ECLI:NL:RBAMS:2026:7113

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/13/781385 / HA ZA 26-18
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 7:129 BWArt. 10:10 BWArt. 21 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging van boetebeding in geldleningsovereenkomst na executie bedrijfspand

Partijen sloten op 4 december 2023 een leningsovereenkomst waarbij eiser € 200.000 uitleende aan gedaagde met een vaste rente van € 50.000 en een boete van € 16.666,67 per maand bij te late betaling. Ter zekerheid werd een eerste en enig recht van hypotheek gevestigd op een bedrijfspand.

Gedaagde betaalde de lening, rente en boetes niet. Eiser maakte gebruik van haar recht van parate executie en verkocht het pand, waardoor zij € 300.000 ontving, bestaande uit hoofdsom, rente en drie boetetermijnen, plus kosten executie. Eiser vordert nu betaling van de resterende 18 boetetermijnen.

De rechtbank oordeelt dat de vordering toewijsbaar is, maar matigt de boete tot € 100.000 omdat volledige toekenning tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden. De rechtbank weegt mee dat gedaagde professioneel handelde en zelf de boete heeft laten oplopen, maar ook dat eiser reeds het volledige uitgeleende bedrag met rente en een deel van de boetes heeft ontvangen. Daarnaast veroordeelt de rechtbank gedaagde tot betaling van de volledige proceskosten van € 8.059,01, conform de overeenkomst tussen partijen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van een gematigde boete van € 100.000 en volledige proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/781385 / HA ZA 26-18
Vonnis van 8 juli 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J. Meuleman,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] , Verenigde Staten van Amerika,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
2. en 3.
[gedaagde 2 en 3],
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van pseudo trustee van [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: [gedaagde 2 en 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. R.W. de Pater.

1.Dit vonnis in het kort

1.1.
[eiser] heeft € 200.000 aan [gedaagden] geleend voor de financiering van het werkkapitaal van zijn onderneming. Dit bedrag moest binnen 3 maanden worden terugbetaald met een vaste rente van € 50.000. Voor iedere maand dat er te laat wordt terugbetaald is een boete van € 16.666,67 verschuldigd. [eiser] heeft ter zekerheid voor de terugbetaling van de lening, rente en boete een eerste en enig recht van hypotheek op een bedrijfspand tot een bedrag van € 350.000 gekregen. Verder is afgesproken dat alle redelijke kosten die [eiser] moet maken ter uitwinning van deze rechten voor rekening van [gedaagden] zijn.
1.2.
[gedaagden] lost de lening niet af en betaalt de rente en boete niet. [eiser] executeert het bedrijfspand en ontvangt, 21 maanden nadat zij het geld heeft uitgeleend, € 300.000 van de notaris, bestaande uit het hele bedrag van de lening a € 200.000, het volledige rentebedrag van € 50.000 en 3 boetermijnen van € 16.666,67 van € 50.000 in totaal. Daarnaast ontvangt zij € 43.799,71 van de notaris voor haar kosten voor de executie.
1.3.
In deze procedure vordert [eiser] nog 18 maandelijkse boetetermijnen van in totaal € 300.000,06.
1.4.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is maar moet worden gematigd tot € 100.000, omdat dit anders tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarnaast moet [gedaagden] de daadwerkelijke kosten van [eiser] voor deze procedure van € 8.059,01 betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025,
- de akte overlegging producties tevens vermeerdering en vermindering van eis,
- de conclusie van antwoord,
- het tussenvonnis van 29 april 2026 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026, met de daarin genoemde stukken,
- de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 10 juni 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Op 4 december 2023 hebben partijen een leningsovereenkomst gesloten waarin is afgesproken dat [eiser] een bedrag uitleent aan [gedaagden] van € 200.000. In de leningsovereenkomst staat onder andere het volgende:
“(…)
WHEREAS
(A)
The Borrower conducts a business in the field of improving health with natural products.
(B)
Borrower temporarily needs to increase its working capital in order to finance the growth of the aforementioned business.
