ECLI:NL:RBAMS:2026:7690

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
C/13/746821 / HA ZA 24-171
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 VWEUArt. 11 lid 4 Richtlijn 2014/104/EUArt. 17 lid 2 Richtlijn 2014/104/EUArt. 6:162 BWArt. 6:193l BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering wegens onvoldoende aannemelijkheid beïnvloeding ethyleenprijs door kartel

De Stichting Ethylene Claims vordert namens de Repsol-entiteiten schadevergoeding wegens het ethyleenkartel, waarbij gedaagden zijn beboet voor het uitwisselen van informatie en het beïnvloeden van de Monthly Contract Price (MCP) voor ethyleen. De Europese Commissie stelde een kartelinbreuk vast, maar liet open of de MCP daadwerkelijk werd beïnvloed.

De rechtbank analyseert uitgebreid de feiten, waaronder de marktstructuur, het MCP-settlementproces en de rol van gedaagden. Diverse economische rapporten worden besproken, waarbij het SEO-rapport een significante prijsverlaging suggereert, maar tegenrapporten van gedaagden dit weerspreken. De rechtbank concludeert dat de mogelijkheid van daadwerkelijke schade niet aannemelijk is gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de MCP een benchmark is die niet uitsluitend door gedaagden wordt bepaald, mede gezien hun beperkte marktaandeel en de aanwezigheid van andere marktpartijen. De voorbeelden van de Stichting over prijsmanipulatie overtuigen niet. De vorderingen worden afgewezen en de Stichting wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevordering af wegens onvoldoende aannemelijkheid dat het kartel de referentieprijs MCP daadwerkelijk heeft beïnvloed.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
afdeling privaatrecht
zaaknummer / rolnummer: C/13/746821 / HA ZA 24-171
Vonnis van 29 juli 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING ETHYLENE CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak, eiseres in het eerste voorwaardelijke incident, verweerster in het tweede voorwaardelijke incident,
advocaat eerst mr. Th.J. Bousie, vervolgens mr. A.S. van Everdingen, thans mr. S. Tuinenga te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CELANESE EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.K. de Pree te Amsterdam,
2. de vennootschap naar buitenlands recht
CELANESE CORPORATION,
gevestigd te Irving (Verenigde Staten van Amerika),
advocaat mr. M.G. Bredenoord-Spoek te Amsterdam,
3. de vennootschap naar buitenlands recht
CELANESE SERVICES GERMANY GMBH,
gevestigd te Sulzbach (Duitsland),
advocaat mr. M.G. Bredenoord-Spoek te Amsterdam,
gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het eerste voorwaardelijke incident, eiseressen in het tweede voorwaardelijke incident,
4. de vennootschap naar buitenlands recht
CLARIANT AG,
gevestigd te Muttenz (Zwitserland),
5. de vennootschap naar buitenlands recht
CLARIANT INTERNATIONAL AG,
gevestigd te Muttenz (Zwitserland),
gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het eerste voorwaardelijke incident,
advocaat mr. M.H.C. Sinninghe Damsté te Amsterdam,
6. de vennootschap naar buitenlands recht
ORBIA ADVANCE CORPORATION, S.A.B. DE C.V.,
gevestigd te Mexico-Stad (Mexico),
7. de vennootschap naar buitenlands recht
VESTOLIT GMBH,
gevestigd te Marl (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het eerste voorwaardelijke incident, eiseressen in het tweede voorwaardelijke incident,
advocaat mr. H.M. Cornelissen te Amsterdam,
8. de vennootschap naar buitenlands recht
WESTLAKE CHEMICAL CORPORATION,
(of Westlake Corporation, zoals zij zichzelf noemt)
gevestigd te Houston (Verenigde Staten van Amerika),
9. de vennootschap naar buitenlands recht
WESTLAKE GERMANY GMBH & CO. KG,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
10. de vennootschap naar buitenlands recht
WESTLAKE VINNOLIT HOLDINGS GMBH,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
11. de vennootschap naar buitenlands recht
WESTLAKE VINNOLIT GMBH & CO. KG,
gevestigd te Ismaning (Duitsland),
gedaagden in de hoofdzaak, verweersters in het eerste voorwaardelijke incident,
advocaat mr. W. Heemskerk te Den Haag.
Partijen zullen hierna genoemd worden:
- de Stichting (eiseres in de hoofdzaak);
- Celanese (gedaagden in de hoofdzaak sub 1 tot en met 3);
- Clariant (gedaagden in de hoofdzaak sub 4 en 5);
- Vestolit (gedaagden in de hoofdzaak sub 6 en 7);
- Westlake (gedaagden in de hoofdzaak sub 8 tot en met 11).

1.Dit vonnis in het kort

1.1.
Het gaat in deze zaak om het zogenaamde ethyleenkartel. De Europese Commissie heeft een beschikking gegeven waarin gedaagden zijn beboet omdat zij met elkaar informatie uitwisselden met betrekking tot de onderhandelingen over de MCP, een onderdeel van de prijsformule in bepaalde leveringscontracten voor ethyleen. Enige bedrijven binnen het Repsol-concern die ethyleen verkopen, menen door de beïnvloeding van de MCP schade te hebben geleden. Zij menen dat aannemelijk is dat de MCP door het gedrag van gedaagden te laag is vastgesteld, waardoor zij te weinig voor hun producten hebben ontvangen, omdat de prijs daarvan mede was gebaseerd op de MCP. Zij hebben hun vorderingen overgedragen aan de Stichting.
De Europese Commissie heeft niet onderzocht of de uitwisseling van informatie daadwerkelijk effect heeft gehad op de ethyleenprijs. In deze zaak staat die vraag centraal. Gedaagden betwisten dat het kartel daadwerkelijk effect heeft gehad op de hoogte van de MCP. De rechtbank komt tot het oordeel dat gezien de wijze van totstandkoming van de MCP en de hoedanigheden van de verschillende marktpartijen die daarbij betrokken waren, de kans op schade aan verkoperskant niet aannemelijk is. Dat leidt tot afwijzing van de vorderingen van de Stichting.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incidenten van 18 december 2024;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke vordering ex artikel 843a Rv, met producties, van Celanese;
- de conclusie van antwoord, met een productie, van Clariant;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende voorwaardelijke vordering ex artikel 843a Rv, met producties, van Vestolit;
- de conclusie van antwoord, met producties, van Westlake;
- het tussenvonnis van 11 juni 2025;
- de vermeerdering van eis met (voorwaardelijke) incidentele vordering ex art. 843a Rv, van de Stichting;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 2 december 2025;
- de akte betreffende het Ethyleen MCP Settlement Proces, tevens overlegging aanvullende producties, met producties, van Celanese;
- de akte betreffende het Ethyleen MCP Settlement Proces, tevens overlegging producties, met producties, van Clariant;
- de akte betreffende het Ethyleen MCP Settlement Proces, tevens overlegging aanvullende producties, met producties, van Vestolit;
- de akte betreffende het Ethyleen MCP Settlement Proces, tevens overlegging aanvullende producties, van Westlake;
- de akte betreffende het MCP Settlement Proces, van de Stichting.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

