ECLI:NL:RBAMS:2026:7409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
11969701 \ CV EXPL 25-16058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 230r Boek 6 BWArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consument vordert wettelijke rente en incassokosten na te late terugbetaling herroepingsbedrag

De consument bestelde op 11 augustus 2025 een online cursus bij Autonomy en maakte tijdig gebruik van zijn herroepingsrecht. Autonomy erkende de ontbinding en beloofde het aankoopbedrag binnen veertien dagen terug te betalen, maar betaalde te laat. De consument vorderde daarom wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Autonomy voerde aan dat technische problemen de vertraging veroorzaakten en dat de consument een nadere termijn van 48 uur had gegeven om alsnog te betalen, waarna betaling ook plaatsvond. De rechtbank stelde vast dat de consument recht had op wettelijke rente over de periode van verzuim, maar dat de incassokosten niet toewijsbaar waren omdat de consument binnen de gestelde termijn een gemachtigde inschakelde, wat niet redelijk was.

De rechtbank veroordeelde Autonomy tot betaling van wettelijke rente vanaf de verzuimdatum tot de dag van betaling en wees de incassokosten af. De consument werd veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van Autonomy werden vastgesteld op €107,50. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Autonomy moet wettelijke rente betalen over het te laat terugbetaalde bedrag, maar is geen incassokosten verschuldigd; consument draagt proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11969701 \ CV EXPL 25-16058
Vonnis van 9 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Bill Incasso B.V.,
tegen
AUTONOMY B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Autonomy,
gemachtigde: ARAG Rechtsbijstand.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 november 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- het tussenvonnis van 19 februari 2026, waarbij is bepaald dat schriftelijk zal worden voortgeprocedeerd;
- de conclusie van repliek, met een productie;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] heeft op 11 augustus 2025 bij Autonomy een online cursus besteld tegen een bedrag van € 833,33. Hij heeft deze overeenkomst met gebruikmaking van zijn herroepingsrecht ontbonden.
2.2.
Op 19 augustus 2025 schrijft Autonomy dat zij akkoord gaat met volledige terugbetaling en dat het bedrag uiterlijk binnen veertien dagen zal worden overgemaakt aan [eiser].
2.3.
Op 2 september 2025 bevestigt Autonomy dat de ‘refund’ intern is doorgevoerd en dat het tot 96 uur kan duren voordat deze zichtbaar is op de rekening van [eiser].
2.4.
Op 8 september 2025 om 10:38 uur schrijft [eiser] aan Autonomy dat hij nog steeds geen betaling heeft ontvangen. Verder schrijft hij in deze e-mail:
‘Ik stel je hierbij een laatste termijn van 48 uur om het bedrag alsnog over te maken en mij de betalingsbevestiging met transactie nummer toe te sturen. Indien betaling binnen deze termijn uitblijft, zal ik direct incasso maatregelen treffen.’
2.5.
Op 9 september 2025 om 19.53 uur stuurt de gemachtigde van [eiser] een e-mail aan Autonomy, waarin zij Autonomy sommeert het bedrag van de online cursus en de rente en buitengerechtelijke kosten te betalen.
2.6.
Op 9 september 2025 om 21.04 uur antwoordt Autonomy op de e-mail van [eiser] (van 8 september 2025):
‘Gek dat ie er nog niet is! Ik ga hier morgen voor je achteraan.’
2.7.
Op 10 september 2025 om 7.38 uur stuurt de gemachtigde van [eiser] nogmaals een e-mail aan Autonomy, waarin zij Autonomy sommeert het bedrag van de online cursus en de rente en buitengerechtelijke kosten te betalen.
2.8.
Op 10 september 2025 om 7:59 uur heeft Autonomy het bedrag van de cursus aan [eiser] overgemaakt.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Autonomy tot betaling van een bedrag van € 158,20. Dit bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 833,33, € 6,95 aan rente en € 151,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, waarop een betaling van € 833,33 in mindering is gebracht. Verder wil [eiser] dat Autonomy wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Met de terugbetaling door Autonomy zijn de cursuskosten aan hem terugbetaald. De onderhavige vordering ziet op rente en buitengerechtelijke kosten. Omdat Autonomy de kosten van de cursus te laat heeft terugbetaald, moet zij de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW hierover betalen. [eiser] had geen vertrouwen meer in de loze beloften van Autonomy om te betalen en heeft daarom op 9 september 2025 de gemachtigde ingeschakeld. De kosten die [eiser] hiervoor heeft moeten maken, moet Autonomy ook betalen.
3.3.
Autonomy voert verweer. Zij is zich ervan bewust dat zij binnen veertien dagen na de ontbinding op 11 augustus 2025 tot betaling had moeten overgaan. Door technische problemen heeft de betaling langer geduurd dan Autonomy had voorzien. Met de nadere termijn van 48 uur die [eiser] op 8 september 2025 heeft gegeven aan Autonomy, mocht Autonomy er gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij tot het verstrijken van die termijn de gelegenheid had om het een en ander uit te zoeken en indien nodig alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, zonder dat er kosten zouden worden gemaakt. Door desondanks voor het verstrijken van die termijn een gemachtigde in te schakelen, heeft [eiser] kosten gemaakt die vermijdbaar waren. Dit maakt dat deze kosten niet als redelijk en noodzakelijk kunnen worden aangemerkt.