(…)
LOAN
(…)
- Deed of mortgage: the notarial deed that will be signed by Lender and Borrower as a security for the payback of the Loan, Interest and other fees by the Borrower to the
Lendor. In this deed of first and only mortgage, the Borrower will give the property,
[adres] In [plaats] as a collateral to the Lender.
- Intended Date of Payment: the Intended data that the Borrower must payback the
Loan, Interest and fees to the Lender, being no later than 3 months after the Deed of
mortgage has been signed.
- Intended End date: 3 months after the Deed of mortgage has been signed, being
March 5, 2024.
- Belated Date of Payment: later than the Intended End date but no later than 12 months after the Deed of mortgage has been signed.
- Belated End data: later than 3 months after the Deed of mortgage has been signed.
- Loan Amount / Principal: € 200.000,00 (two hundred thousand euro)
- Interest Amount: € 50.000 (fixed amount).
- Late Fee Penalty / Late fee: € 16.666.67 for each month that the payment is late. So, if the Loan and the Interest Amount have not been paid back on the Intended End date, but for example 2 months too later (eg. May, 2024), then 2 times the late Fee Penalty will be due on top of the Interest Amount and so on.
(…)
ACKNOWLEDGEMENT
Hereby, the Parties agree that the Lender will lend € 200.000 to the Borrower as per the Agreement. This amount will be transferred by the Lender to the designated bank account of Civil Law notary R. Einarson or any other CMI Law notary appointed by the Lender. Aforementioned Civil Law notary must see to it that as long as the Deed of mortgage on behalf of the Lender has not been validly executed and registered, the Loan will not be made available to the Borrower.
PAYMENT
- Hereby, the Parties agree that the Loan will be paid back as soon as possible but
never later than 12 months after the aforementioned notarial deed of mortgage has
been signed on which date an amount of € 250.000 plus, as applicable, the Late Fee
Penalties need to be paid back to the Lender by the Borrower. Unless approved in
writing by the Lender, the Borrower must make sure/hereby guarantees that each
payment to the Lender under this Agreement, is made from a bank account that is in
the name of the Borrower (being at least 1 of the 2 parties defined as Borrower).
(…)
PROMISE TO PAY
The Parties hereby agree that the Borrower promises to pay the Lender the Loan
including the interest Amount on the Intended End date. In case the Borrower has not paid back the Loan and interest on the Intended End date a Late Fee Penalty of €
16.666,67 becomes due for each month after the intended End date that the Loan and Interest Amount have not been paid to the Lender.
(…)
SECURITY
The Parties agree that for the sake of protection of the Lender the Borrower will provide the following security:
first right of mortgage on the warehouse with underground yard and accessories, [adres] , [postcode] [plaats] , to be established by a Civil Law notary as mentioned on the second page of this Agreement.
The cost associated with the establishment of the aforementioned security shall be
borne by the Borrower.
(…)
GOVERNING LAW
This Agreement shall be governed by and construed in accordance with the laws of the Kingdom of the Netherlands. All disputes arising from or in connection with this
Agreement will in the first instance only be submitted to the court of Amsterdam, the Netherlands.
(…)
COSTS
All reasonable costs that the Lender must in its opinion incur in the exercise or
enforcement of its rights and other reasonable costs that this Agreement may give rise to will be borne by the Borrower. In the event of default of payment, the Lender is authorized to proceed to collection through a bailiff or lawyer in the event of default and to charge the usual extrajudicial collection costs, including the costs of a public auction.
(…)”
3.2.