In de hoofdzaak, in het eerste voorwaardelijke incident en in het tweede voorwaardelijke incident
In het vonnis in incidenten van 18 december 2024 zijn een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten worden hierna, voor zover thans van belang, herhaald en aangevuld.
3.1.
Repsol Polímeros, Unipessoal, Lda., gevestigd te Sines (Portugal), Repsol Química, S.A., gevestigd te Madrid (Spanje), en Repsol Trading, S.A., eveneens gevestigd te Madrid (Spanje), hierna gezamenlijk: de Repsol-entiteiten, produceren en verkopen onder meer ethyleen.
3.2.
Celanese, Clariant, Vestolit respectievelijk Westlake kopen op de
merchant market(handelsmarkt) ethyleen in om (mede) hiervan in hun ondernemingen andere producten te maken.
Ethyleen en ethyleenderivaten
3.3.
Ethyleen is een kleurloos en zeer brandbaar gas dat wordt gebruikt als grondstof in de petrochemische industrie.
3.4.
Ethyleen wordt onder meer geproduceerd door het stoomkraken van koolwaterstoffen zoals ethaan, propaan, butaan en nafta. Bij dit stoomkraken worden de koolwaterstoffen verdund met stoom, kortstondig sterk verhit – boven 800 graden Celsius – en gekoeld. De koolwaterstoffen breken daardoor op in kleinere moleculen, waarvan (de onverzadigde koolwaterstof) ethyleen een van de belangrijkste is.
3.5.
Ethyleen is geen eindproduct, maar wordt gebruikt voor de productie van andere (daarvan afgeleide) chemicaliën. Van ethyleen afgeleide chemicaliën worden ook wel ethyleenderivaten genoemd.
De betrokken partijen
Gedaagden
3.6.
Geen van gedaagden produceert ethyleen. Zij kopen ethyleen in voor de productie van verschillende chemische producten.
Celanese
3.7.
Celanese is een wereldwijde producent van chemicaliën en is actief in verschillende segmenten van de chemische industrie. Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Celanese in Europa met name ethyleenderivaten zoals vinylacetaat-ethyleen, polyethyleen en thermoplastische elastomeren.
3.8.
Celanese heeft productiefaciliteiten op verschillende locaties in Duitsland, te weten onder meer in Frankfurt-Höchst, Kaiserslautern, Oberhausen, Utzenfeld en Wehr.
Clariant
3.9.
Clariant is onderdeel van de Clariant Groep. Clariant houdt zich onder meer bezig met de productie en distributie van chemicaliën bestemd voor verschillende sectoren, waaronder persoonlijke verzorging, oliewinning en mijnbouw en industriële toepassingen. Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Clariant onder meer additieven en wassen, olie- en raffinaderijadditieven en vlamvertragers.
3.10.
Clariant heeft productiefaciliteiten op verschillende locaties in Duitsland, te weten Gendorf, Frankfurt, Oberhausen en Knapsack.
Vestolit
3.11.
Vestolit is onderdeel van de Orbia Groep. Vestolit is een wereldwijde producent van PVC en andere derivaten (producten van monomeer). Met de ethyleen die zij inkoopt, produceert Vestolit met name zogenoemde specialty PVC.
3.12.
Vestolit heeft productiefaciliteiten in Marl in Duitsland.
Westlake
3.13.
Westlake is onderdeel van de Westlake Groep. Westlake is een wereldwijde producent van polyethyleen- en vinylchemicaliën.
3.14.
Westlake heeft twee productiefaciliteiten in Duitsland, te weten in Gendorf en Knapsack.
Transport van ethyleen in Noordwest-Europa
3.15.
In Noordwest-Europa – waaronder hier wordt begrepen Nederland, België, Frankrijk en Duitsland (hierna: NWE) – vervoeren leveranciers ethyleen vrijwel uitsluitend via pijpleidingen van hun productiefaciliteiten (de stoomkrakers) naar de productiefaciliteiten van de afnemers (de afnamelocaties).
3.16.
In NWE verbindt het zogenoemde ARG-pijpleidingnetwerk de productiefaciliteiten en afnamelocaties met elkaar. Het ARG-pijpleidingnetwerk is ongeveer 495 kilometer lang en loopt door Nederland, België en Duitsland. Deze hoofdpijpleiding wordt
geëxploiteerd door de Duitse vennootschap ARG GmbH & Co KG.
3.17.
Het ARG-pijpleidingnetwerk is verbonden met een breder netwerk van lokale en nationale (toevoer)leidingen in Nederland, België en Duitsland (het geheel hierna tezamen: het ARG+ Netwerk). Deze andere (toevoer)leidingen zijn eigendom van en worden geëxploiteerd door verschillende partijen, waaronder ethyleenleveranciers. In onderstaande afbeelding is het ARG+Netwerk weergegeven:
De Monthly Contract Price (de MCP)
3.18.
Omdat de prijs van ethyleen door marktomstandigheden – waaronder grondstofprijzen en vraag- en aanbodfactoren – volatiel is, hebben marktpartijen op de NWE-ethyleenhandelsmarkt gepoogd de marktprijs te stabiliseren met behulp van een benchmarkprijs: de Ethylene Monthly Contract Price (hierna: de MCP).
3.19.
De MCP is een nominale referentieprijs voor ethyleen. De MCP wordt vastgesteld door de Independent Commodity Intelligence Service (hierna: ICIS). ICIS is een zogenoemde
reporting agencydie marktinformatie over onder andere de chemische sector verzamelt en publiceert. ICIS stelt de MCP vast op grond van de nominale marktprijs die bepaalde marktdeelnemers (afnemers en leveranciers) vrijwillig aan haar rapporteren. ICIS neemt uitsluitend informatie in aanmerking die afkomstig is van grote leveranciers en afnemers van ethyleen.
3.20.
De MCP werd in de in dit geding relevante periode maandelijks op – samengevat – de volgende wijze vastgesteld. Zodra een leverancier en afnemer overeenstemming bereiken over de nominale prijs van ethyleen voor de volgende maand, geven zij de overeengekomen prijs door aan ICIS. Tot april 2018 maakte ICIS die prijs bekend als een zogenoemd
initial settlement. Zodra (minimaal) een tweede paar, bestaande uit een andere leverancier en een andere afnemer dezelfde nominale prijs overeenkomen – een zogenoemd
final settlement– en aan ICIS rapporteren (de zogenoemde 2+2-regel), wordt deze prijs (exclusief een korting) de MCP voor de volgende maand die ICIS als zodanig bekend maakt. Het is ook mogelijk dat meerdere leveranciers en/of meerdere afnemers de
initialof
final settlementaangaan. Deelname aan dit zogenoemde
MCP settlement processis vrijwillig; niet alle leveranciers en afnemers van ethyleen nemen daaraan (steeds) deel.
Informatie-uitwisselingen tussen gedaagden
3.21.
Celanese, Clariant en Vinnolit Gmbh & Co KG (hierna: Vinnolit, per 31 juli 2014 overgenomen door Westlake (gedaagde 10)) maakten in het verleden onderdeel uit van het Hoechst concern. Hoechst AG (hierna: Hoechst) was een van de grootste ethyleenafnemers in Europa. In 1997 verkocht Hoechst haar petrochemische derivatenbedrijven – waaronder Celanese, Clariant en Vinnolit – aan derden.
3.22.
Verschillende door Hoechst onderhandelde langetermijncontracten konden ten tijde van die verkoop niet (eenvoudig) worden beëindigd. Omdat de ethyleenleveranciers met één inkoopconsortium wensten te (blijven) handelen, richtte Hoechst in 1998 Hoechst Procurement Olefins (hierna: HPO) op. Het doel van HPO was het voortzetten van het beheren en coördineren van de inkoop van ethyleen voor bedrijven met een jarenlange handelsrelatie met Hoechst, waaronder Celanese, Clariant en Vinnolit. In 2000 is de ethyleeninkoop-rol van HPO overgeheveld naar Celanese Procurement Olefins (hierna: CPO).
3.23.
De bedrijven die onderdeel uitmaakten van deze inkoopconsortia deelden individueel hun verwachte vraag naar ethyleen met de inkoopconsortia. De inkoopconsortia kochten vervolgens namens de deelnemers de benodigde ethyleen in bij de leveranciers.
3.24.
HPO en CPO namen (openlijk) als één enkele partij deel aan het
MCP settlement process.
3.25.
Elke maand (en daarvoor elk kwartaal) wisselden de werknemers
van de ethyleenafnemers die onderdeel uitmaakten van de inkoopconsortia van gedachten over de ethyleenmarkt en wat een passende MCP zou zijn. De ethyleenleveranciers wisten dat de bedrijven die onderdeel uitmaakten van HPO en later CPO de inkoop van ethyleen coördineerden en in dat kader met elkaar correspondeerden.
3.26.
Na verloop van tijd liepen de langetermijncontracten met leveranciers af en wilden de meeste leden van het inkoopconsortium verantwoordelijk zijn voor hun eigen inkoop. Dit leidde tot de afbouw van de gezamenlijke ethyleeninkoop. Na ontbinding van het inkoopconsortium en de toetreding van Clariant vanaf 2012 tot de NWE-ethyleenhandelsmarkt als afnemer, namen Celanese, Clariant en Vinnolit als drie afzonderlijke partijen deel aan het
MCP settlement process.
3.27.
De inkoopmanagers van Celanese, Clariant en Vinnolit (vanaf 2014 Westlake) bleven daarna – samengevat – de ethyleenmarkt, de MCP en lopende MCP settlement-onderhandelingen met elkaar bespreken. Vanaf 17 november 2015 nam ook een door Vestolit ingehuurde externe consultant deel aan die besprekingen.
3.28.
Op 29 juni 2016 heeft Westlake de Europese Commissie geïnformeerd over informatie-uitwisselingen tussen gedaagden. Daarbij heeft Westlake de Europese Commissie – op grond van de clementieregeling [1] – verzocht aan haar volledige immuniteit te verlenen voor een eventueel op te leggen boete. In ruil daarvoor diende zij volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen.
3.29.
Na het verzoek om immuniteit van Westlake is de Europese Commissie een onderzoek gestart naar alle gedaagden. In het kader van dat onderzoek heeft de Europese Commissie in mei 2017 onaangekondigde inspecties uitgevoerd bij Celanese, Clariant en Vestolit.
3.30.
Bij
Decisionvan 14 juli 2020 (hierna: het EC-Besluit) [2] heeft de Europese Commissie in
Case AT.40410-Ethylene, een inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro door gedaagden vastgesteld. Het EC-Besluit luidt voor zover hier van belang, als volgt:

1.INTRODUCTION

(1) This Decision relates to a single and continuous infringement of Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union (the ‘TFEU’). The infringement consisted in exchanging sensitive commercial and pricing-related information and in fixing a price element related to the purchase of ethylene. The infringement took place between 26 December 2011 and 29 March 2017. Geographically, the infringement covered the territories of the Member States of the European Union (‘the Union’) in Belgium, France, Germany and the Netherlands.
(…)

4.DESCRIPTION OF THE EVENTS

4.1.
Nature, objective and scope of the conduct
(38) The present case concerns a single and continuous infringement which consisted in exchanging of sensitive commercial and pricing-related information and the fixing of a price element, namely the MCP, related to the purchases of ethylene in the Member States of the Union in Belgium, France, Germany and the Netherlands.
4.1.1.
Objective
(39) The objective of the conduct was to influence the MCP negotiations to the buyers’ advantage with the aim of buying ethylene at lowest possible price accepted by sellers in the ‘settlement’ process.
4.1.2.
Scope
(40) The parties coordinated their future behaviour through bilateral contacts (…) relating to the MCP, to their future market conduct during MCP ‘settlement’ negotiations with ethylene sellers and to views of the market trends; all prior to and during MCP ‘settlement’ negotiations.
(41)
As regards the MCP, the parties agreed on price targets which they intended to use at the start of the MCP ‘settlement’ negotiations with ethylene sellers, as well as MCP price targets they ultimately wanted to achieve, in particular based on a joint evaluation by the parties of market pricing factors and publicly available analyst intelligence.
(42) As regards coordination of future market conduct for MCP ‘settlement’ negotiations:
• Parties exchanged information on the status and future outlook of MCP ‘settlement’ negotiations with ethylene sellers and discussed the parties’ current positions, including actual pending offers received and the parties’ readiness to accept those offers or to rather continue MCP ‘settlement’ negotiations;
• Parties exchanged information about sellers’ willingness to enter into ‘settlement’ and at what level, with a view to influencing the MCP to buyers’ advantage, in order to make it possible for them to buy ethylene at the lowest possible price;
• Parties exchanged information on the outcomes of MCP ‘settlement’ negotiations with ethylene sellers and coordinated the timing of the ‘settlement’ communication […].
(43)
As regards market trends, parties exchanged information on market trends relating to the development of elements important for the formation of the ethylene price (oil and naphtha prices, ethylene spot market prices, propylene prices, improved or reduced level of ethylene supplies, Asia ethylene market) and exchanged their views on the extent to which these developments should influence the ethylene MCP for the upcoming month(s).
(44) The bilateral contacts occurred via (…).
4.2.
Geographic scope of the conduct
(45) The geographic scope of the conduct was the territories of the Member States of the EU in Belgium, France, Germany and the Netherlands, throughout the duration of the infringement.
4.3.
Duration of the collusive conduct
(46) The conduct started on 26 December 2011 for WESTLAKE and CLARIANT, on 18 January 2012 for CELANESE and on 17 November 2015 for ORBIA, the dates being the first collusive contact for each party respectively.
(47) Based on the available evidence on the file, the Commission considers, for the purpose of this Decision, 28 March 2017 as the end date for CELANESE’s and ORBIA’s participation in the conduct and 29 March 2017 for CLARIANT’s participation, which are the dates of each party’s last collusive contact. For WESTLAKE, its participation is considered to have ended on 29 June 2016 when it applied for immunity.

5.LEGAL ASSESSMENT

(…)
5.1.
Application of Article 101(1) of the TFEU
5.1.1.
Agreements and concerted practices
(…)
5.1.1.2. Application in this case
(54) As it emerges from the facts described in recitals (38) to (47), the parties reached agreements on MCP targets which they intended to use for the start of the MCP settlement negotiations with ethylene sellers, the negotiation strategy and on the final MCP they ultimately wanted to achieve. On other occasions, directions on the desired MCP level and/or settlement timing were signalled or requested by the parties.
(55) The parties also exchanged information and updates on the status of the MCP settlement negotiations, as well as on the impact that market trends were supposed to have on the ethylene MCP, and thereby knowingly substituted practical cooperation between them for the risks of competition.
(56) Based on the submissions of the parties and the other evidence obtained during the course of the Commission’s investigation, it is therefore concluded that the conduct described in recitals (38) to (47) presents all the characteristics of an agreement or a concerted practice, or both within the meaning of Article 101(1) of the TFEU.
(…)
5.1.2.
Single and continuous infringement
(…)
5.1.2.2. Application in this case
(…)
(64) On the basis of all those elements of the infringement outlined (…) and of the parties’ clear and unequivocal acknowledgements of the single and continuous nature of the infringement, it is concluded that the undertakings concerned participated in a single and continuous infringement of Article 101 of the TFEU.
5.1.3.
Restriction of competition
(…)
5.1.3.2. Application in this case
(68) The conduct amounted to concerted horizontal practices, which included exchange of sensitive commercial and pricing-related information and fixing of a price element. The MCP forms part of the pricing formula in certain supply agreements (see recital (7)). It directly influences the actual ethylene purchase price under such contracts and in certain transactions on the spot market. The conduct adopted by the parties ultimately aimed at reducing or eliminating uncertainty and information asymmetry as to the future pricing behaviour of parties on the ethylene purchasing market, thereby enabling the parties to make decisions based on more specific and reliable data in comparison, for instance, with information received from ethylene sellers. The parties knowingly substituted the risks of competition through practical co-ordination between them.
(…)
(71) Based on the submissions of the parties and the other evidence obtained during the course of the Commission’s investigation, it is concluded that the conduct could be regarded as having as its object the restriction of competition on the ethylene purchasing market within the meaning of Article 101(1) of the TFEU (….). There is no need to take into account the effects of the conduct and to consider whether or not the parties ultimately succeeded in reaching the desired level of MCP.
5.1.4.
Capability to affect trade between Union Member States
(…)
5.1.4.2. Application in this case
(73) During the relevant period, the parties purchased ethylene from ethylene sellers especially in Belgium, France, Germany and the Netherlands. These purchases involved a substantial volume of trade between several Member States. The conduct relates to the ethylene MCP that is used in pricing formulas in ethylene supply agreements […] in Belgium, France, Germany and the Netherlands.
(74) It is therefore concluded that the conduct was capable of having an appreciable effect upon trade between Member States within the meaning of Article 101(1) of the TFEU.
(…)

