ECLI:NL:RBAMS:2026:7589

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
13-100645-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen afpersing met bedreiging in privégarage

Op 2 april 2026 heeft verdachte samen met een medeverdachte een afgesloten privégarage bij de woning van het slachtoffer betreden en onder bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp het slachtoffer gedwongen zijn dure horloge en telefoon af te geven. Verdachte droeg gezichtsbedekkende kleding en handelde met het oogmerk zichzelf en anderen wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank acht het bewezen dat verdachte medepleegde aan afpersing. Verdachte is jong, maar niet kwetsbaar, en heeft een strafblad met eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De reclassering adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en het opleggen van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 365 dagen op, waarvan 288 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daarnaast worden bijzondere voorwaarden opgelegd zoals meldplicht, ambulante behandeling, contactverbod, locatiegebod met elektronische monitoring, dagbesteding, schuldhulpverlening, middelengebruikcontrole en ambulante begeleiding.

De vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer wordt volledig toegewezen: €13.400,- voor materiële schade en €1.570,- voor immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 2 april 2026. De rechtbank wijst de schadevergoedingsmaatregel toe en bepaalt dat bij niet-betaling gijzeling kan worden toegepast.

De voorlopige hechtenis wordt geschorst en de strafoplegging houdt rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en zijn positieve gedragsverandering sinds schorsing. Verdachte krijgt een laatste kans om zijn gedrag te verbeteren onder strikte voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 365 dagen gevangenisstraf, waarvan 288 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en moet schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/100645-26
Datum uitspraak: 15 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] .

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich op 2 april 2026 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging afpersen van [benadeelde partij] , waarbij [benadeelde partij] gedwongen is tot afgifte van een horloge (van het merk Rolex) en/of een telefoon.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
de bijlageen geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
4.2. Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen (bewijs)verweren gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde feit.
4.3. Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
4.4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hierna in rubriek 5. opgesomde bewijsmiddelen - waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat - bewezen dat verdachte:
op 2 april 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge van het merk Rolex en een telefoon, die aan die [benadeelde partij] toebehoorden door (op dreigende wijze)
- gezichtsbedekkende kleding te dragen en zich naar die [benadeelde partij] te begeven en
- de weg van die [benadeelde partij] te belemmeren en/of te blokkeren en
- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [benadeelde partij] te tonen en op die [benadeelde partij] te richten en enige tijd op die [benadeelde partij] gericht te houden en
- daarbij die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen: "Geef je spullen, je horloge" en "Geef je telefoon".

5. Het bewijs

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
  • een proces-verbaal aangifte met goederenbijlage, met nummer PL1300-2026082204-16 van 3 april 2026, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar] , pagina’s 001 t/m 004;
  • de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 1 juli 2026.