Op 4 december 2023 is door [gedaagden] ten behoeve van [eiser] een eerste en enig recht van hypotheek gevestigd op “de loods met ondergrond, erf en verder alle aan- en toebehoren, staande en gelegen te [postcode] [plaats] , [adres] , kadastraal bekend gemeente [plaats] [sectie] [nummer] ”, hierna te noemen: het pand. In de hypotheekakte staat verder het volgende:
“(…)
ZEKERHEIDSTELLING
Tot meerdere zekerheid voor de betaling van:
- al hetgeen de schuldeiser nu of te eniger tijde van de schuldenaar verder te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of nog te verstrekken geldleningen, al dan niet in rekening-courant, dan wel uit welken andere hoofde ook, een en ander tot maximaal tweehonderdvijftigduizend euro (€ 250.000,00);
- al wat de schuldeiser aan renten, boeten, kosten, premies of anderszins verder te vorderen heeft of zal hebben, tezamen begroot op honderdduizend euro (€ 100.000,00),
derhalve tot een totaal bedrag van driehonderdvijftigduizend euro (€ 350.000,00):
(…)”
3.3.
Op 4 december 2023 heeft [eiser] € 200.000 aan de notaris die de hypotheekakte heeft gepasseerd, mr. R. Einarson (hierna: de notaris) overgemaakt. Deze notaris heeft vervolgens € 199.105,04 naar [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) overgemaakt. In een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat dat [gedaagde 2 en 3] de bestuurder van [bedrijf] is.
3.4.
Op 3 december 2024 heeft [eiser] een brief per deurwaardersexploot laten betekenen aan [gedaagden] , waarin onder andere staat dat [gedaagden] de lening al had moeten terugbetalen. [eiser] heeft [gedaagden] een termijn gegeven van 10 dagen om het inmiddels opgelopen verschuldigde bedrag van € 400.000,03 te betalen. Verder heeft zij [gedaagden] aansprakelijk gesteld voor de reeds geleden en nog te lijden schade.
3.5.
Eind december 2024 heeft [gedaagde 2 en 3] een voorstel gedaan voor een betalingsregeling. In maart 2025 hebben partijen daar verder over gecorrespondeerd, hetgeen niet tot een regeling heeft geleid.
3.6.
Op 30 april 2025 heeft [eiser] executie van het pand aangezegd. [eiser] heeft daarna een koopovereenkomst gesloten met de kopers van het pand voor een bedrag van € 625.000. [eiser] heeft vervolgens de koopovereenkomst ter goedkeuring van het verzoek tot onderhandse verkoop voorgelegd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem.
3.7.
In juli 2025 heeft [eiser] (althans een derde namens [eiser] ) per e-mail contact opgenomen met de notaris. In de e-mailcorrespondentie geeft de notaris aan dat hij op 5 december 2023 het bedrag van de geldlening (verminderd met de kadaster- en notariskosten) heeft overgemaakt “naar een door de heer [gedaagde 2 en 3] opgegeven bankrekeningnummer.” In oktober 2025 heeft de notaris hier nogmaals een e-mail over gestuurd naar aanleiding van vragen van de advocaat van [eiser] . In die e-mail staat het volgende:
“(…)
[gedaagde 1] heeft (naar mijn weten) inderdaad geen bankrekeningnummer in Nederland. Na het passeren van de akte van hypotheek heeft de heer [gedaagde 2 en 3] in dat verband en in mijn bijzijn op de nota van afrekening (die op naam staat van [gedaagde 1] ) met de hand het door u genoemde bankrekeningnummer van [bedrijf] BV opgeschreven. Zijn verzoek daarbij was om het blijkens de akte van geldlening door uw dient aan [gedaagde 1] uitgeleende bedrag aan deze vennootschap over te maken. In het reglement beperking uitbetaling derdengelden worden praktijkvoorbeelden gegeven die kunnen rechtvaardigen dat de notaris niet aan de rechthebbende uitbetaald, één van die voorbeelden is de betaling aan een andere vennootschap (binnen een concern) omdat de rechthebbende geen bankrekeningnummer heeft.
(…)”
3.8.