6.DURATION OF ADDRESSEES’ PARTICIPATION IN THE INFRINGEMENT

(77) In view of the evidence set out in recitals (38) and (47), Table 1 sets out the duration of the participation of each party in the infringement.
TABLE 1
Undertaking
Participation in the infringement (start and end dates)
CELANESE
18 January 2012
28 March 2017
CLARIANT
26 December 2011
29 March 2017
ORBIA
17 November 2015
28 March 2017
WESTLAKE
26 December 2011
29 June 2016

7.LIABILITY

(…)
7.2.
Application in this case
(84) Having regard to the body of evidence and the facts described in recitals (38) and (47), the clear and unequivocal acknowledgements by the parties in their settlement submissions of the facts and the legal qualification thereof, as well as the parties´ replies to the statement of objections, liability for the infringement resulting from the conduct referred to in recitals (38) and (47) should be imputed to the following legal entities referred to in recitals (85) to (104).
7.2.1.
WESTLAKE
(85) For WESTLAKE´s participation in the infringement, the Commission holds liable:
( a) Westlake Chemical Corporation
( b) Westlake Germany GmbH & Co KG
( c) Vinnolit Holdings GmbH
( d) Vinnolit GmbH & Co. KG
(86) Vinnolit GmbH & Co. KG has clearly and unequivocally acknowledged liability for its direct participation in the infringement from 26 December 2011 to 29 June 2016.
(…)
7.2.2.
ORBIA
(91) For ORBIA´s participation in the infringement, the Commission holds liable:
( a) ORBIA ADVANCE CORPORATION, S.A.B. de C.V.
( b) VESTOLIT GmbH
(…)
7.2.3.
CLARIANT
(95) For CLARIANT´s participation in the infringement, the Commission holds liable:
( a) Clariant AG
( b) Clariant International AG
(…)
7.2.4.
CELANESE
(99) For CELANESE´s participation in the infringement, the Commission holds liable:
( a) Celanese Corporation
( b) Celanese Services Germany GmbH
( c) Celanese Europe B.V.

8.REMEDIES

(…)
8.2.
Article 23(2) and (3) of Regulation (EC) No 1/2003
(…)
(108) In the present case, the Commission considers that, based on the facts described (…) the infringement was committed intentionally.
(…)
8.4.
Adjustments of the basic amount
(…)
8.4.2.
Increase of the fine pursuant to point 37 of the Guidelines on fines
(…)
(147) The Commission notes that, in line with the previous case-law (…), the intended increase of the amount of the fine by 10% on the basis of point 37 of the Guidelines on fines is not conditional on proof that the infringement outlined in this Decision had any actual effects on the market.
(…)
8.6
Applicatoin of the Leniency Notice
(152) WESTLAKE submitted an application under the Leniency Notice on 29 June 2016 and was granted conditional immunity from fines for the infringement on 28 March 2017. WESTLAKE´s cooperation fulfilled the requirements of the Leniency Notice throughout the procedure. WESTLAKE is therefore granted immunity from fines for the infringement.”
(…)
HAS ADOPTED THIS DECISION:
Article 1
The following undertakings infringed Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union by participating, during the periods indicated, in a single and continuous infringement consisting of exchanging sensitive commercial and pricing-related information and of fixing a price element related to the purchases of ethylene, within the territories of Belgium, France, Germany and the Netherlands:
( a) Vinnolit GmbH & Co. KG, Vinnolit Holdings GmbH, from 26 December 2011 to 29 June 2016; Westlake Chemical Corporation and Westlake Germany GmbH & Co. KG from 31 July 2014 to 29 June 2016;
( b) Orbia Advance Corporation, S.A.B. de C.V. and VESTOLIT GmbH from 17 November 2015 to 28 March 2017;
( c) Clariant International AG and Clariant AG from 26 December 2011 to 29 March 2017;
( d) Celanese Services Germany GmbH from 18 January 2012 to 20 January 2016; Celanese Europe B.V. and Celanese Corporation from 18 January 2012 to 28 March 2017.
Article 2
The following fines are imposed for the infringement referred to in Article 1:
(…).
Article 3
The undertakings listed in Article 1 shall immediately bring to and end the infringement referred to in that Article insofar as they have not already done so.
Those undertakings shall refrain from repeating any act or conduct described in Article 1, and from any act or conduct having the same or similar object or effect.
3.31.
Bij het EC-besluit zijn boetes opgelegd aan Celanese, Clariant en Vestolit van respectievelijk (ruim) € 82 miljoen, € 155 miljoen en € 22 miljoen. Aan Westlake is volledige boete-immuniteit verleend op grond van de clementieregeling.

4.De hoofdzaak

4.1.
De Stichting vordert [3] dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
(1) voor recht verklaart dat de Kartellisten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schade die de Benadeelde Partijen hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van het onrechtmatige kartelgedrag zoals vastgesteld in de Europese Commissie beschikking AT.40410 – Ethyleen, gedateerd 14 juli 2020;
(2) de Kartellisten hoofdelijk veroordeelt tot het vergoeden van de schade die elk van de Benadeelde Partijen heeft geleden en/of zal lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van het ethyleenkartel zoals vastgesteld in beschikking AT.40410 van de Europese Commissie – Ethyleen, d.d. 14 juli 2020, en de onrechtmatige handelingen van de Kartellisten, zoals beschreven in het lichaam van de dagvaarding en in het geding gebrachte producties, en waarvan de omvang van die schade, inclusief ook wat betreft de (mogelijke) beperkingen ten aanzien van de schadevergoedingsplicht van Westlake op grond van artikel 11 lid 4 Kartelschaderichtlijn Pro en artikel 6:193m lid 4 Rv [4] , nader op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ingetreden tot aan de dag waarop de schade volledig is vergoed.
4.2.
De Stichting treedt primair op als privatieve lasthebber van de Repsol-entiteiten ex artikel 7:414 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), subsidiair als gevolmachtigde van de Repsol-entiteiten ex artikel 3:60 BW Pro. Zij legt aan haar vorderingen in de kern ten grondslag dat de Repsol-entiteiten als gevolg van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op artikel 101 Verdrag Pro betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) [5] schade hebben geleden en nog zullen lijden, dat gedaagden (geadresseerden van het EC-Besluit) voor de vergoeding van deze schade hoofdelijk aansprakelijk zijn en dat bij dit laatste mogelijk een uitzondering moet worden gemaakt voor Westlake.
4.3.
Gedaagden erkennen dat zij de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op artikel 101 VWEU Pro hebben gepleegd. Zij voeren echter verweer tegen de door de Stichting ingestelde vorderingen. Zij bestrijden in het bijzonder dat de Repsol-entiteiten als gevolg van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het Europese mededingingsrecht enige schade hebben geleden of nog zullen lijden.

5.Het eerste voorwaardelijke incident

5.1.
Onder de voorwaarde dat (i) de rechtbank tot het oordeel komt dat de vorderingen van de Stichting (nog) niet toewijsbaar zijn en zij nog enige bewijslast draagt en (ii) de rechtbank niet reeds op grond van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de Kartellisten beveelt om de specifieke bescheiden in het geding te brengen, vordert de Stichting [6] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de Kartellisten veroordeelt tot afgifte van een aantal in de vordering genoemde bescheiden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit betreft bescheiden over de volgende onderwerpen: (1) communicatie tussen Kartellisten, (2) EC Beschikkings-bescheiden, (3) MCP vaststellingsprocedure-bescheiden en (4) inkomstenbescheiden van de Kartellisten.

6.De hoofdzaak en het eerste voorwaardelijke incident

6.1.
De Stichting vordert [7] in de hoofdzaak en in het eerste voorwaardelijke incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
(4) de Kartellisten hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, elk vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het in deze zaak te wijzen vonnis tot de datum waarop de schade volledig is vergoed;
(5) elk van de Kartellisten veroordeelt in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van EUR 6.775,00; en
(6) een certificaat afgeeft als bedoeld in artikel 53 van Pro de Verordening Brussel I Bis-Vo.

7.Het tweede voorwaardelijke incident

7.1.
Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de vorderingen van de Stichting niet reeds dienen te worden afgewezen op basis van hetgeen Celanese en Vestolit in hun conclusie van antwoord hebben uiteengezet, vorderen deze gedaagden - samengevat - veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van de Stichting tot het verstrekken van afschrift van gegevens met betrekking tot de afzonderlijke door de Repsol-entiteiten behaalde (winst)marges op de productie en verkoop van ethyleen, polyethyleen en styreen in de periode 1 januari 2010 tot en met 1 januari 2020 in alle landen waar transacties zijn gesloten waarvoor de Stichting schadevergoeding vordert of zal vorderen.

