ECLI:NL:RBAMS:2026:7405

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
13/345930-25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens handelen tijdens slaapstoornis bij poging doodslag en zware mishandeling moeder

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag en zware mishandeling van zijn moeder. De feiten vonden plaats in de nacht van 17 op 18 december 2025, waarbij verdachte zijn moeder ernstig verwondde. Verdachte verklaarde zich niets te herinneren van de gebeurtenissen en onderging op eigen initiatief een slaaponderzoek.

Uit het dossier blijkt dat verdachte mogelijk handelde vanuit een slaapstoornis, waarbij hij zich niet bewust was van zijn daden. De rechtbank achtte aannemelijk dat verdachte geen opzet had, omdat hij geen wilsgerichte handelingen verrichtte en geen inzicht had in de gevolgen van zijn gedrag. De verdediging voerde aan dat verdachte geen motief had en een goede band met zijn moeder onderhield.

De officier van justitie stelde dat verdachte door alcoholgebruik bewust het risico had aanvaard, maar de rechtbank verwierp dit en oordeelde dat er geen sprake was van culpa in causa. Gezien het ontbreken van opzet en het handelen tijdens een toestand van slaap, sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet door handelen tijdens een slaapstoornis.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/345930-25
Datum uitspraak: 17 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974,
wonende op het adres [woonadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van Driel en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.F. van der Brugge naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 17 tot en met 18 december 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
1. een poging tot doodslag op zijn moeder [slachtoffer] door met zijn arm een wurgklem om haar nek aan te brengen; subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling;
2. zware mishandeling van zijn moeder [slachtoffer] door haar van de trap te duwen en haar te slaan/stompen waardoor zij een gebroken kaak, een gebroken sleutelbeen en een of meer gebroken ribben heeft opgelopen; subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten (respectievelijk poging doodslag en zware mishandeling). Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat bij verdachte ten aanzien van beide feiten sprake is geweest van opzet in voorwaardelijke zin. Uit onderzoek van de psycholoog zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen die wijzen op een psychische stoornis bij verdachte. Ook blijken uit het slaaponderzoek dat verdachte op eigen initiatief heeft ondergaan geen bijzonderheden. Wel had verdachte een aanzienlijke hoeveelheid alcohol gedronken. Hoewel de officier van justitie gelooft dat verdachte onder andere omstandigheden de feiten niet gepleegd zou hebben, stelt zij zich op het standpunt dat de geestestoestand waarin verdachte verkeerde ten tijde van de ten laste gelegde feiten te wijten is aan zijn eigen handelen. Door zoveel alcohol te drinken, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij risicovol gedrag zou vertonen. Dat het zó uit de hand zou lopen heeft verdachte op de koop toegenomen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten, nu bij verdachte het opzet op het doden dan wel verwonden van zijn moeder ontbrak. Het is aannemelijk dat verdachte heeft gehandeld vanuit een slaapstoornis (
REM-sleep Behavorial Disorder,hierna: RBD
). Verdachte heeft een zeer goede band met zijn moeder en heeft geen enkel motief om haar te doden dan wel letsel toe te brengen. Bij verdachte is daarnaast geen sprake van psychische problematiek, hij heeft een blanco strafblad en is niet bekend met agressief gedrag. Verdachte had tien bier gedronken over een periode van ongeveer acht uur, dat is veel maar geen krankzinnige hoeveelheid. Het gaat te ver om te zeggen dat verdachte zich hiermee bewust in een situatie heeft gebracht waarbij hij wist of zou moeten weten dat hij gewelddadig zou kunnen worden richting zijn moeder. Er is dan ook geen sprake van culpa in causa. Verdachte heeft nooit eerder last gehad van RBD, en hij wist niet dat het drinken van alcohol dit mogelijk kon triggeren, dan wel dat hij in een dergelijke toestand zijn moeder ernstig letsel zou toebrengen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier het volgende vast. Op 17 december 2025 is verdachte bij [slachtoffer] (hierna: zijn moeder) op bezoek gegaan om haar verjaardag te vieren. Verdachte dronk die middag en avond in totaal tien blikjes bier over een periode van (naar eigen zeggen) ongeveer acht uur. Verdachte besloot vanwege zijn alcoholinname niet meer naar huis te rijden, maar bij zijn moeder te overnachten. Verdachte ging rond 22.45 uur slapen. Zijn moeder kwam even later naar boven en zag dat de gordijnen in de slaapkamer van verdachte nog open waren. Zij besloot de kamer in te lopen om de gordijnen dicht te doen. Verdachte leek hiervan te schrikken, stond op uit bed en riep “