Op 6 november 2025 zou de levering van het pand plaatsvinden. Op 23 oktober 2025 is [gedaagden] in kort geding opgekomen tegen de voorgenomen levering. Bij vonnis van 5 november 2025 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [gedaagden] afgewezen. In het vonnis staat onder andere het volgende:
“(…)
De vorderingen van [gedaagden] zijn primair gegrond op de stelling dat van een (opeisbare) vordering van [eiser] op [gedaagden] geen sprake zou zijn. Dat betoog faalt. Tussen [eiser] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2 en 3] anderzijds is een geldleningsovereenkomst (Loan Agreement) gesloten. De overeenkomst van geldlening is de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (art. 7:129 BW Pro). [eiser] heeft op basis van de Loan Agreement een bedrag van € 200.000,- verstrekt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2 en 3] door middel van storting van dat bedrag onder de notaris die ook de hypotheekakte heeft verleden. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan haar kant van de overeenkomst. [gedaagde 1] en [gedaagde 2 en 3] hebben zich met de Loan Agreement verbonden tot terugbetaling van die lening, aan welke contractuele verplichting zij echter tot op heden niet hebben voldaan. In de Loan Agreement is een einddatum opgenomen, die inmiddels – ruimschoots – verstreken is. [gedaagden] zijn bij brief van 3 december 2024 in gebreke gesteld. Zij zijn in verzuim. Reeds op grond daarvan heeft [eiser] een opeisbare vordering op [gedaagden]
(…)”
3.9.
[eiser] heeft op 15 december 2025 na de levering uit de verkoop van het pand van de executerende notaris een bedrag van € 300.000 ontvangen. Op diezelfde dag heeft [eiser] van de notaris ook een bedrag ontvangen van € 43.799,71 ter vergoeding van de door haar gemaakte executiekosten.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert - samengevat en na wijziging van eis – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis
[gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 300.000,07,
voor recht verklaart dat [gedaagden] hoofdelijk gehouden zijn tot vergoeding van de daadwerkelijk door [eiser] gemaakte en te maken kosten, waaronder kosten voor juridische bijstand, op te maken bij staat.
4.2.
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Nederlandse rechter bevoegd en Nederlands recht van toepassing
5.1.
Het geschil tussen partijen heeft een internationaal karakter, nu [gedaagde 1] is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve haar internationale bevoegdheid (rechtsmacht) en het toepasselijk recht vaststellen. De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet worden beantwoord aan de hand van het commune internationaal bevoegdheidsrecht zoals neergelegd in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) omdat er geen verdrag van toepassing is tussen Nederland en de Verenigde Staten dat ziet op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
5.2.
Niet in geschil is dat partijen in de leningsovereenkomst (zie paragraaf 2.1 hiervoor) een uitdrukkelijke forumkeuze hebben gemaakt voor de Nederlandse (Amsterdamse) rechter in de zin van artikel 8 lid 1 Rv Pro. Dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is te oordelen over dit geschil.
5.3.
Ook is niet in geschil dat partijen in de leningsovereenkomst (zie paragraaf 2.1 hiervoor) een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht. De rechtbank vat dit op als een rechtskeuze voor Nederlands recht in de zin van artikel 10:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wat betekent dat Nederlands recht van toepassing is.
Geen ambtshalve toetsing aan consumentenrecht
5.4.
De leningsovereenkomst bepaalt dat het geleende geld als werkkapitaal voor de onderneming van [gedaagden] wordt gebruikt en [gedaagde 2 en 3] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Hierdoor wordt hij ten aanzien van deze leningsovereenkomst niet als consument aangemerkt. De rechtbank komt dus niet toe aan ambtshalve toetsing van consumentenrecht.
[eiser] heeft de substantiëringsplicht niet geschonden
5.5.
[gedaagden] heeft allereerst betoogd dat [eiser] haar substantiëringsplicht in de zin van artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. Volgens [gedaagden] heeft [eiser] het laten overkomen alsof haar vordering niet betwist werd, terwijl dit wel het geval is, waardoor de rechtbank hier gevolg aan zou moeten geven.
5.6.