8.De beoordeling

In de hoofdzaak
Inleiding
8.1.
Het EC-Besluit dateert van 14 juli 2020. Een persbericht van de Europese Commissie van dezelfde datum luidt, voor zover hier van belang:
The European Commission has fined Orbia, Clariant and Celanese a total of € 260 million for breaching EU antitrust rules. Westlake was not fined as it revealed the cartel to the Commission.
The companies took part in a cartel concerning purchases on the ethylene merchant market. They colluded to buy ethylene for the lowest possible price. All four companies acknowledged their involvement in the cartel and agreed to settle the case.
(…)
Ethylene purchasers usually buy ethylene under supply agreements. The purchase price of ethylene is very volatile and in order to reduce the risk of price volatility, ethylene supply agreements refer to a pricing formula, which often includes a so-called “Monthly Contract Price”, an industry price reference resulting from individual negotiations between ethylene buyers and sellers.
The Commission’s investigation revealed that from December 2011 to March 2017 during the process of establishing the MCP, four ethylene purchasers coordinated their price negotiation strategy vis-à-vis the ethylene sellers to influence the MCP to their advantage. The companies are Westlake of the US, Orbia of Mexico, Clariant of Switzerland and Celanese of the US. The practices covered the territory of Belgium, France, Germany and the Netherlands.
Unlike in most cartels where companies conspire to increase their sales prices, the four companies colluded to lower the value of ethylene, to the detriment of ethylene sellers. In particular, the companies coordinated their price negotiation strategies before and during the bilateral MCP ‘settlement’ negotiations with ethylene sellers to push the MCP down to their advantage. They also exchanged price-related information. These practices are prohibited by the EU competition rules.
Fines
The fines were set on the basis of the Commission’s 2006 Guidelines on fines (…).
(…)
Under the Commission’s 2006 Leniency Notice:
• Westlake received full immunity for revealing the cartel (…).
• Orbia, Clariant and Celanese benefited from reductions of their fines for their cooperation with the Commission investigation. The reductions reflect the timing of their cooperation and the extent to which the evidence they provided helped the Commission to prove the existence of the cartel in which they were involved.
In addition, under the Commission’s 2008 Settlement Notice, the Commission applied a reduction (…) to the fines imposed on the companies in view of their acknowledgement of the participation in the cartel and of the liability in this respect.
(…)
Background
Due to the volatility of ethylene prices, the industry often uses in their ethylene supply contracts an ethylene monthly contract price, or “
MCP” published by the specialised market information providers.
In order to establish an ethylene MCP for the upcoming month, two separate identical bilateral agreements (also called “settlements”) between two different pairs of suppliers and buyers have to be reached (2+2 rule). After a pair of a supplier and a buyer has reached an agreement on the price for the following month, they communicate it to the private and independent reporting agencies. After another pair of a buyer and a supplier settles at the identical price, this price becomes the MCP for the following month via a publication by these agencies. The MCP constitutes a part of the ethylene price formula in certain long-term supply agreements in Belgium, France, Germany and the Netherlands.
The objective of the cartelists’ conduct was to jointly influence the monthly MCP negotiations with ethylene sellers, to their own advantage. Their aim of the cartelists was to purchase ethylene at the lowest possible price. To do so, the parties were exchanging price-related information during their negotiations with ethylene sellers, which constituted the basis for establishing the MCP as an element of the ethylene price.
(…)
Procedural Background
Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union (TFEU) prohibits cartels and other restrictive business practices, including collusion on purchasing prices.
The Commission’s investigation in this case started in June 2016 with an application under the Commission’s 2006 Leniency Notice submitted by Westlake, which was followed by applications for reduction of fines by other parties.
(…)
The settlement procedure
Today’s decision is the 33rd settlement since the introduction of this procedure for cartels in June 2008 (…). In a settlement, parties acknowledge their participation in a cartel and their liability for it. Settlements are based on the Antitrust Regulation 1/2003 and allow the Commission to apply a simplified and shortened procedure. (…).
Action for damages
Any person or company affected by anti-competitive behaviour as described in this case may bring the matter before the courts of the Member States and seek damages. The case law of the Court and Council Regulation 1/2003 both confirm that in cases before national courts, a Commission decision constitutes binding proof that the behaviour took place and was illegal. Even though the Commission has fined the cartel participants concerned, damages may be awarded without being reduced on account of the Commission fine.
The Antitrust Damages Directive, which Member States had to transpose into their legal systems by 27 December 2016, makes it easier for victims of anti-competitive practices to obtain damages. (…).
8.2.
De rechtbank roept in herinnering dat het EC-Besluit opent als volgt:
(1) This Decision relates to a single and continuous infringement of Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union (the ‘TFEU’). The infringement consisted in exchanging sensitive commercial and pricing-related information and in fixing a price element related to the purchase of ethylene. (…).
Met het “price element related to the purchase of ethylene” doelt de Europese Commissie op de
Monthly Contract Price(de MCP). Anders dan uit de geciteerde zin zou kunnen worden afgeleid blijkt uit het geheel van het EC-Besluit dat de Europese Commissie niet heeft vastgesteld dat de inbreuk op het Europese mededingingsrecht (mede) bestond uit het daadwerkelijk bepalen van de MCP. De Europese Commissie heeft juist uitdrukkelijk in het midden gelaten of het met de inbreuk nagestreefde doel is bereikt. De rechtbank wijst in dit verband op de volgende passages uit het EC-Besluit:
(39) The objective of the conduct was to influence the MCP negotiations to the buyers’ advantage with the aim of buying ethylene at lowest possible price accepted by sellers in the ‘settlement’ process.
(…)
(71) (…). There is no need to take into account the effects of the conduct and to consider whether or not the parties ultimately succeeded in reaching the desired level of MCP.
De door de Europese Commissie vastgestelde inbreuk op het Europese mededingingsrecht blijft aldus, naast (mogelijke) ongunstige beïnvloeding van de handel tussen lidstaten, beperkt tot het “ertoe strekken” en betreft niet (mede) het “ten gevolge hebben” dat de mededinging binnen de interne markt wordt beperkt, beide in de zin van artikel 101 lid 1 VWEU Pro, gelezen tegen de achtergrond van onderdeel a van deze bepaling (het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aankoopprijzen).
8.3.
De Stichting vordert (1) een verklaring voor recht dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade van de Repsol-entiteiten en (2) hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van deze schade, op te maken bij staat. Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone en Otis/De Glazen Lift) heeft geoordeeld, kan de rechter een vordering tot schadevergoeding op de voet van artikel 612 Rv Pro naar de schadestaatprocedure verwijzen indien (i) de grondslag van aansprakelijkheid van de schuldenaar vaststaat, (ii) de mogelijkheid van schade aannemelijk is en (iii) de begroting van de schade in de hoofdprocedure hem niet mogelijk is. De hoofdprocedure dient er dus toe om de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding vast te stellen, aldus de Hoge Raad [8] . Dit laatste is de inzet van dit geding.
8.4.
Als lasthebber tevens gevolmachtigde van de Repsol-entiteiten is de Stichting in dit geding de formele procespartij. De formele kwesties in dit geding betreffen allereerst haar status als eiseres. Als lastgevers tevens volmachtgevers van de Stichting zijn de Repsol-entiteiten in dit geding de materiële procespartijen. Opmerking verdient dat elk van hen partij is bij een eigen rechtsbetrekking met gedaagden.
Belangenverstrengeling
8.5.
Een formele kwestie is allereerst het door Clariant gevoerde verweer dat de Stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen omdat haar belangen in hoge mate zijn verstrengeld met die van het Engelse advocatenkantoor Butler Reichline Skruzmane LLP (hierna: BRS). Volgens Clariant is dit in strijd met de Claimcode 2019, althans in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid die een belangenorganisatie als de Stichting dient te betrachten, ook indien zij optreedt op basis van lastgeving en volmacht.
8.6.
De rechtbank verwerpt dit verweer. De Claimcode 2019 is van toepassing op stichtingen en verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die optreden overeenkomstig artikel 3:305a BW of artikel 7:907 BW Pro, anders gezegd ten behoeve van een collectiviteit die diffuus en onbepaald kan zijn. Van een dergelijk optreden is in dit geval geen sprake. Zoals hiervoor onder 8.4 is overwogen, treedt de Stichting op als lasthebber tevens gevolmachtigde van uitsluitend de drie Repsol-entiteiten. Elk van de Repsol-entiteiten heeft, naar moet worden aangenomen weloverwogen, gekozen voor de behartiging van haar belangen door de Stichting in de vorm van lastgeving annex volmacht. De Stichting heeft zich tegenover elk van de Repsol-entiteiten tot deze vorm van belangenbehartiging verplicht. De Claimcode 2019 is dan ook niet van toepassing. Noch de wettelijke regels over lastgeving, noch de wettelijke regels over volmacht, noch de maatschappelijke zorgvuldigheid staan aan de ontvankelijkheid van de Stichting in haar vorderingen in de weg. De enkele door Clariant aangevoerde onderlinge verwevenheid van de Stichting en BRS maakt dit niet anders. Overigens is niet gesteld of gebleken dat de Repsol-entiteiten destijds niet van deze verwevenheid op de hoogte waren. Evenmin is gesteld of gebleken dat deze verwevenheid de positie van de Repsol-entiteiten jegens gedaagden schaadt. Tot slot is niet gesteld of gebleken dat deze verwevenheid de positie van gedaagden schaadt.
Belang
8.7.
Een formele kwestie is voorts het door Clariant gevoerde verweer dat de Stichting geen belang heeft bij vordering (1) omdat deze vordering geen zelfstandige betekenis heeft naast vordering (2).
8.8.