3.4.
Verder is Autonomy van mening dat [eiser] misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht. Zij vraagt daarom om [eiser] te veroordelen in haar reële proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt in de dagvaarding dat hij de overeenkomst op 19 augustus 2025 heeft herroepen en dat Autonomy dat in haar e-mail van diezelfde dag heeft bevestigd. Bij conclusie van repliek lijkt hij echter te stellen dat hij de overeenkomst op 11 augustus 2025 heeft herroepen. Stukken waaruit de herroepingsdatum blijkt zijn niet overgelegd. Echter heeft Autonomy bij conclusie van dupliek erkend dat herroeping heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2025. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiser] de overeenkomst op 11 augustus 2025 heeft herroepen.
4.2.
Vast staat dat [eiser] tijdig gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht en dat Autonomy daarom uiterlijk binnen veertien dagen na de dag van ontvangst van de verklaring tot ontbinding, het bedrag dat [eiser] had betaald had moeten terugbetalen. [1] Autonomy had het aankoopbedrag dus uiterlijk op 25 augustus 2025 moeten terugbetalen.
4.3.
Autonomy heeft het volledige bedrag terugbetaald, maar niet binnen de termijn van veertien dagen. Dit betekent dat Autonomy automatisch in verzuim is en dat [eiser] onder andere recht heeft op vergoeding van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro. [2]
4.4.
Voor zover [eiser] de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW heeft gevorderd, is dit niet toewijsbaar aangezien [eiser] niet heeft gesteld dat in dit geval sprake is van een handelsovereenkomst. Wel toewijsbaar is de wettelijke rente van artikel 6:119 BW Pro. Autonomy moet deze betalen over het bedrag van € 833,33, vanaf 25 augustus 2025 (zijnde de verzuimdatum) tot de dag dat zij het aankoopbedrag heeft terugbetaald, dus tot 10 september 2025.
4.5.
Verder vordert [eiser] vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Bij de beantwoording van de vraag of deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen, dient te worden onderzocht of, in de gegeven omstandigheden, het redelijk was de kosten te maken en of de kosten redelijk zijn. [3]
4.6.
Autonomy erkent dat zij het aankoopbedrag binnen veertien dagen na de ontbinding had moeten terugbetalen, maar dat dit langer heeft geduurd door technische problemen. Uit de e-mail van 8 september 2025 volgt dat [eiser] Autonomy een nadere termijn geeft om alsnog na te komen, voordat hij incassomaatregelen zal treffen. Met Autonomy is de kantonrechter het eens dat [eiser] daarmee bij Autonomy het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij tot het verstrijken van die termijn de gelegenheid had om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen, zonder bijkomende kosten. Desondanks heeft [eiser] binnen de gestelde termijn een gemachtigde ingeschakeld. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het redelijk was dat [eiser] deze kosten maakte. Deze kosten kunnen dan ook niet in rekening worden gebracht bij Autonomy.
4.7.
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. Autonomy heeft gevraagd om [eiser] te veroordelen in haar reële proceskosten, maar daarvoor ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding. Daarvoor is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, bijvoorbeeld bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Bij het aannemen daarvan past terughoudendheid, gelet op de toegang tot de rechter, dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM Pro. [4] Dat [eiser] met het instellen van de vorderingen tegen beter weten in een kansloze procedure is gestart, kan niet gezegd worden. Dat [eiser] zijn e-mail van 8 september 2025 buiten de dagvaarding heeft gehouden is weliswaar niet fraai, maar onvoldoende om tot misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen te concluderen. [eiser] zal daarom worden veroordeeld in de gebruikelijke forfaitaire kosten.
4.8.
Gelet op het voorgaande worden de proceskosten van Autonomy begroot op:
- salaris gemachtigde
86,00
(2 punten × € 43,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
107,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Autonomy om aan [eiser] te betalen de wettelijke rente over een bedrag van € 833,33, vanaf 25 augustus 2025 tot 10 september 2025,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 107,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D.C. Vink.
57327

Voetnoten

1.Zie artikel 230r van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Artikel 6:83 BW Pro.
3.Zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013, rov. 3.3.2. (ECLI:NL:HR:2013:2102).
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 23 december 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1934).