Partijen zijn verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv Pro). Wordt deze verplichting niet nageleefd dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] haar substantiëringsplicht niet heeft geschonden. In de dagvaarding van [eiser] van 6 oktober 2025 staat inderdaad dat de vordering niet betwist wordt, maar de kort geding dagvaarding van [gedaagden] waarin de vordering betwist wordt is pas ná deze dagvaarding betekend, namelijk op 23 oktober 2025. Daarna heeft [eiser] de rechtbank bij akte geïnformeerd dat [gedaagden] de vordering inmiddels wél is gaan betwisten. Bovendien hebben [gedaagde 2 en 3] en zijn advocaat voorafgaand aan de dagvaarding van [eiser] meerdere e-mails en Whatsapp berichten aan [eiser] gestuurd waarin wordt aangegeven dat de lening wordt terugbetaald en zijn diverse betalingsregelingen voorgesteld. [eiser] mocht er daarom op het moment van uitbrengen van de dagvaarding vanuit gaan dat haar vordering niet betwist werd. Van de rechtbank op een verkeerd spoor willen zetten, zoals [gedaagden] heeft gesteld, is daarom geen sprake.
[eiser] is ontvankelijk in haar vordering
5.7.
[eiser] heeft haar vordering gebaseerd op de leningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] heeft echter betoogd dat er weliswaar tussen [eiser] en [gedaagden] een leningsovereenkomst bestaat, maar dat daar geen uitvoering aan is gegeven waardoor [eiser] geen opeisbare vordering op [gedaagden] heeft. Het geld is namelijk door [eiser] overgemaakt naar de notaris en de notaris heeft het overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf] , waardoor er, als de rechtbank dit standpunt goed begrijpt, een leningsovereenkomst tussen [eiser] en [bedrijf] zou zijn ontstaan. [bedrijf] wordt in deze procedure niet gedagvaard, waardoor [eiser] niet ontvankelijk is. Ook het feit dat er een ander bedrag door de notaris aan [bedrijf] is overgemaakt, namelijk € 199.105,04 in plaats van € 200.000, bevestigt volgens [gedaagden] dat geen uitvoering is gegeven aan de leningsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagden] en dat [eiser] niet ontvankelijk is in haar vordering.
5.8.
Dit verweer faalt. De overeenkomst van geldlening is een kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen (art. 7:129 BW Pro). Hoe de lener een som geld moet verstrekken, hangt af van wat partijen daarover hebben afgesproken. In de leningsovereenkomst is opgenomen dat [eiser] het ter beschikking te stellen bedrag moest overmaken naar de notaris. Dat heeft zij gedaan. Daarmee heeft zij naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan haar verplichtingen uit hoofde van de leningsovereenkomst. Daar komt bij dat [bedrijf] een holding is van [gedaagde 2 en 3] en dat de notaris heeft verklaard dat hij op verzoek van [gedaagde 2 en 3] het geld, minus zijn kosten, naar [bedrijf] heeft overgemaakt. Ter zitting heeft [gedaagde 2 en 3] deze gang van zaken nota bene bevestigd; hij heeft aan de notaris laten weten dat het geld kon worden overgemaakt naar “de holding”. Daarmee heeft hij zelf over het geleende geld beschikt en dat het geld vervolgens naar een andere vennootschap van hem is overgemaakt betekent niet dat partijen geen uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst en dat de vordering niet opeisbaar zou zijn.
De rente kan niet worden verminderd want [eiser] vordert geen rente in deze procedure
5.9.
[gedaagden] heeft verder aangevoerd dat de rente van € 50.000 op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro (en/of artikel 3:40 BW Pro) gematigd moet worden tot nul, althans dat de totale vordering van [eiser] gesteld moet worden op € 200.000, zijnde de hoofdsom. Hoewel [eiser] na de dagvaarding haar eis heeft verminderd, betekent dat niet dat daar geen rente in zit, aldus [gedaagden]
5.10.
De betalingsverplichting van de contractuele rente (en de hoofdsom) kunnen echter onbesproken blijven. Ter zitting heeft [eiser] desgevraagd de vermindering van eis toegelicht en zij heeft bevestigd dat er geen contractuele rente of hoofdsom in deze procedure gevorderd wordt. Deze zijn namelijk al voldaan middels de betalingen uit hoofde van de verkoop van het pand. De volledige vordering, na de vermindering van eis ziet dus slechts nog op de verschuldigdheid van 18 keer de contractueel overeengekomen maandelijkse boete van € 16.666,67 is € 300.000,06 in totaal.