wat moet dat hier”. Verdachte gaf zijn moeder vervolgens een duw de kamer uit, waardoor zij achterover viel in het trappengat recht achter haar, en onderaan de trap terechtkwam.
Naar aanleiding van een melding van de buren die geschreeuw om hulp hoorden vanuit de woning van hun buurvrouw, is de politie ter plaatse gekomen. Zij keken door de luxaflex van de voordeur van de betreffende woning heen, en zagen daar verdachte met bloed op zijn handen, hoofd en lichaam onrustig door de gang ijsberen. Ook zagen zij het slachtoffer met veel verwondingen onderaan te trap liggen. Verbalisanten kregen hierdoor het vermoeden dat sprake was van mishandeling en probeerden contact te maken met verdachte en hem de deur te laten openen. Hoewel verdachte dit leek te proberen, lukte het hem niet om de agenten binnen te laten. In de periode die volgde nam de politie waar dat verdachte tot tweemaal toe met kracht uithaalde in de richting van het lichaam van zijn moeder en dat hij met veel kracht een wurgklem bij haar toepaste. De politie besloot hierop de ruit van de voordeur in te slaan en gebruikte meerdere keren een stroomstootwapen om verdachte uit te schakelen. Zowel verdachte als zijn moeder zijn hierna naar het ziekenhuis gebracht.
Bij het slachtoffer werd fors letsel vastgesteld, waaronder een gebroken kaak, een gebroken jukbeen, een gebroken sleutelbeen, meerdere gebroken ribben en een groot aantal bloeduitstortingen verspreid over haar lichaam.
Verdachte heeft meermaals verklaard zich niets te kunnen herinneren van de geweldshandelingen richting zijn moeder. Hij herinnert zich vaag dat hij door de politie werd getaserd, maar kwam naar eigen zeggen pas weer bij bewustzijn in het ziekenhuis.
4.3.2
Mogelijke aanwezigheid slaapstoornis
Voor een strafrechtelijke veroordeling voor de tenlastegelegde poging tot doodslag, subsidiair poging zware mishandeling, en de primair zware mishandeling, subsidiair poging zware mishandeling, is vereist dat vaststaat dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. De ondergrens wordt daarbij gevormd door het voorwaardelijk opzet, oftewel het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat door de ten laste gelegde handelingen het gevolg zal intreden.
De rechtbank ziet zich in deze zaak voor de vraag gesteld of de geweldshandelingen die door verdachte zijn verricht, opzettelijk zijn gepleegd en overweegt hiertoe als volgt.
Verdachte heeft van meet af aan verklaard zich geheel niets van de tenlastegelegde gedragingen te herinneren en een
black-outte hebben gehad. Opzoek naar antwoorden heeft hij op eigen initiatief via de huisarts een slaaponderzoek ondergaan, uitgevoerd door het Nederlands Slaap Instituut. Uit het verslag dat hierover naderhand is verstrekt blijkt slechts dat verdachte over het algemeen een wat onrustig slaappatroon vertoont en dat hij een lichte vorm van slaapapneu heeft. Verder zijn er bij hem geen concrete aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een slaapstoornis. Wel blijkt uit het verslag dat het drinken van alcohol en slaaptekort mogelijk een slaapstoornis kunnen uitlokken.
Hoewel de rechtbank bij gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing in onderhavige zaak niet kan vaststellen dat verdachte in de nacht van 17 op 18 december 2025 daadwerkelijk heeft gehandeld vanuit een slaapstoornis, kan zij dit evenmin uitsluiten. Uit jurisprudentie volgt dat het handelen vanuit een slaapstoornis een bestaand fenomeen is, waarbij een persoon tijdens zijn slaap ongewoon gedrag kan vertonen waar hij zich op dat moment niet bewust van is en waaraan hij later geen herinnering meer heeft. Dit gedrag kan – hoewel zeldzaam – ook ernstig geweld omvatten. [1]
De rechtbank is van oordeel dat het dossier sterke aanwijzingen bevat dat verdachte handelde vanuit een dergelijke slaapstoornis. Daartoe houdt zij in de eerste plaats rekening met het feit dat uit de verklaring van zijn moeder volgt dat verdachte in de veronderstelling leek te verkeren dat het niet zijn moeder, maar een inbreker was die zijn kamer binnenkwam, nu hij wakker schrok en riep “