De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Allereerst wordt verwezen naar hetgeen hiervoor onder 8.3 is overwogen. Voorts wordt gewezen op HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760 (AIG/X), r.o. 4.1.2: indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, dient de rechter ervan uit te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dit geldt zowel als tevens verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd als wanneer dat niet het geval is. Vordering (1) vormt aldus de basis voor vordering (2).
Follow-on en/of stand-alone vorderingen
8.9.
Als opmaat naar de inhoudelijke beoordeling (inclusief de aanwijzing van het toepasselijk recht) moet allereerst worden ingegaan op de vraag of de door de Stichting ingestelde vorderingen moeten worden gekwalificeerd als
follow-onvorderingen (zoals de Stichting stelt) of (ook) als
stand-alonevorderingen (zoals gedaagden aanvoeren).
Follow-onvorderingen zijn in dit geval vorderingen die zijn gebaseerd op, en voortvloeien uit, de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht.
Stand-alonevorderingen zijn in dit geval vorderingen die zijn gebaseerd op, en voortvloeien uit, andere inbreuken op het mededingingsrecht.
8.9.1.
In het kader van de hiervoor onder 8.9 geformuleerde vraag moeten eerst de door de Stichting ingestelde vorderingen nader worden geanalyseerd. Vordering (1) richt zich uitsluitend op “het onrechtmatige kartelgedrag zoals vastgesteld in de Beschikking (het EC-Besluit;
rechtbank)”. Naar de rechtbank begrijpt, vallen de in vordering (2) genoemde “onrechtmatige gedragingen van het ethyleenkartel zoals vastgesteld in de Beschikking” hiermee samen. Vordering (2) voegt echter toe (de rechtbank wijst op het door de Stichting gebruikte woord “en”) “de onrechtmatige handelingen van gedaagden zoals beschreven in het lichaam van de dagvaarding en de in het geding gebrachte producties”. De Stichting licht niet, althans niet voldoende, toe waaruit deze “onrechtmatige handelingen” bestaan. De Stichting licht in het bijzonder niet, althans niet voldoende, toe dat deze onrechtmatige handelingen meer of anders inhouden dan de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht. Zij licht voorts niet toe hoe de in vordering (2) vervatte toevoeging zich verhoudt tot vordering (1), waarin het zoals gezegd uitsluitend gaat om “het onrechtmatige kartelgedrag zoals vastgesteld in de Beschikking”. Zij licht tot slot niet toe hoe deze toevoeging zich verhoudt tot haar consequente stelling dat haar vorderingen moeten worden gekwalificeerd als
follow-onvorderingen (welke stelling andere inbreuken op het mededingingsrecht dan de in het EC-Besluit vastgestelde uitsluit). Gelet op dit alles gaat de rechtbank hierna uitsluitend uit van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht.
8.9.2.
Zoals hiervoor al verschillende keren is vermeld, heeft de Europese Commissie deze inbreuk op het mededingingsrecht omschreven als “exchanging sensitive commercial and pricing-related information” en “fixing a price element related to the purchase of ethylene”. Bij dit laatste gaat het, zoals hiervoor ook al verschillende keren is vermeld, om de
Monthly Contract Price(de MCP). Mede gelet op de wijze van totstandkoming, elke maand opnieuw, van de MCP is aan de zijde van gedaagden allereerst sprake van beoogd bepalen van de MCP. In dit verband wordt ook verwezen naar hetgeen hiervoor onder 8.2 is overwogen. Of de MCP daadwerkelijk is bepaald, althans beïnvloed - in andere woorden of de inbreuk effect heeft gehad -, moet hiervan worden onderscheiden (en moet – in het kader van de gevolgen van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht – afzonderlijk worden onderzocht).
8.9.3.
Gedaagden voeren het verweer dat de Stichting zich in (de grondslagen van) haar – uiteindelijk op schadevergoeding gerichte – vorderingen qua plaats, tijd en product buiten de in het EC-Besluit getrokken grenzen begeeft. Dit maakt deze vorderingen volgens hen tot
stand-alonevorderingen.
Zoals hiervoor onder 8.9.1 is geoordeeld, gaat de Stichting uitsluitend uit van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht. Dit staat er volgens haar niet aan in de weg dat in het kader van de gevolgen van deze inbreuk meer of andere plaatsen, tijden en producten aan de orde komen dan de in het EC-Besluit genoemde. De Stichting stelt dat de MCP daadwerkelijk door gedaagden is beïnvloed, hetgeen vervolgens bij de Repsol-entiteiten heeft geleid tot schade in de vorm van verminderde inkomsten (
undercharge) uit verkooptransacties waarbij de MCP is gehanteerd. Of dit het geval is, zal hierna worden onderzocht en is bepalend voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van de Stichting, of deze nu als
follow onof als
stand alonemoeten worden gezien. De rechtbank gaat daar voor dit moment niet verder op in.
8.9.4.
De Stichting suggereert dat gedaagden ook anders dan door het beïnvloeden van de MCP de verkoopopbrengsten van de Repsol-entiteiten neerwaarts hebben beïnvloed. De Stichting licht deze stelling niet, althans niet voldoende, toe. In dit verband wordt ook gewezen op nummer 6 van de pleitaantekeningen (algemeen deel) van de advocaten van de Stichting:
Het debat van vandaag is (…) beperkt tot de vraag of (i) de Benadeelde Partijen [de Repsol-entiteiten;
rechtbank] producten hebben verkocht waarvan de prijs mede werd bepaald (of anderszins geraakt) door de MCP; en (ii) de inbreuk door Kartellisten [gedaagden;
rechtbank] een daadwerkelijk effect heeft gehad op de MCP, meer specifiek of de mogelijkheid aannemelijk is dat de Benadeelde Partijen schade hebben geleden als gevolg van het kartel.
Gelet hierop gaat de rechtbank hierna uit van de MCP als scharnier tussen de inbreuk op het mededingingsrecht en de uiteindelijke schade.
Materieel toepasselijk recht
8.10.
Vanwege het internationale karakter van het geschil rijst de vraag naar het materieel toepasselijke recht.
8.10.1.
Artikel 10:2 BW Pro bepaalt dat de regels van internationaal privaatrecht en het door die regels aangewezen recht ambtshalve worden toegepast.
8.10.2.
De Stichting betoogt dat het toepasselijk recht in dit geval moet worden bepaald aan de hand van de Verordening Rome II [9] . Op grond van artikel 6 lid Pro 3, onder b van deze verordening kiest zij voor Nederlands recht.
8.10.3.
Gedaagden refereren zich aan het oordeel van de rechtbank. Celanese, Vestolit en Westlake doen dit voorlopig. Celanese en Vestolit wijzen op een procedure die inmiddels heeft geleid tot prejudiciële vragen van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.10.4.
De rechtbank overweegt dat artikel 6 (Oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken) lid 3, onder b Verordening Rome II, voor zover hier van belang, luidt:
Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder (…) verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor dat gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elke van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt.
Van de hiervoor onder 8.10.3 bedoelde vragen van de Hoge Raad aan het Hof van Justitie van de Europese Unie [10] is in dit geding in het bijzonder de vierde vraag van belang, die als volgt luidt:
4. ( a) Moet art. 6 lid Pro 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat, om een eenzijdige rechtskeuze te kunnen maken, niet alleen moet zijn voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden, maar ook aan de voorwaarde dat de benadeelde in meerdere landen schade heeft geleden, waaronder het land waar zijn vordering aanhangig is (zie hiervoor in 4.7.3-4.7.5)?
( b) Moet art. 6 lid Pro 3, onder b, Verordening Rome II aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om een eenzijdige rechtskeuze te maken alleen openstaat voor benadeelden die zelf schade hebben geleden, of aldus dat deze mogelijkheid ook openstaat voor eisers die
follow-onvorderingen van benadeelden overgedragen hebben gekregen (zie hiervoor in 4.7.6-4.7.7)?
8.10.5.
De rechtbank gaat met partijen op grond van de rechtskeuze van de Stichting uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht. De rechtbank ziet gezien het standpunt van partijen en mede gelet op de conclusie van AG Vlas voorafgaand aan genoemd arrest van de Hoge Raad (overweging 3.5) en het bepaalde in artikel 20 Rv Pro geen aanleiding de beslissing aan te houden tot de hiervoor genoemde vragen door het HvJ EU zijn beantwoord. Dit zou tot onredelijke vertraging van de procedure leiden.
Temporeel toepasselijk recht
8.11.
Mede vanwege de lange duur van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht en de invoering van een nieuwe richtlijn in die periode, rijst de vraag naar het temporeel toepasselijke recht.
8.12.
Met ingang van 26 december 2014 is in werking getreden Richtlijn 2014/104/EU [11] (hierna ook: de Richtlijn).
8.12.1.
Artikel 21 (Omzetting) lid 1 van de Richtlijn luidt, voor zover hier van belang:
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 27 december 2016 aan deze richtlijn te voldoen.
Artikel 22 (Toepassing in de tijd) lid 1 van de Richtlijn luidt:
De lidstaten zorgen ervoor dat geen terugwerkende kracht wordt gegeven aan de nationale maatregelen die krachtens artikel 21 worden Pro vastgesteld ter naleving van de materiële bepalingen van deze richtlijn.
8.12.2.
Met ingang van 10 februari 2017 is in Nederland in werking getreden de Implementatiewet [12] van de Richtlijn. Onder meer is in titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ingevoegd afdeling 3B (Schending van het mededingingsrecht), bestaande uit de artikelen 6:193k tot en met 6:193t. Het overgangsrecht is geregeld in artikel 173 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek.
8.12.3.
De Richtlijn is te laat geïmplementeerd, namelijk op 10 februari 2017 en dus na de in de Richtlijn genoemde uiterste termijn, te weten 27 december 2016. In geval van een te late omzetting van een EU-richtlijn door de nationale wetgever geldt voor de nationale rechter vanaf het moment van de verstrijken van de omzettingstermijn de algemene verplichting om het interne recht richtlijnconform uit te leggen (HvJ EG 4 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:443 (Ellinikos Organismos Galaktos)).
Celanese, Clariant en Vestolit wijzen op het arrest Volvo/RM (HvJ EU 22 juni 2022, ECLI:EU:C:2022:494), waarin is beslist dat artikel 17 lid 2 Richtlijn Pro niet temporeel van toepassing is op een schadevordering die betrekking heeft op een inbreuk van het mededingingsrecht die is beëindigd voor het verstrijken van de omzettingstermijn van de Richtlijn. Zij stellen dat de Richtlijn niet van toepassing is op transacties die zijn verricht voor de implementatie van de Richtlijn, althans de uiterste implementatietermijn daarvan.
8.12.4.
De inbreuk is in punt 1 van het EC-Besluit omschreven als
“a single and continuous infringement of Article 101 of the Treaty on the Functioning of the European Union”. Dat betekent dat alle gedragingen die de inbreuk vormen als een geheel moeten worden beschouwd, in die zin dat elke onderneming voor de gehele duur van haar deelname aan de inbreuk eveneens verantwoordelijk wordt gehouden voor de gedragingen van andere ondernemingen in het kader van deze inbreuk, zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt in afzonderlijke gedragingen, en zonder dat behoeft vast te staan dat elk van deze gedragingen op zichzelf en afzonderlijk beschouwd als inbreuk op artikel 101 VWEU Pro kan worden aangemerkt.
