ECLI:NL:RBAMS:2026:738

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
13-297864-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 13 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel in Duitsland

De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 januari 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte wordt verdacht van deelname aan een organisatie die amfetamine produceert en verhandelt in Duitsland. Het EAB bevat een voldoende omschrijving van het strafbare feit, inclusief tijd, plaats en rol van de verdachte.

De verdediging voerde aan dat het EAB niet genoegzaam is en dat er geen bewijs is dat de verdachte betrokken was. De rechtbank oordeelde echter dat de gerechtvaardigdheid van de verdenkingen niet in deze procedure hoeft te worden onderbouwd en dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen. De verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie dat hij een eventuele straf in Nederland mag uitzitten; deze garantie is door de Duitse autoriteiten gegeven en voldoende bevonden.

De rechtbank verwierp het verweer dat de feiten deels op Nederlands grondgebied zijn gepleegd en dat Nederland daarom bevoegd is tot vervolging. Er zijn geen aanwijzingen dat het strafbare feit geheel of gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. De overlevering wordt daarom toegestaan, waarbij het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd en geen weigeringsgronden van toepassing zijn.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Duitsland toe wegens betrokkenheid bij amfetamineproductie en -handel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-297864-25
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 18 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2025 door het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1998 op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 15 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. Z. Yeral, advocaat in Roosendaal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel met het oog op voorarrest uitgevaardigd door het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig van 21 oktober 2025 met dossiernummer 1 Gs 678/25.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat het EAB niet genoegzaam is. De opgeëiste persoon erkent dat hij in Duitsland is geweest, maar ontkent het feit te hebben gepleegd. De feitomschrijving in het EAB is te algemeen en hieruit volgen geen concrete op de opgeëiste persoon toegesneden uitvoeringshandelingen. Daarnaast is er geen sprake van onderschepte berichten of ander bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon bij de verdenking betrokken was. De overlevering dient derhalve te worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is het EAB genoegzaam. Uit de feitomschrijving in het EAB en uit het A-formulier volgen de pleegplaats, pleegdatum en de rol van de opgeëiste persoon waardoor voldoende duidelijk is voor welk strafbaar feit de overlevering wordt verzocht.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het strafbare feit. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
In deze zaak is het volgende van belang.
Uit de feitomschrijving in onderdeel e) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een organisatie die als doel heeft het produceren van amfetamine om deze vervolgens door te verkopen in Duitsland. Volgens de verdenking zou de opgeëiste persoon in de periode van december 2024 tot 3 september 2025 in Ohrum en elders (Duitsland) verantwoordelijk zijn geweest voor het in ontvangst nemen van chemicaliën en grondstoffen voor de productie van amfetamine in een opslagloods in Duitsland en de aanschaf van andere materialen, die nodig waren voor de productie, evenals de aanschaf van containers, die nodig waren voor het vervoeren van drugsafval. Daarnaast vermeldt het EAB dat de rol van de opgeëiste persoon als “dader” wordt aangemerkt.
Naar het oordeel van de rechtbank is met deze omschrijving voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt. De gerechtvaardigdheid van de verdenkingen tegen de opgeëiste persoon behoeft in de onderhavige procedure niet te worden onderbouwd met bewijsmateriaal. De beoordeling en waardering van het bewijs dient bij uitsluiting te geschieden door de Duitse rechter in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten genoegzaam zijn omschreven en dat het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd.

5.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Eerstaanwezend Officier van justitie (
Erster Staatsanwalt) van het Openbaar Ministerie Braunschweig heeft op 18 december 2025 de volgende garantie gegeven:
" (…) de bovengenoemde persoon, indien in de procedure die ten grondslag ligt aan de uitlevering een definitieve vrijheidsstraf wordt uitgesproken, op zijn verzoek voor de tenuitvoerlegging terug naar Nederland kan worden overgebracht."
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Indien het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd, kan in zo’n situatie de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
Standpunt van de raadsman
De raadsman bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Een deel van de verweten gedragingen heeft aanknopingspunten met Nederland. In deze zaak hebben medeverdachten vanuit Nederland een sturende rol gehad en daarmee is een deel van de strafbare feiten op Nederlands grondgebied gepleegd. Hierdoor is sprake van rechtsmacht voor Nederland en komt een vervolgingsrecht toe aan de Nederlandse autoriteiten. Bovendien is de opgeëiste persoon een Nederlandse onderdaan. Een Nederlandse onderdaan moet in Nederland worden berecht. Daarnaast kan het openbaar ministerie gebruikmaken van het opportuniteitsbeginsel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie ziet onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de in het EAB genoemde feiten (deels) op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Subsidiair verzoekt zij om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan. Het strafbare feit is in Duitsland gepleegd, het onderzoek is in Duitsland aangevangen, de bewijsmiddelen bevinden zich in Duitsland en de Nederlandse autoriteiten zijn niet voornemens om de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat het EAB ziet op feiten die geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon er – onder meer – van wordt verdacht dat hij in Ohrum en elders (Duitsland) chemicaliën en grondstoffen voor de productie van amfetamine in een opslagloods in Duitsland in ontvangst heeft genomen, en dat hij wordt verdacht van de aanschaf van andere materialen die nodig waren voor de productie van amfetamine. Hoewel uit het EAB blijkt dat het mogelijk de bedoeling was om de verdovende middelen naar Nederland te vervoeren, is het voertuig met de verdovende middelen op de Duitse autosnelweg staande gehouden. Nu de feiten niet (geheel of gedeeltelijk) op Nederlands grondgebied zijn gepleegd, is artikel 13 OLW Pro niet van toepassing.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Overleveringswet.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan het Kantongerecht (
Amtsgericht) Braunschweig, Duitsland voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.