6. De strafbaarheid van het feit en van verdachte

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Motivering van de straf

7.1. Strafeis van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren zal worden opgelegd.
7.2. Strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de duur van het voorarrest, en een geheel voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen. Verdachte is jong en kwetsbaar en heeft ervan geleerd. De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst en daarbij is een pakket aan voorwaarden gesteld. Verdachte heeft inmiddels een intake gehad voor een nieuwe opleiding en hij is aangenomen als vuilnisman voor 32 uur in de week. Het zou zonde zijn als verdachte direct weer stagneert in zijn opleiding en werkvermogen. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit tot gevolg hebben. Stagnatie brengt een groot risico op herhaling met zich.
7.3. Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
7.3.1. Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van afpersing. Hij heeft samen met de medeverdachte een afgesloten privégarage bij de woning van het slachtoffer betreden en hem daar onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen om zijn dure horloge en telefoon af te geven. Hierbij droegen zij gezichtsbedekkende kleding. Uit de chats in het dossier en de verklaring van verdachte volgt dat hij dit in opdracht van ander(en) heeft gedaan voor zijn eigen financiële gewin en dat het slachtoffer doelbewust is uitgekozen. Dit is een ernstig feit, waarmee verdachte inbreuk heeft gemaakt op het recht van eigendom maar vooral op het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Uit het dossier blijkt ook dat het slachtoffer erg bang is geweest en nog steeds kampt met angstgevoelens en een gevoel van onveiligheid. Bovendien zorgen dit soort feiten voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.
7.3.2. Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 juni 2026, waaruit blijkt dat hij op 23 maart 2023 voor twee gewapende overvallen in vereniging en poging tot afpersing in vereniging is veroordeeld tot deels een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 19 juni 2026, opgemaakt door mevrouw [reclasseringswerker] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt - zakelijk weergegeven - dat sprake is van een beginnend delictpatroon aangaande vermogensdelicten, onder dreiging van een vuurwapen. Financiële motieven liggen ten grondslag aan de delictpleging. Door de reclassering worden het ontbreken van onderwijs, schulden, het sociaal netwerk van verdachte en zijn pro-criminele houding als risicofactoren gezien.
Verdachte stond van 2023 tot 2024 onder toezicht van Jeugdbescherming en de begeleiding werd positief voortijdig beëindigd. Hij hield zich aan de voorwaarden en gedurende het toezicht zijn hem tools aangeleerd om in slechte tijden toe te passen en daardoor niet opnieuw in de problemen te komen. Er was sprake van een zichtbare positieve gedragsverandering. Het baart de reclassering zorgen dat verdachte desondanks, vlak na de beëindiging van het toezicht, opnieuw met justitie in aanraking is gekomen voor een ernstig soortgelijk feit. Het risico op recidive en letsel wordt ingeschat als gemiddeld. Verdachte heeft aangegeven open te staan voor gedragsverandering en reclasseringsbemoeienis. Met ingang van 18 juni 2026 is zijn voorlopige hechtenis geschorst en staat hij onder toezicht van de reclassering met elektronische monitoring (EM). De reclassering acht de voorwaarden die bij de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte zijn opgelegd ook geïndiceerd bij een voorwaardelijke veroordeling.
De reclassering adviseert na overleg met de Raad voor de Kinderbescherming om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Verdachte is jong, maar niet kwetsbaar. Hij is in staat om eigen keuzes te maken en is voldoende zelfredzaam. De mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn uitgeput en niet afdoende gebleken.
Bij een veroordeling adviseert de reclassering om een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, ambulante behandeling, een contactverbod, een locatiegebod met EM, meewerken aan dagbesteding, meewerken aan het aflossen van schulden, beheersing van middelengebruik en ambulante begeleiding.
7.3.3. Straf
De rechtbank ziet vanwege het advies van de reclassering geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het feit dat verdachte nog jong is en thuis woont leidt, gelet op de overige in het advies genoemde factoren, niet tot een ander oordeel.
De ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer en het feit dat verdachte dit feit zeer snel na een positief afgerond toezicht bij de Jeugdbescherming heeft gepleegd, rechtvaardigen een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de duur van het voorarrest van verdachte. De rechtbank houdt echter als strafverminderende omstandigheid rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en met het gegeven dat hij sinds zijn schorsing de eerste goede stappen heeft gezet om zijn leven een andere richting te geven. Verdachte heeft een intake gehad voor een nieuwe opleiding, hij wil weer gaan studeren en hij heeft betaald werk als vuilnisman gevonden. Ook krijgt hij hulp bij het aflossen van zijn schulden. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruizen. Verdachte staat op een keerpunt in zijn leven en de rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte een (laatste) kans dient te worden geboden om verbetering van zijn gedrag te laten zien en andere keuzes te maken. Omdat verdachte eerder na het doorlopen van een toezicht opnieuw de fout in is gegaan, is een forse voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur op zijn plaats. Om die reden zal de rechtbank ook een langere proeftijd opleggen dan gebruikelijk. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 288 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden is. Daarbij zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

8. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 13.400,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.570,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter onderbouwing van zijn materiële schade heeft de benadeelde partij een taxatie van Juwelier [naam Juwelier 1] bijgevoegd uit 2020.
8.1. Materiële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering is boven een bedrag van € 11.710,- betwist. De raadsvrouw heeft bepleit dat het horloge dateert van 2015 en dat het taxatierapport uit 2020 is en dat daarom de vraag is of de door de benadeelde partij gestelde waarde van € 13.400,- nog altijd courant is. Een vergelijkbaar horloge staat online bij [naam Juwelier 2] te koop voor € 12.250,- en op een andere site voor € 11.710,-.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot het gehele bedrag van € 13.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (2 april 2026). Daarbij heeft de rechtbank de waarde in het overgelegde taxatierapport als uitgangspunt genomen. De verdediging heeft de waarde betwist door middel van overlegging van twee verkoopadvertenties van eenzelfde type Rolexhorloge. Het enkele feit dat eenzelfde type horloge elders voor een lager bedrag te koop staat is onvoldoende onderbouwing om af te wijken van de getaxeerde waarde. De advertenties geven immers onvoldoende informatie over de uitvoering, de echtheid, het jaartal en bijvoorbeeld de staat van onderhoud. Een verkoopadvertentie is geen (contra-)taxatie. Het feit tot slot dat de overgelegde taxatie uit 2020 is, maakt – anders dan door de verdediging is aangevoerd – niet zonder meer dat de daarin vermelde waarde niet langer representatief is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het gaat om een Rolex. Van dergelijke luxe horloges is algemeen bekend dat deze, anders dan andere gebruiksgoederen, onder omstandigheden eerder in waarde stijgen dan dat de waarde vermindert. De benadeelde partij heeft verklaard dat zijn Rolex op het moment van de beroving in goede staat van onderhoud was. Aan de betwisting van de waarde van de Rolex zal de rechtbank dus voorbijgaan.
8.2. Immateriële schade
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat geen sprake is van geestelijk letsel en niet zonder meer begrijpelijk is dat sprake is van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de door de benadeelde partij gestelde nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. De benadeelde partij is door twee personen met gezichtsbedekkende kleding in een afgesloten privégarage bij zijn woning onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gedwongen tot de afgifte van zijn horloge en telefoon. De benadeelde partij heeft dan ook recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting niet betwist. Bij de beoordeling van de hoogte van de vordering heeft de rechtbank acht geslagen op de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, en op de Rotterdamse schaal. In paragraaf 19.1 van de Rotterdamse schaal worden bedragen genoemd in het geval van bedreigende situaties die gepaard gaan met diefstal en/of afpersing. Onder categorie (b) ‘ernstig’ wordt genoemd een straatroof met meerdere daders. Voor die categorie wordt een bedrag genoemd tot € 3.000,-. Gelet op het bewezenverklaarde feit acht de rechtbank toepassing van deze categorie bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding billijk. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (2 april 2026).
8.3. Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
288 (tweehonderdachtentachtig) dagen, van deze gevangenisstraf
niettenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

1.Meldplicht

Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerstvolgende afspraak.

2.Ambulante behandeling

Dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op delictpreventie en/of andere problematiek. Diagnostiek zal onderdeel zijn van de behandeling.

3.Contactverbod

Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met het slachtoffer [benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 1992) en de medeverdachte [medeverdachte] (geboren op [geboortedag 3] 2008).

4.Locatiegebod (met Elektronische Monitoring)

Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd en zolang de reclassering het nodig acht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur.
De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 1] te Zaandam. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.
De veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat de veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.

5.Dagbesteding

De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

6.Aflossing schulden

De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

7.Beheersing middelengebruik

Dat de veroordeelde meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs) of middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

8.Ambulante begeleiding

De veroordeelde ontvangt ambulante begeleiding voor ondersteuning bij praktische zaken van een instantie nog te bepalen door de reclassering. Hij houdt zich aan afspraken en aanwijzingen van de ambulante begeleiding.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Vordering tot schadevergoeding
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 13.400,- (zegge dertienduizend vierhonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en € 1.570,- (zegge duizend vijfhonderdzeventig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 april 2026) tot aan de dag van voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 14.970,- (zegge veertienduizend negenhonderdzeventig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (2 april 2026) tot aan de dag van voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 99 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. D.M.S. Gribling en C.S. Groefsema, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2026.
[…]