De deelname aan de inbreuk van Westlake eindigde op 29 juni 2016, dat is dus voor de uiterste termijn van implementatie en ook voor de daadwerkelijke implementatie van de Richtlijn in Nederland. De op de Richtlijn gebaseerde bepalingen zijn dus op Westlake niet van toepassing en er is geen verplichting tot richtlijnconforme interpretatie ten aanzien van Westlake.
Voor de overige gedaagden geldt dat hun deelname aan de inbreuk heeft geduurd tot 28 maart 2017 (Celanese en Vestolit) respectievelijk 29 maart 2017 (Clariant). In alle drie de gevallen is dat nadat de Richtlijn in Nederland was geïmplementeerd. Dit leidt tot de conclusie dat de op de Richtlijn gebaseerde bepalingen voor zover deze afhankelijk zijn van het moment dat de inbreuk eindigde van toepassing zijn op Celanese, Vestolit en Clariant.
Onrechtmatigheid
8.13.
Met het EC-Besluit is de onrechtmatigheid van de inbreuk op het mededingingsrecht gegeven. Dit betreft alle adressanten van het Besluit, zowel de directe (feitelijke) inbreukplegers als de overige gedaagden. In dit verband wordt verwezen naar HvJ EU 6 oktober 2021, ECLI:EU:C:2021:80 (Sumal).
Schade
8.14.
Artikel 3 (Recht op volledige schadevergoeding) van de Richtlijn luidt:
1. De lidstaten zorgen ervoor dat iedere natuurlijk persoon of rechtspersoon die schade heeft geleden door een inbreuk op het mededingingsrecht, de mogelijkheid heeft volledige vergoeding van die schade te vorderen en te verkrijgen.
2. Een volledige vergoeding brengt een persoon die schade heeft geleden, in de positie waarin die persoon zich zou hebben bevonden indien er geen inbreuk op het mededingingsrecht was gemaakt. Zij omvat dan ook het recht op vergoeding van het daadwerkelijke verlies en voor de gederfde winst, vermeerderd met de betaling van rente.
3. Volledige vergoeding uit hoofde van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het punitieve schadevergoeding, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.
8.15.
Artikel 17 (Schadebegroting) van de Richtlijn luidt, voor zover hier van belang:
1. De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast die geldt voor de begroting van de schade, dan wel de bewijsnorm het niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk maken om het recht op schadevergoeding uit te oefenen. De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale rechterlijke instanties overeenkomstig de nationale procedures bevoegd zijn om de schade te ramen, indien vaststaat dat een eiser schade heeft geleden maar het praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk is de geleden schade op basis van het beschikbare bewijsmateriaal nauwkeurig te begroten.
2. Kartelinbreuken worden geacht schade te berokkenen. De inbreukpleger heeft het recht dit vermoeden te weer leggen.
8.15.1.
Artikel 17 van Pro de Richtlijn is geïmplementeerd in artikel 6:193l BW. Dat artikel bepaalt dat een kartel, dat een inbreuk op het mededingingsrecht vormt, wordt vermoed schade te veroorzaken.
8.15.2.
Of en in hoeverre het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW hier op (alle onderdelen van) de schadevergoedingsvordering van de Stichting (materieel en temporeel) van toepassing is, kan in het midden blijven. Het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW is weerlegbaar, maar dat neemt niet weg dat de partij die stelt schade te hebben geleden als gevolg van een kartel zal moeten stellen dat is voldaan aan de aansprakelijkheidsvereisten van artikel 6:162 BW Pro. Op grond van artikel 150 Rv Pro rust de bewijslast van feiten die leiden tot het rechtsgevolg schadevergoeding op de partij die dit rechtsgevolg inroept. Artikel 6:193l BW verandert dit niet.
Causaal verband
8.16.
Hieraan gaat vooraf de vraag of er causaal verband is tussen de inbreuk en de gestelde schade in die zin dat de schade niet zou zijn ontstaan zonder de inbreuk (“conditio sine qua non verband”). Het gaat dan in de eerste plaats om de vraag of de inbreuk ook tot daadwerkelijke beïnvloeding van de MCP heeft geleid. De rechtbank gaat daarom eerst op die vraag in.
Daadwerkelijke beïnvloeding van de MCP
8.17.
Op de Stichting rust de stelplicht (en zo nodig de bewijslast) van de gevolgen van de in het EC-Besluit vastgestelde inbreuk op het mededingingsrecht. Zij zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat de MCP daadwerkelijk beïnvloed is door de inbreuk.
8.18.
De rechtbank merkt nogmaals op dat dit punt in het EC-Besluit uitdrukkelijk in het midden is gelaten; zie hiervoor onder 8.2.
Standpunt Stichting
8.19.
De Stichting stelt dat de Repsol-entiteiten transacties hebben verricht met diverse afnemers waarbij de prijs (mede) was gebaseerd op de MCP. Omdat de inbreuk vaststaat en op grond van het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW is het volgens de Stichting aannemelijk dat de Repsol-entiteiten door de inbreuk schade hebben geleden. Dit moet volgens de Stichting leiden tot verwijzing naar de schadestaat, teneinde de schade vast te stellen.
8.19.1.
De Stichting heeft zich bovendien beroepen op een onderzoek van SEO. SEO heeft de MCP tijdens de inbreuk vergeleken met de MCP na de inbreuk, maar exclusief de corona-periode.
Over de manier waarop gedaagden de MCP beïnvloed zouden kunnen hebben merkt het SEO-rapport het volgende op:
“In de ethyleen markt wordt de nettoprijs van ethyleen grotendeels bepaald door de MCP prijsindex/benchmark, die maandelijks wordt bepaald door de vrijwillige deelname van marktpartijen aan het zogenaamde MCP 2+2 "settlement" proces. Bij het MCP 2+2 “settlement" proces communiceren een verkoper en een koper een prijs aan een rapportagebureau. Het vermogen om de MCP te beïnvloeden vormt in dit geval het mechanisme achter de netto ethyleen prijszettingsmacht. Hierdoor wordt de netto ethyleenprijs of de ethyleen-MCP niet vastgesteld op basis van de inkoopvolumes of het marktaandeel van kopers, maar op hun vermogen om het MCP 2+2 "settlement" proces te beïnvloeden. Daardoor kunnen ook ondernemingen met een kleiner (gezamenlijk) marktaandeel de prijs beïnvloeden. Het marktaandeel is daarom, anders dan bij traditionele kartels, geen betrouwbare maatstaf voor prijszettingsmacht in de ethyleenmarkt.
(…)
Anders dan bij traditionele kartels manipuleerden de Kartellisten een prijsindex (de MCP) die ook door niet-karteldeelnemers werd gebruikt. Het kartel beïnvloedde daardoor ook de prijzen van verkopen aan niet-karteldeelnemers waarin de MCP als prijsbenchmark diende. Deze effecten ontstonden omdat niet-karteldeelnemers (..) de MCP als referentie gebruikten in hun contracten, waardoor de kunstmatig verlaagde prijs doorwerkte in hun transacties. Een directe contractuele relatie met de Kartellisten was hiervoor niet nodig.
(…)
Conclusie
De Kartellisten waren samengevat met hun afstemming in staat om ongeacht hun marktaandeel de MCP kunstmatig te verlagen omdat het beïnvloeden van het MCP 2+2 "settlement" proces de focus was van de samenspanning. Het ethyleenkartel had als gevolg hiervan de volgende effecten. Ten eerste had het effecten op alle verkopen van ethyleen (..) waarbij de prijs was gekoppeld aan de MCP, inclusief verkopen van de Benadeelde Partijen. Dit is ongeacht of er een contractuele relatie was met de Kartellisten of niet. Ten tweede had het kartel effecten op verkopen van ethyleen (..) die niet direct gekoppeld waren aan de gemanipuleerde MCP. Ten derde had het kartel na-ijleffecten na het einde van de kartelperiode. Vanwege deze effecten van het ethyleeninkoopkartel hebben de Benadeelde Partijen schade geleden.
Volgens SEO zijn factoren die van invloed zijn op de vraag naar en het aanbod van, ethyleen: het BBP binnen de eurozone, een elektriciteitsprijsindex, de prijs van gas en
de prijs van nafta op de spotmarkt. SEO heeft verschillende robuustheidsanalyses uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is dat de geschatte MCP-verlaging als gevolg van de kartelvorming door het ethyleenkartel statistisch significant is en ten minste 8,3 procent bedraagt.
Standpunt gedaagden
8.20.
Gedaagden betwisten dat de drempel voor verwijzing naar de schadestaat is gehaald. Zij stellen dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is. Elk van de gedaagden heeft daarvoor argumenten aangevoerd.
8.20.1.
Celanese en Vestolit stellen dat het enkele beroep van de Stichting op het bewijsvermoeden van artikel 6:193l BW niet volstaat, de Stichting had moeten aangeven op welke gronden zij meent dat de Repsol-entiteiten ten gevolge van de inbreuk schade heeft geleden.
8.20.2.
Celanese heeft een onderzoek laten doen door Compass Lexecon. De uitkomst was dat de prijzen die Celanese tijdens de inbreuk betaalde voor ethyleen, gecorrigeerd voor niet aan de inbreuk gerelateerde factoren, niet op statistisch significante wijze afweken van de prijzen die zij daarvoor en daarna betaalde.
Uit de analyse van Compass Lexecon volgt namelijk dat de netto-prijzen tijdens de inbreuk mogelijk 1,43% hoger waren dan in de periode voor de inbreuk en dat deze mogelijk 0,42% hoger waren dan na de inbreuk, wanneer de Covid-19 periode wordt meegenomen. Wanneer de Covid-19 periode niet wordt meegenomen in de analyse, komt Compass Lexecon tot een negatief prijseffect van 0,92%. Deze resultaten zijn niet statistisch significant. Compass Lexecon heeft “robustness checks” uitgevoerd; deze leiden niet tot een heel ander beeld, wat de aannemelijkheid van de bevindingen bevestigt.
Op grond van die bevindingen stelt Celanese dat de inbreuk geen schade heeft veroorzaakt voor leveranciers van ethyleen zoals de Repsol-entiteiten, zodat niet kan worden vastgesteld dat de inbreuk effect heeft gehad op de nettoprijzen.
8.20.3.
Clariant betwist dat het gedrag van gedaagden daadwerkelijk de MCP bij de betreffende inkopen van ethyleen heeft beïnvloed. De Stichting baseert dat slechts op het Besluit en het wettelijk vermoeden uit artikel 6:193l BW. Gedaagden kunnen dat ontzenuwen. Volgens Clariant zijn de door haar toegelichte specifieke omstandigheden van de betrokken ethyleenmarkt en het MCP proces in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland het tegenbewijs tegen het algemene vermoeden en de zeer beperkte stellingen van de Stichting dat de inbreuk effect heeft gehad op de MCP.
8.20.4.
Clariant beroept zich op een rapport van Compass Lexecon, waarin is onderzocht welk marktaandeel de verkopers en kopers hebben op de ethyleenmarkt in NWE en de ontwikkeling van de MCP is vergeleken met de ontwikkeling van de prijs van nafta en in vergelijking met maandelijkse voorspelling van ‘price-reporting agency’ IHS Markit.
Er zijn 10 verkopers in NWE (de Repsol-entiteiten horen daar niet bij). De meeste ethyleen is voor eigen gebruik van de producenten, zij verkopen 31-34% van de productie aan 24 kopers, gedaagden hebben samen een aandeel van 14% van deze markt. De MCP vertoont een beweging die parallel loopt met die van nafta. Het verschil tussen MCP en nafta vertoont een opwaartse tendens.
Het verschil tussen de MCP en de door IHS voorspelde MCP was als volgt:
Tijdens de inbreukperiode was 60% binnen de voorspelde range, 17,2% eronder en 22,4% erboven. Na de inbreuk was 75% in de voorspelde range, 11,8% eronder en 12,9% erboven.
