag of de oude functie van [verweerder] uitwisselbaar was met de nieuw gecreëerde functies dan wel of hij niet de mogelijkheid had moeten krijgen om op de twee nieuw gecreëerde functies te solliciteren, althans in ieder geval op de functie waarop [naam 3] is aangenomen, omdat 55% van de taken van [verweerder] bij die functie terecht zijn gekomen. Die vraag is echter door nieuwe feiten en omstandigheden achterhaald, omdat de reorganisatie zich heeft doorgezet. [naam 3] is op 31 december 2025 uit dienst getreden bij Brenntag en Brenntag heeft besloten haar functie – een van de twee nieuw gecreëerde functies – niet opnieuw in te vullen. Ook [naam 4] , die direct leidinggevende van [verweerder] , is vertrokken bij Brenntag en ook zijn functie is niet opnieuw ingevuld.
4.11.
Inmiddels heeft Brenntag een nieuwe reorganisatie aangekondigd. Daarover moet de ondernemingsraad nog een advies geven, maar Brenntag heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de aangekondigde reorganisatie zal worden doorgezet. [naam 1] heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat in de nieuwe reorganisatie zijn functie ook komt te vervallen.
4.12.
In het licht van deze nieuwe feiten en omstandigheden is voldoende vast komen te staan dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen.
4.13.
[verweerder] heeft nog aangevoerd dat Brenntag de functie van [naam 5] vervallen had moeten verklaren, omdat zijn functie ook is veranderd doordat 15% van de werkzaamheden van [verweerder] naar zijn functie is overgeheveld. De kantonrechter begrijpt dit verweer zo dat [verweerder] aanvoert dat evenzeer als voor [naam 3] en [naam 1] geldt dat zij een nieuwe functie zijn gaan vervullen, dit geldt voor [naam 5] . Bij een juiste afspiegeling was de functie van [naam 5] dan aan [verweerder] toegevallen. Voor zover [verweerder] daarmee bedoelt dat zijn functie uitwisselbaar was met die van [naam 5] , wordt geoordeeld dat dit niet het geval is. Brenntag heeft onderbouwd dat de functies van [verweerder] en [naam 5] niet gelijkwaardig zijn gelet op het verschil in vereiste kennis, vaardigheden en competenties. De aard van de werkzaamheden (operationele taken zonder eindverantwoordelijkheid) die [naam 5] van [verweerder] heeft overgenomen, behoren niet tot de kern van [verweerder] ’s functie. Verder heeft Brenntag onbetwist aangevoerd dat sprake is van een aanzienlijk verschil in salariëring tussen beide functies (circa € 184.000,00 tegen circa € 100.000,00 tot € 130.000,00). De functies van [verweerder] en [naam 5] zijn dan ook niet uitwisselbaar.
4.14.
Brenntag dient te onderzoeken of herplaatsing in een andere passende functie mogelijk is. Het gaat daarbij om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd (HR 18 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:64). Daarmee wordt aan de werkgever een zekere beoordelingsruimte gegeven.
4.15.
Niet in geschil is dat tussen partijen herplaatsingsgesprekken hebben plaatsgevonden. [verweerder] heeft vier keer gesolliciteerd, maar is niet aangenomen. Brenntag heeft uitgelegd dat twee functies als gevolg van de vacaturestop niet zijn ingevuld. De andere twee functies waren volgens Brenntag niet passend. Het is in beginsel aan de werkgever om te beoordelen welke kandidaat voor het vervullen van een vacature het meest geschikt is. De conclusie is dat Brenntag zich voldoende heeft ingespannen om [verweerder] te herplaatsen en dat zij aan haar herplaatsingsverplichting heeft voldaan.
4.16.
Bovenstaande betekent dat de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden zal worden ontbonden. Voor de termijn waarop wordt ontbonden is het volgende van belang.
Opzegtermijn
4.17.
In de arbeidsovereenkomst staat dat de opzegtermijn voor beide partijen twee maanden bedraagt. Dit is een vernietigbaar beding. Als voor de werknemer een van de wet afwijkende opzegtermijn wordt overeengekomen, dient de opzegtermijn van de werkgever namelijk twee keer zo lang dient te zijn. Anders dan [verweerder] stelt, leidt dit er niet toe dat de opzegtermijn voor Brenntag dan automatisch vier maanden bedraagt. Een dergelijk beding is vernietigbaar. Als een werknemer de vernietiging inroept, dan geldt de wettelijke opzegtermijn. [verweerder] heeft echter de vernietiging niet ingeroepen, zodat voor Brenntag een opzegtermijn geldt van twee maanden.
Heeft Brenntag ernstig verwijtbaar gehandeld?
4.18.
Dan is voor het bepalen van de termijn waarop wordt ontbonden en voor de vraag of aan [verweerder] een billijke vergoeding moet worden toegekend nog van belang of Brenntag ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Daarover wordt als volgt geoordeeld.
4.19.