De contractuele boete is toewijsbaar, maar wordt gematigd
5.11.
Deze vordering van € 300.000,06 is in beginsel toewijsbaar, maar wordt gematigd. [eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat er is afgesproken dat [gedaagden] het geleende bedrag van € 200.000 en de afgesproken rente van € 50.000 uiterlijk binnen drie maanden, dus op 4 maart 2024 zou terugbetalen. Als [gedaagden] dat niet zou doen zou hij per maand een contractuele boete van € 16.666,67 verschuldigd worden. De hoofdsom en de afgesproken rente heeft [eiser] uiteindelijk in december 2025 ontvangen van de notaris uit de verkoop van het pand. Dit is 21 maanden na de afgesproken uiterlijke terugbetalingsdatum. Van de verschuldigde 21 maandelijkse boetes heeft [eiser] drie termijnen ontvangen uit de verkoop van het pand, waardoor zij nu nog de resterende 18 boetetermijnen vordert.
5.12.
[gedaagden] heeft betoogd dat onverkorte toepassing van het boetebeding uit de leningsovereenkomst tot een buitensporig resultaat zou leiden, namelijk betaling van in totaal nog € 300.000,07 tegen een hoofdsom van € 200.000, terwijl [eiser] al € 300.000 heeft ontvangen uit de verkoop van het pand. Zij heeft haar uitgeleende geld al terug en alles wat zij daarboven reeds heeft ontvangen is extra.
5.13.
Artikel 6:94 BW Pro bepaalt dat de rechter een contractueel overeengekomen boete kan matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dat betekent dat de rechter pas van deze bevoegdheid tot matiging gebruikmaakt als de toepassing van een boetebeding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij let de rechter niet alleen op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie onder meer HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638, NJ 2007/262, rov. 5.3 en HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207, rov. 3.4.1).
5.14.
Tegen de achtergrond van deze maatstaf is de rechtbank van oordeel dat een veroordeling tot betaling van nog 18 keer de maandelijkse boete van € 16.666,67 tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. De rechtbank acht daarbij de volgende feiten en omstandigheden van belang:
  • Het uitgangspunt is dat [gedaagden] zelf als professioneel handelend partij heeft afgesproken een contractuele boete te betalen van € 16.666,67 per maand als hij niet op tijd zou terugbetalen. Bovendien stelt [eiser] dat [gedaagde 2 en 3] dit zelf heeft voorgesteld en [gedaagden] heeft onvoldoende weersproken dat dit niet het geval zou zijn. In beginsel kan [gedaagden] dus aan deze afspraak worden gehouden.
  • Daar komt bij dat [gedaagden] er zelf voor heeft gezorgd dat de boete zo hoog is opgelopen. Hij had er namelijk ook, zoals [eiser] heeft betoogd, voor kunnen kiezen het pand zelf te verkopen en van de opbrengst [eiser] te betalen zodra hij wist dat hij niet in staat was om de lening op tijd aan [eiser] terug te betalen. In plaats daarvan is [gedaagden] een executiegeschil tegen uitwinning van het pand begonnen.
  • Daar staan echter de volgende omstandigheden tegenover die wel reden zijn om de contractueel overeengekomen boete te matigen:
  • [gedaagden] heeft aangevoerd dat de omstandigheden zijn gewijzigd. Hij is de leningsovereenkomst aangegaan met het idee dat hij snel rendement op een investering kon maken en dat hij dit rendement in zijn bedrijf zou kunnen investeren en dat dit ruimschoot voldoende zou zijn om de lening plus rente snel af te lossen, maar dat is helaas niet gelukt waardoor hij nu in de problemen is gekomen.
  • [eiser] heeft geen financiële schade geleden door de te late terugbetaling van de lening, anders dan de tijd en frustratie die het haar al heeft gekost om in ieder geval de hoofdsom terug te krijgen.