8.20.5.
Volgens Vestolit blijkt uit een econometrische analyse van Oxera dat er geen indicaties zijn voor een
underchargeop de ethyleen MCP als gevolg van de inbreuk, dus is er geen schade. Oxera heeft een vergelijking gemaakt van de MCP tijdens en na de inbreuk. Daarbij is gelet op de volgende factoren: de prijs van nafta (in $), de prijs van elektriciteit, de wisselkoers $/EUR, de Chemicals BCI als vraagvariabele, de olieprijs en de prijs van plastics. Oxera vindt geen statistisch significant effect; zij vindt een prijsverhoging van € 1.07, dat is 0,1%. Door een inbreuk zou men een prijsverlaging verwachten.
Dit resultaat is volgens Vestolit ook goed verklaarbaar en plausibel. De prijs voor ethyleen wordt met name gedreven door de kosten. De correlatie tussen de ethyleenprijzen en de prijs van nafta, is zeer hoog. De prijs van nafta en ruwe olie daalde gedurende de inbreukperiode harder dan de MCP en de marge van leveranciers van ethyleen is blijvend gestegen. Dat is in strijd met de theorie van de Stichting dat de inbreuk een negatief effect zou hebben gehad op de MCP.
De onderhandelingspositie (
bargaining power) van afnemers was om verschillende redenen relatief zwak ten opzichte van de zeer sterke positie van de leveranciers van ethyleen.
Volgens Vestolit is sprake van een sterk geconcentreerde, oligopolistische aanbodzijde vanwege
(i) het beperkte aantal leveranciers dat is aangesloten op het ARG+ Netwerk,
(ii) de hoge transportkosten,
(iii) de beperkte hoeveelheid ethyleen die op de ethyleen handelsmarkt in NWE voor afname beschikbaar is en
(iv) de hoge drempels voor toetreding tot het ARG+ Netwerk.
De aankoopzijde van de ethyleen handelsmarkt in NWE is juist zeer gefragmenteerd. Dat betekent dat ethyleenleveranciers met een veel groter aantal afnemers kunnen onderhandelen dan het aantal leveranciers waarmee de afnemers kunnen onderhandelen. Daarnaast zijn de ethyleenleveranciers gemiddeld genomen groter dan de afnemers (gemeten in aanbod en afname). Dat maakt dat iedere ethyleenleverancier niet alleen met meer afnemers kan onderhandelen, maar ook dat iedere afnemer slechts een klein deel van het verkoopvolume van een ethyleenleverancier vertegenwoordigt. Al deze factoren verzwakken de onderhandelingspositie van de afnemers en versterken juist de positie van de ethyleenleveranciers.
Gedaagden vertegenwoordigen slechts een 15% van de aankoopzijde van de ethyleen handelsmarkt in NWE.
Volgens Vestolit is de ethyleen handelsmarkt in NWE tussen de leveranciers onderling zeer transparant. De leveranciers beschikken over veel marktgegevens en vergaande inzichten in elkaars prijstrends, contractspartijen en verkoopvolumes op de ethyleenmarkt in NWE. Dit betekent dat de leveranciers tijdens onderhandelingen steeds konden beoordelen of prijzen competitief waren of niet.
De marges van ethyleenleveranciers namen toe tijdens de inbreukperiode, wat er volgens Vestolit op wijst dat afnemers, en dus ook gedaagden, er helemaal niet in slaagden de ethyleen MCP in hun voordeel te beïnvloeden.
8.20.6.
Westlake beroept zich op immuniteit; dit onderwerp komt hierna zo nodig aan de orde. Verder wijst zij erop dat de MCP in prijsformules voorkomt, samen met een korting. De door de Repsol-entiteiten verleende korting is in de loop van de jaren gestegen. Als door de inbreuk de MCP kunstmatig zou zijn verlaagd, zouden marktdeelnemers de kortingen hebben verlaagd om winstmarges te handhaven. Voor parapluschade of een na-ijleffect is onvoldoende gesteld.
Feitelijke gang van zaken
8.21.
De rechtbank heeft het ter nadere beoordeling van de aannemelijkheid van de mogelijkheid van schade nodig geoordeeld dat nader inzicht werd gegeven in de feitelijke gang van zaken die tot de
settlementsheeft geleid en de mate waarin gedaagden daarbij betrokken waren.
8.21.1.
Na afloop van de mondelinge behandeling van 2 december 2025 is de zaak naar de rol verwezen opdat gedaagden bij akte een overzicht konden geven van hun betrokkenheid, van maand tot maand gedurende de inbreukperiode, bij de vaststelling van de MCP doordat zij partij waren bij een van de twee
settlements, waarbij zij ook konden ingaan op eventuele afwijkingen van de 2+2-regel. Gedaagden hebben vervolgens akten genomen, de Stichting heeft een antwoordakte genomen.
8.21.2.
Gedaagden hebben over de periode van de inbreuk gegevens verstrekt die van ICIS zijn verkregen over de bij de
settlementsbetrokken partijen en hebben deze gecombineerd met andere gegevens die hen bekend waren om partijen die door ICIS alleen met een letter waren aangeduid te identificeren. Dit heeft tot een overzicht geleid, waarvan de feitelijke juistheid door de Stichting niet is betwist. Een deel van dit overzicht luidt als volgt:
8.21.3.
Gedaagden stellen dat uit het genoemde overzicht blijkt dat dikwijls niet slechts twee koppels van afnemers en leveranciers een relevante MCP
settlementovereenkwamen, maar meerdere (deels overlappende)
settlementpairs betrokken waren bij de totstandkoming van de MCP, het gemiddeld aantal koppels over de relevante periode bedraagt 4,47. In het merendeel van de maanden waren nog meerdere andere niet bij de inbreuk betrokken marktdeelnemers betrokken (zowel andere leveranciers als ook niet bij de inbreuk betrokken afnemers). Met andere woorden, gedaagden konden in geen geval onderling de MCP bepalen.
8.21.4.
De Stichting stelt dat de door gedaagden in het geding gebrachte informatie hun consistente deelname aan het
MCP Settlement Procesgedurende de inbreukperiode bevestigt. Gedaagden domineerden het
MCP Settlement Procesdoor hier in de kartelperiode consistent aan deel te nemen. Omdat de MCP alleen wordt vastgesteld op basis van
settlementsvan bepaalde partijen die vrijwillig deelnemen aan het
MCP Settlement Procesis dit geen “marktwijde consensus”.
In de periode februari 2013 tot en met april 2017 waren gedaagden in 49 van de 51 maanden partij bij een
settlementen in 11 van die maanden waren uitsluitend gedaagden onderdeel van de
settlementpairs. In slechts 2 van de 51 maanden waren gedaagden niet betrokken bij het
MCP Settlement proces. Voor de periode tussen januari 2012 en februari 2013 is het beeld vergelijkbaar, aldus de Stichting.
8.21.5.
De rechtbank stelt vast dat gedaagden zeer vaak aan het
settlementproces deelnamen, al blijkt uit genoemd overzicht dat ook andere afnemers zeer regelmatig bij dat proces betrokken waren. In de inbreukperiode (voor zover gedaagden daarover gegevens in het geding hebben gebracht, te weten over de periode van februari 2013 tot en met april 2017) zijn 51
settlementsgeregistreerd. Daarbij was in 38 gevallen (75%) tenminste een van de gedaagden betrokken en in 13 gevallen (25%) waren dat uitsluitend niet gedaagden als koper/afnemer. Verder is in een groot deel van de gevallen niet slechts sprake van twee
settlements, maar van meer dan twee, waarbij naast gedaagden veelal ook andere partijen betrokken waren.
Dat gedaagden het
MCP Settlement Proceshebben “gedomineerd”, zoals de Stichting ook wel stelt, kan uit dit overzicht niet worden afgeleid. Dat is gezien de aard van het MCP
settlementproces voor alleen gedaagden ook niet mogelijk, omdat een
settlementaltijd de instemming moet hebben van een leverancier. Wel kan worden gezegd dat gedaagden in verhouding tot hun marktaandeel van ongeveer 15% verhoudingsgewijs vaak bij
settlementsbetrokken zijn geweest. Maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hun betrokkenheid bij
settlementsook tot effectieve beïnvloeding van de MCP heeft geleid.
8.21.6.
De Stichting stelt dat het marktaandeel van gedaagden – anders dan gedaagden aanvoeren – in deze zaak geen betrouwbare maatstaf is voor hun prijszettingsmacht, omdat de MCP wordt bepaald door de vrijwillige deelname van marktpartijen aan dit proces en het dus niet een “marktwijde consensus” betreft.
8.21.7.
De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Het in het Besluit van de Europese Commissie genoemde verboden gedrag betreft onderlinge contacten tussen gedaagden. Dit kan slechts een effect hebben op de prijsvorming voor zover aanbieders van ethyleen in onderhandeling treden met gedaagden. Enerzijds betekent dit dat als aanbieders van ethyleen slechts in onderhandeling zouden treden met gedaagden en niet met andere kopers/afnemers, het feit dat gedaagden samen slechts ongeveer 15% van de totale afname van ethyleen voor hun rekening namen niet afdoet aan de invloed die zij door hun uitwisseling van informatie en hun onderling afgestemde gedragingen op de prijs zouden kunnen hebben. Als er echter vanuit wordt gegaan dat de aanbieders van ethyleen niet slechts in onderhandeling zijn getreden met gedaagden, maar ook met andere afnemers is het feit dat gedaagden samen slechts ongeveer 15% van de afname voor hun rekening namen wel degelijk relevant. Dit betekent immers dat er voor aanbieders van ethyleen volop alternatieven waren. Dit is in de praktijk ook gebleken, gezien de hiervoor onder 8.21.5 genoemde
settlementsvan aanbieders met andere afnemers dan gedaagden. Dit betekent dat uit het feit dat gedaagden een kartel vormden niet zonder meer kan worden afgeleid dat de alternatieven van aanbieders door het kartel daadwerkelijk zijn beperkt.
8.21.8.
De Stichting stelt dat in de maanden dat uitsluitend gedaagden onderdeel waren van de
settlementszij de MCP konden beïnvloeden door hun onderhandelingsgedrag op elkaar af te stemmen. Door informatie-uitwisseling en gecoördineerd optreden verzwakten zij de onderhandelingspositie van aanbieders. Aanbieders hebben dan minder alternatieve, onafhankelijke onderhandelingsmogelijkheden wanneer zij met een afnemer geen overeenstemming bereiken. De vermindering van het aantal onafhankelijke opties leidt tot een karteleffect, aldus de Stichting.
8.21.9.
De rechtbank merkt hierbij op dat ook in de maanden waarin uitsluitend gedaagden tot een
settlementzijn gekomen er vanuit kan worden gegaan dat aanbieders ook hebben onderhandeld met andere afnemers, die er immers volop waren en die ook regelmatig aan
settlementsdeelnamen. Als ook met andere afnemers onderhandelingen hebben plaatsgevonden mag worden aangenomen dat die andere afnemers geen hogere prijs hebben geboden dan gedaagden, omdat het met hen niet tot een
settlementis gekomen en met gedaagden wel. Uit het feit dat twee van gedaagden tot een
settlementmet de aanbieders zijn gekomen kan daarom niet zonder meer worden afgeleid dat zij ook met succes de prijs neerwaarts hebben gemanipuleerd door onderlinge gegevensuitwisseling en onderling afgestemde gedragingen.
8.21.10.
De Stichting beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt op het SEO-rapport. Dit geeft geen inzicht in de wijze waarop de MCP volgens SEO beïnvloed zou zijn, omdat die beïnvloeding tot uitgangspunt wordt genomen, zoals blijkt uit de onder 8.19.1 weergegeven citaten uit het SEO-rapport. Daartegenover worden de bevindingen van dit rapport weersproken door alle rapporten van de kant van gedaagden.
8.21.11.
De Stichting beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt verder op een aantal hierna te bespreken voorbeelden.