Brenntag heeft drie directorsfuncties vervallen verklaard en twee nieuwe directorsfuncties gecreëerd. 55% respectievelijk 30% van de werkzaamheden van [verweerder] zijn in die functies ondergebracht. Het had dan ook voor de hand gelegen dat aan [verweerder] de mogelijkheid was geboden om op beide functies te solliciteren. Brenntag heeft aangevoerd dat het advies van de bedrijfsarts destijds was om niet inhoudelijk over werk te praten. Dat advies stond er echter niet aan in de weg om aan [verweerder] de mogelijkheid te bieden om op de nieuw gecreëerde functies te solliciteren om mogelijk baanverlies te voorkomen. Door hem die kans niet te bieden heeft Brenntag verwijtbaar gehandeld. Brenntag heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat [verweerder] niet in aanmerking zou zijn gekomen voor een van de twee functies, omdat het [verweerder] aan de noodzakelijke kennis over Data Science en Business Intelligence ontbrak. Bovendien was Brenntag voordat [verweerder] ziek uitviel niet tevreden over zijn functioneren en is hem een verbetertraject aangeboden. Dat traject is echter vanwege de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] niet van de grond gekomen. Het is daarom voorstelbaar dat [verweerder] vanwege de twijfels over zijn functioneren niet in aanmerking was gekomen voor een van de twee nieuwe functies. Voornoemde omstandigheden maken dat geoordeeld wordt dat Brenntag niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Er is dan ook geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen.
4.20.
Nu Brenntag niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld zal bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst de duur van deze procedure worden afgetrokken, waarbij er minstens één maand opzegtermijn moet overblijven. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden per 1 augustus 2026.
Heeft [verweerder] recht op een bonus over 2025?
4.21.
Voordat de hoogte van de transitievergoeding wordt bepaald, zal eerst worden beoordeeld of aan [verweerder] over 2025 een bonus moet worden toegekend. Als dat het geval is dient deze mee te worden genomen in de berekening van de transitievergoeding.
4.22.
Niet in geschil is, is dat de bonus bestaat uit een company performance gedeelte (70%) en een individueel gedeelte (30%). Brenntag heeft ter zitting meegedeeld dat geen van haar werknemers over 2025 een bonus heeft ontvangen over het company performance gedeelte. Daarop heeft [verweerder] meegedeeld te begrijpen dat hij die dan ook niet ontvangt over 2025. Ten aanzien van het individuele gedeelte heeft [verweerder] aangevoerd dat Brenntag hem niet de gelegenheid heeft gegeven zijn werkzaamheden uit te voeren, dat hij zich beschikbaar heeft gehouden en dat daarom de maximale bonus moet worden uitbetaald. Echter zoals hiervoor is geoordeeld is de functie van [verweerder] komen te vervallen. Het was voor Brenntag niet mogelijk om [verweerder] zijn volledige werkzaamheden uit te laten voeren. Bovendien heeft Brenntag onvoldoende weersproken aangevoerd dat de werkzaamheden die wel aan [verweerder] werden opgedragen door hem met minimale inspanning werden verricht. Bovendien heeft Brenntag onweersproken aangevoerd dat het individuele gedeelte van de bonus een discretionaire bevoegdheid van Brenntag betreft, en dat is besloten om aan [verweerder] geen bonus uit te keren. Het verzoek van [verweerder] tot betaling van een bonus over 2025 zal daarom worden afgewezen.
Transitievergoeding
4.23.
Met inachtneming van de einddatum van de arbeidsovereenkomst wordt de transitievergoeding berekend op € 20.450,39 te betalen binnen een maand nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 1 augustus 2026.
4.24.
Brenntag hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Overleggen documenten over bonus
4.25.
Brenntag heeft ter zitting meegedeeld dat de verzochte stukken, voor zover aanwezig, met [verweerder] zullen worden gedeeld. Dit gedeelte van het verzoek van [verweerder] is daarom als onbetwist toewijsbaar. Omdat Brenntag uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen, zal aan deze veroordeling geen dwangsom worden verbonden.
Proceskosten
4.26.
Gelet op de uitkomst van deze procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek en het tegenverzoek
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 augustus 2026,
5.2.
veroordeelt Brenntag om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20,450,39 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
Veroordeelt Brenntag tot inzage en overlegging, dan wel afschrift van:
a. het Incentive Plan 2025 en de daarin opgenomen KPI’s / targets en wegingen;
b. de gerealiseerde bedrijfsresultaten over 2025 die relevant zijn voor de bonus;
c. alle documenten waarop Brenntag de “individual performance” baseert;
d. de concrete berekening van de bonus over 2025;
e. het interne besluit / approval waarin is vastgesteld dat de bonus op nihil uitkomt, inclusief de betrokken besluitvormers, hun bevoegdheid daartoe en de grondslag van dat besluit;
f. de bonusbrief van 2025 en/of reguliere communicatie die normaliter medio april wordt verstrekt;
5.4.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.
57170