wat moet dat hier”. Verdachte dacht dat zij iemand anders was en noemde haar ook geen “moeder” of “mama”. Het is bovendien opvallend dat het geweld richting moeder is doorgegaan terwijl de politie al ter plaatse was, en ook in min of meerdere mate in “contact” stond met verdachte over het openen van de deur. Het ligt in de lijn der verwachting dat iemand die bewust een ander heeft mishandeld, dit voor de autoriteiten probeert te verbergen. Tegelijkertijd blijkt uit het dossier dat verdachte niet reageerde op de aansporingen van de politie om op de grond te blijven liggen, ook niet nadat zij hem driemaal hadden getaserd. Pas na een vierde keer taseren kon verdachte worden aangehouden. Op foto’s van verdachte net na zijn aanhouding heeft hij een wat verwilderde blik in zijn ogen. Daarnaast neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat van enig motief bij verdachte voor het doden dan wel zwaar mishandelen van zijn moeder niet is gebleken. Uit verklaringen van zijn moeder, van zijn broer en van overige kennissen blijkt dat verdachte een hechte band onderhield met zijn beide ouders en veel zorgtaken voor hen op zich nam. Die avond vierden ze de verjaardag van zijn moeder, wat door de bevraagde aanwezigen werd omschreven als een gezellig samenzijn waarbij zich helemaal niets bijzonders heeft voorgedaan. Zijn moeder benoemt dat zij die avond nog tegen verdachte heeft gezegd hoe blij ze met hem was en met wat hij allemaal voor haar doet. Op geen enkele wijze volgt dan ook dat er problemen in de relatie tussen verdachte en zijn moeder bestonden. Het tegendeel lijkt het geval: er wordt door iedereen gesproken over de warme band tussen verdachte en zijn moeder en hij wordt omschreven als een zorgzame en vriendelijke man. Verdachte heeft een blanco strafblad en er zijn bij hem geen aanwijzingen gevonden voor een psychische stoornis die van invloed heeft kunnen zijn op zijn handelen Het tenlastegelegde is – met andere woorden - voor iedereen uit de lucht komen vallen, niet in de laatste plaats voor verdachte zelf. Op zitting heeft de rechtbank kunnen zien dat verdachte meerdere keren emotioneel werd tijdens de bespreking van het tenlastegelegde, vol ongeloof lijkt te zitten en duidelijk aangedaan is door wat hij teweeg heeft gebracht, wat authentiek op de rechtbank is overgekomen. Deze emotie toonde hij ook bij de politie en de rechter-commissaris, zo blijkt uit hun verslaglegging van de verhoren met verdachte.
Op basis van voorgaande acht de rechtbank het uiterst onwaarschijnlijk dat verdachte, in een staat van helder bewustzijn, de ten laste gelegde feiten zou hebben gepleegd.
4.3.3
Geen culpa in causa
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank daarnaast van oordeel dat geen sprake is van een culpa in causa-situatie. Verdachte heeft de avond voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten tien blikjes bier gedronken. Hoewel dat fors is en verdachte zich er bewust van had moeten zijn dat een dergelijke hoeveelheid alcohol ontremd gedrag zou kunnen veroorzaken, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat hij hierdoor ook mogelijk een slaapstoornis zou uitlokken vanuit waar hij in deze mate gewelddadig zou kunnen worden jegens zijn moeder. Verdachte dronk vaker alcohol, wat nooit heeft geleid tot een dergelijke situatie. Ook heeft hij verklaard nooit eerder agressief te zijn geworden na het drinken van alcohol. Er kan dan ook niet worden gesteld dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijk risico bestond op het uitlokken van een slaapstoornis vanuit waar hij gewelddadig zou worden, en evenmin dat hij dit risico bewust heeft aanvaard.
4.3.4
Vrijspraak vanwege het ontbreken van opzet
Doordat de tenlastegelegde handelingen naar alle waarschijnlijkheid zijn gepleegd gedurende een toestand van slaap en er daarom geen sprake was van bewustheid, maar van onbewustheid, kan van enige wilsgerichtheid geen sprake zijn geweest. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. Gelet hierop kan geen opzet worden aangenomen, in welke vorm dan ook. Dit brengt mee dat de verdachte van beide ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

5.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E. Kleinherenbrink, voorzitter,
mrs. P.K. Oosterling - van der Maarel en B.C. Langendoen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.J.M. Smolders, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2026.
[… 1]
[… 3]
[… 2]
.

Voetnoten