  • [eiser] heeft het door haar uitgeleende bedrag, plus rente, plus drie keer de contractuele maandelijkse boete al ontvangen uit de verkoop van het pand. Ook heeft zij een bedrag van € 43.799,71 ontvangen ter vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken om haar geld terug te krijgen.
  • [eiser] heeft onbetwist gesteld dat [gedaagden] haar had voorgesteld dat zij altijd een rendement van 100% op de lening zou maken. Als [gedaagden] de lening namelijk op of voor de
5.15.
De rechtbank acht bij deze stand van zaken toekenning van een boetebedrag van € 300.000,07 buitensporig. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een contractuele boete van € 100.000 recht doet aan de situatie en de achtergrond waartegen partijen de leningsovereenkomst en specifiek het boetebeding zijn aangegaan. Dit komt in totaal (dus met hetgeen [eiser] reeds heeft ontvangen) neer op het rendement dat [eiser] is beloofd, namelijk 100% over het uitgeleende bedrag (€ 50.000 contractuele rente en negen keer de contractuele boete à +/- € 150.000).
[gedaagden] moet de volledige proceskosten van [eiser] betalen
5.16.
[gedaagden] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] veroordeeld. [eiser] vordert haar volledige proceskosten voor deze procedure op grond van de leningsovereenkomst. Daaruit volgt namelijk dat alle kosten die [eiser] redelijkerwijs moet maken om haar rechten uit hoofde van de leningsovereenkomst uit te oefenen voor rekening komen van [gedaagden] In eerste instantie heeft [eiser] verzocht om een verwijzing naar de schadestaatprocedure ter vaststelling van het bedrag aan daadwerkelijke proceskosten, maar ter zitting heeft [eiser] aangegeven en met facturen onderbouwd dat het gaat om een bedrag van € 8.059,01.
5.17.
[gedaagden] heeft betoogd dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen omdat er slechts ruimte is voor een volledige proceskostenvergoeding als er sprake is van misbruik van recht, wat hier niet het geval is. Verder zijn de kosten die [eiser] stelt te hebben gemaakt exceptioneel hoog.
5.18.
Proceskosten worden in beginsel begroot aan de hand van de artikelen 237 en 239 Rv. Deze artikelen zijn niet van openbare orde, zodat het partijen vrij staat om daarvan bij overeenkomst af te wijken. Partijen zijn in de leningsovereenkomst onder het kopje “
Costs” (zie paragraaf 2.1 hiervoor) vergoeding van de volledige (proces)kosten overeengekomen. Deze afspraak tot vergoeding van de volledige proceskosten is gemaakt tussen professionele partijen die op commerciële basis met elkaar handelden. Volledige vergoeding van alle redelijke kosten moet daarom het uitgangspunt zijn en er hoeft niet getoetst te worden aan het in de rechtspraak ontwikkelde criterium misbruik van procesrecht.
5.19.
Art. 612 Rv Pro bepaalt verder dat de rechter die een veroordeling tot betaling van een geldbedrag uitspreekt deze in het vonnis begroot, voor zover hem dit mogelijk is. Indien begroting in het vonnis niet mogelijk is spreekt hij een veroordeling uit tot vergoeding van de gemaakte kosten, op te maken bij staat. De rechtbank acht zich in staat de gemaakte kosten in dit vonnis te begroten. [eiser] heeft met facturen onderbouwd dat haar kosten voor deze procedure € 8.059,01 bedragen en dit is door [gedaagden] niet weersproken. Dat bedrag komt de rechtbank niet buitensporig hoog voor. Dit bedrag wordt dus toegewezen.
Conclusie
5.20.
[gedaagde 1] en [gedaagden] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 100.000 aan hoofdsom en € 8.059,01 aan daadwerkelijke proceskosten.
5.21.
Verder worden de nakosten toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2 en 3] hoofdelijk € 108.059,01 aan [eiser] te betalen,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagden] hoofdelijk in de nakosten van € 189, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, rechter, bijgestaan door mr. L. Schwalb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
De griffier is niet in staat
om dit vonnis te ondertekenen