Situatie 1
Stel dat de Kartellisten (gedaagden;rechtbank
) zonder kartel akkoord zouden zijn gegaan met een MCP van € 1.100. Door de illegale afspraken weten zij dat verkopers niet kunnen uitwijken naar andere kopers binnen het kartel. De Kartellisten zetten daarom in op een MCP van € 1.000. In een situatie zonder kartel had een verkoper bij een bod van € 1.000 kunnen uitwijken naar andere kopers die bereid zouden zijn een MCP van € 1.100 te accepteren. Door de informatie-uitwisseling ontbreken deze uitwijkmogelijkheden en kunnen de Kartellisten sterker onderhandelen voor een lagere MCP.”
8.21.12.
De rechtbank acht dit voorbeeld niet overtuigend. Terecht zegt de Stichting dat gedaagden door de illegale afspraken weten dat verkopers niet kunnen uitwijken naar andere kopers binnen het kartel. Daarbij laat zij echter buiten beschouwing dat aanbieders van ethyleen hun eigen inschatting zullen maken van de juiste prijs en als zij menen dat die € 1.100 moet zijn, een bod van een van gedaagden van € 1.000 niet zullen accepteren. Het zal zo zijn dat aanbieders geen andere deelnemer van het kartel bereid zullen vinden meer dan € 1.000 te betalen, maar dat neemt niet weg dat in dit geval aanbieders wel degelijk kunnen uitwijken naar andere afnemers, omdat gedaagden slechts 15% van de markt uitmaken en de overige afnemers 85%. Bovendien was er voor de aanbieders van ethyleen geen noodzaak om tot een
settlementte komen. De stelling dat door de informatie-uitwisseling de uitwijkmogelijkheden voor aanbieders van ethyleen ontbraken kan dan ook niet worden gevolgd.
8.21.13.
De Stichting stelt verder dat, anders dan gedaagden stellen, het feit dat verkopers bereid zijn geweest om een
settlementaan te gaan met gedaagden er niet op duidt dat zij een goede prijs hebben geboden. Zonder het kartel zou deze prijs hoger zijn geweest.
De Stichting illustreert dit met het volgende voorbeeld:
“Situatie 2
Stel opnieuw dat andere kopers bereid zijn akkoord te gaan met een MCP van € 1.050 en dat de Kartellisten zonder kartel zouden hebben ingestemd met € 1.100. Als de Kartellisten door collusie hun onderhandelingspositie versterken en de MCP weten te verlagen tot € 1.051, is dat een hogere prijs, maar nog steeds lager dan de prijs zou zijn geweest zonder kartel. Er is dus een karteleffect.”
8.21.14.
Dit voorbeeld overtuigt niet omdat dat wat moet worden aangetoond (namelijk een prijsbeïnvloeding door het kartel) in dit voorbeeld al als uitgangspunt wordt genomen.
Anchoring effect
8.21.15.
Volgens de Stichting is van bijzonder belang of een
settlementals eerste is gepubliceerd. Als één van gedaagden een eerste
settlementovereenkomt en deze wordt gepubliceerd, beïnvloedt dit de uiteindelijke MCP vanwege een ‘anchoring effect’. Ook wanneer de uiteindelijke
settlement afwijkt van de eerder vastgestelde MCP, heeft deze eerdere
settlementinvloed op de onderhandelingen die uiteindelijk tot de overeengekomen MCP leiden, aldus de Stichting.
8.21.16.
De ethyleenmarkt zoals deze in deze zaak aan de orde is, wordt er door gekenmerkt dat er een beperkt aantal aanbieders en afnemers is, die elk goed op de hoogte zijn van de voor de productiekosten relevante kostprijsfactoren, wat dat betreft een transparante markt. Daarnaast kunnen fluctuaties in vraag en aanbod van invloed zijn op de prijs. Het is de vraag of op deze markt een ‘initial settlement’ daadwerkelijk het door de Stichting beschreven ‘anchoring effect’ heeft. Dat is temeer zo omdat gedaagden voorbeelden hebben gegeven van gevallen waarin de ‘initial settlement’ niet is gevolgd en uiteindelijk een MCP voor een ander bedrag tot stand is gekomen. Zie nader hierna onder 8.21.21.
Cumulatief effect
8.21.17.
De Stichting stelt dat de cumulatieve effecten van in eerdere maanden afgestemde
settlementszullen hebben doorgewerkt in opvolgende maanden, ook in maanden dat gedaagden ervoor kozen geen onderdeel te zijn van de
Settlement Pairs.
8.21.18.
De rechtbank acht een dergelijk cumulatief effect onaannemelijk. Het is immers niet voor niets dat elke maand de MCP werd bepaald op basis van
settlements, waarbij naar moet worden aangenomen de verandering in kostprijsfactoren en fluctuaties in vraag en aanbod voor partijen de meest bepalende factoren waren om op dat moment een bepaalde prijs te vragen of te bieden en niet de achterhaalde MCP die de maand daarvoor was tot stand gekomen.
Dat de MCP telkens werd
weergegevenals een verhoging of verlaging ten opzichte van de MCP van de maand die daaraan vooraf ging, betekent niet dat de MCP ook (mede) door de MCP van de voorafgaande maand was
bepaald.
8.21.19.
De Stichting stelt verder dat alle kopers konden profiteren van de door het kartel verzwakte onderhandelingspositie van verkopers. Vanwege het kartel hadden verkopers minder opties, en hierdoor konden niet-kartellisten een lagere prijs bedingen. De Stichting geeft het volgende voorbeeld:
“Stel dat (i) de Kartellisten zonder kartel akkoord zouden zijn gegaan met een MCP van € 1.100; en (ii) zij in het kader van het kartel overeenkomen alle aanbiedingen hoger dan € 1.000 af te wijzen. Stel dat verkopers in dit scenario een MCP van € 1.000 te laag vinden en zoeken een overeenkomst met andere marktpartijen buiten het kartel. Deze niet kartellisten zijn bijvoorbeeld bereid akkoord te gaan met een MCP van € 1.050. Gegeven het bod van € 1.000 van de Kartellisten gaan verkopers akkoord met dit hogere alternatieve bod. Hoewel deze overeenkomsten niet met Kartellisten tot stand komen, is ook in dit scenario sprake van een karteleffect als zonder het kartel de MCP € 1.100 zou hebben bedragen.
In deze situatie zijn Kartellisten betrokken bij onderhandelingen in het MCP Settlement Proces maar uiteindelijk niet onderdeel van de Settlement Pairs van de Initial Settlement of bevestigende Settlement. Zij hebben desondanks de MCP beïnvloed, omdat de prijs door hun gedragingen is vastgesteld op € 1.050 in plaats van € 1.100. Dus ook zonder onderdeel te zijn van de Settlement Pairs konden de Kartellisten de MCP te beïnvloeden.”
8.21.20.
Deze redenering is niet overtuigend. Voorop moet worden gesteld dat alle afnemers streven naar de laagste prijs. Of afnemers nu hun biedingen op elkaar afstemmen (zoals gedaagden) of niet (zoals de rest van de markt), voor alle biedingen van afnemers zal gelden dat als aanbieders/leveranciers die te laag vinden zij zullen kiezen voor afnemers die een prijs willen betalen die zij wel acceptabel vinden en als zij die niet vinden staat het hen ook nog vrij geen
settlementte rapporteren.
De prijzen die gedaagden zouden willen betalen zullen bij andere afnemers niet bekend zijn, omdat zij geen deel uitmaken van het kartel. De prijsvorming tussen aanbieders en niet-kartellisten is dus niet verstoord en niet is in te zien welke invloed (te) lage biedingen van kartellisten op de onderhandelingen tussen aanbieders en niet-kartellisten zouden kunnen hebben. Ook valt niet in te zien waarom in het door de Stichting gegeven voorbeeld álle gedaagden zonder kartel meer zouden willen betalen dan andere afnemers zonder (kennis van het) kartel.
Afgewezen initial settlements
8.21.21.
Dat
initial settlementssoms zijn afgewezen, zoals door gedaagden met acht voorbeelden is onderbouwd, is volgens de Stichting geen indicatie dat het kartel geen effecten kan hebben gehad, maar bevestigt eerder de effecten. Zo kunnen gedaagden hebben afgesproken om een
initial settlementvan een derde niet te bevestigen, om een lagere MCP te bewerkstelligen. Vanwege de dominante rol van gedaagden in het
MCP Settlement Proceswas het zonder bevestiging van gedaagden zeer lastig om in de ethyleenmarkt een
settlementvast te stellen.
Een andere logische verklaring voor de afwijzing van
initial settlementsis dat gedaagden hun hand opzettelijk of onbewust overspeelden. Hoewel de
initial settlementin dit geval niet bevestigd is, kan deze nog steeds een effect hebben gehad op de uiteindelijke prijs door het ‘anchoring effect’, aldus de Stichting.
8.21.22.
De rechtbank acht wel mogelijk dat gedaagden hebben afgesproken een
initial settlementniet te volgen omdat ze de prijs te hoog vonden. Daarmee staat niet vast dat zij ook de MCP effectief hebben beïnvloed, immers de
initial settlementwerd alleen niet gevolgd als ook andere afnemers die geen deel uitmaakten van het kartel die prijs te hoog vonden. Met andere woorden gedaagden hadden het niet in hun macht door af te spreken om een
initial settlementvan een derde niet te bevestigen een lagere MCP te bewerkstelligen. Hooguit konden zij de kans daarop vergroten. Nog afgezien daarvan ziet de rechtbank geen “dominante rol van de Kartellisten” in het proces tot vaststelling van de MCP (zie onder 8.21.5).
De verklaring voor de afwijzing van
initial settlementsdat gedaagden ‘hun hand opzettelijk of onbewust overspeelden’ is onbegrijpelijk. Het waren immers niet gedaagden die eenzijdig een
settlementvaststelden, maar het waren gedaagden die een aanbieder bereid vonden te leveren voor de in de
settlementovereengekomen prijs. En dat die prijs dan in de relevante periode in acht gevallen vervolgens niet werd gevolgd en uiteindelijk een MCP tot stand kwam tegen aan andere prijs is wel degelijk een reden om te twijfelen aan het gestelde ‘anchoring effect’. Voor zover dat ‘anchoring effect’ zich al voordoet betreft het niet een door een afnemer bepaalde prijs, maar een prijs die zowel voor de afnemer als voor de leverancier acceptabel was, zodat uit de medewerking aan een
initial settlementgeen manipulatie van de MCP kan worden afgeleid.
Meer afnemers betrokken bij een settlement
8.21.23.
Volgens de Stichting is (anders dan gedaagden stellen) niet relevant of meer dan twee partijen aan de koperszijde betrokken waren bij een
settlement. Gedaagden hebben een neerwaartse druk op de MCP uitgeoefend door informatie uit te wisselen over de voortgang van onderhandelingen, effectieve argumenten te delen voor het verlagen van de MCP gegeven de actuele marktsituatie, en onderhandelingsposities en timing van
settlementste coördineren. Dat naast gedaagden ook één of meerdere andere partijen bij een
settlementbetrokken zijn, doet hier niet aan af. Het ethyleenkartel is een inkoopkartel rond een prijsindex. Een lagere MCP werkt marktbreed door en komt alle kopers ten goede, ook kopers die geen onderdeel zijn van het kartel. Niet-kartellisten hebben daardoor geen prikkel om actief te streven naar een hogere MCP dan een door collusie kunstmatig lage MCP. Dit verschilt van een verkoopkartel, waar niet-kartellisten wél een prikkel kunnen hebben om lager te prijzen om afzet of marktaandeel te winnen. Aanvullende kopers hebben dan ook geen prikkel om een hogere
settlementovereen te komen dan gedaagden, en dit verklaart de maanden dat meerdere kopers een
settlementvolgden, aldus de Stichting.
8.21.24.
In de eerste plaats gaat deze redenering mank doordat al wordt uitgegaan van effectieve beïnvloeding van de MCP door gedaagden, terwijl het in dit geding juist de vraag is of gedaagden de MCP daadwerkelijk hebben beïnvloed.
Ten tweede is de zin
“Niet-kartellisten hebben daardoor geen prikkel om actief te streven naar een hogere MCP dan een door collusie kunstmatig lage MCP”onbegrijpelijk. Alle afnemers zullen immers naar de laagste prijs streven. Omdat de niet-kartellisten hun gedragingen niet afstemmen met andere marktdeelnemers is de prijsvorming tussen aanbieders en niet-kartellisten in ieder geval niet verstoord en niet is in te zien op welke grond de
settlementtussen aanbieders en niet-kartellisten beïnvloed zou kunnen zijn door het gedrag van gedaagden. Er moet dus juist vanuit worden gegaan dat de met de niet-kartellisten overeengekomen
settlementeen marktconforme niet door het kartel beïnvloede prijs is. Dat betekent dat als die prijs overeenkomt met een
final settlementwaarbij een van gedaagden betrokken was, mag worden aangenomen dat ook die met die gedaagde overeengekomen prijs marktconform is en dat dus van een succesvolle neerwaartse manipulatie van de MCP geen sprake is geweest.
De schadetheorie van de Europese Commissie
8.21.25.
De rechtbank bespreekt in aansluiting hierop de wijze waarop volgens de Europese Commissie de MCP beïnvloed zou kunnen zijn. Het EC-Besluit zegt daarover het volgende:
“The conduct adopted by the parties ultimately aimed at reducing or eliminating uncertainty and information asymmetry as to the future pricing behaviour of parties on the ethylene purchasing market, thereby enabling the parties to make decisions based on more specific and reliable data in comparison, for instance, with information received from ethylene sellers. The parties knowingly substituted the risks of competition through practical co-ordination between them.”
8.21.26.
De Europese Commissie gaat ervan uit dat gedaagden door onderling overleg over meer specifieke en betrouwbare informatie konden beschikken dan de informatie waarover zij anders beschikt zouden hebben, bijvoorbeeld de informatie die zij ontvingen van de verkopers van ethyleen. Inderdaad is denkbaar dat gedaagden door informatie-uitwisseling hebben kunnen beschikken over informatie waarover zij anders niet zouden hebben kunnen beschikken, bijvoorbeeld als zij de vraagprijzen en de daarvoor genoemde argumenten van verschillende aanbieders met elkaar uitwisselden of als zij hun eigen biedingen, de daarvoor genoemde argumenten of de door hen nagestreefde MCP met elkaar deelden. Vraag blijft of die gezamenlijke informatiepositie (van afnemers die 15% van de markt uitmaakten) hen in staat stelde de MCP daadwerkelijk te beïnvloeden. Dat kan alleen zo zijn als zij met behulp van die informatiepositie de handelingsmogelijkheden van aanbieders konden beïnvloeden. Zoals bij de bespreking van de door de Stichting gepresenteerde voorbeelden is overwogen, was dat echter niet het geval.
Hierbij moet ook nog worden opgemerkt dat “the risks of competition” hier afwijken van het normale geval, namelijk de situatie dat afnemers in hun behoefte aan een bepaald product moeten voorzien door het in te kopen en zich niet kunnen veroorloven met geen enkele van de aanbieders een koopovereenkomst te sluiten. De MCP maakte immers deel uit van langlopende leveringscontracten. Ook als een partij niet meewerkte aan een
settlement, konden de
settlementsvan andere partijen tot een MCP leiden. Dat brengt het kenmerk van een benchmark voor de prijsstelling mee. Dus was er voor afnemers geen risico om bij een te laag bod zonder ethyleen te komen zitten. Ook voor aanbieders van ethyleen was er geen noodzaak om tot een
settlementte komen, omdat hun afzet daar niet van afhing.
Al met al dwingt de hierboven geciteerde wijze waarop volgens de Europese Commissie de MCP beïnvloed zou kunnen zijn niet tot de conclusie dat die beïnvloeding ook daadwerkelijk effectief moet zijn geweest.
De economische analyses
8.22.
Zoals hiervoor besproken lopen de resultaten van de economische analyses uiteen. SEO berekent een ‘undercharge’ van tenminste 8,3%; de deskundigen aan de kant van gedaagden vinden bij verschillende benaderingen geen statistisch significante afwijking van de MCP tijdens de inbreuk.
Omdat deze resultaten elkaar tegenspreken en aan het rapport van SEO geen overtuigende ‘theory of harm’ ten grondslag ligt en deze evenmin na de zitting is gegeven in de door de Stichting gepresenteerde voorbeelden, is de rechtbank van oordeel dat uit de economische analyse van SEO niet kan worden afgeleid dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
Conclusie
8.23.
Het gaat hier niet om een prijs die gedaagden zelf in vrijheid konden vaststellen, maar om een benchmark, waarbij de garantie voor markconformiteit was gelegen in de 2+2-regel. Een MCP kon immers niet tot stand komen zonder dat twee aanbieders met een
settlementvoor een bepaalde prijs hadden ingestemd. Zij konden daarbij niet slechts met gedaagden, maar met alle afnemers onderhandelen en gedaagden namen met elkaar niet meer dan 15% van de te verhandelen ethyleen af. Onderling overleg tussen gedaagden beperkte leveranciers niet in hun mogelijkheden om tot een markconforme
settlementte komen.
In de dagvaarding heeft de Stichting geen duidelijke ‘theory of harm’ gepresenteerd. Ook het SEO-rapport bevat deze niet. In haar akte heeft de Stichting de wijze waarop volgens haar de MCP gemanipuleerd kan zijn uiteengezet aan de hand van de hierboven besproken voorbeelden. Dit zijn echter geen overtuigende voorbeelden, die effectieve beïnvloeding van de MCP als gevolg van het onderling overleg van gedaagden aannemelijk maken.
Ook de ‘theory of harm’ van de Europese Commissie kan niet tot de conclusie leiden dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is.
Al met al is de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk niet aannemelijk. Dus is de drempel voor verwijzing naar de schadestaat niet gehaald. De vorderingen van de Stichting worden afgewezen.
8.24.
De rechtbank komt gezien deze uitkomst niet toe aan de bespreking van de hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagden, en het immuniteitsverweer van Westlake en overige stellingen/verweren en verzoeken/vorderingen van partijen.
Proceskosten
8.25.
De Stichting zal, als in de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de aan de zijde van gedaagden gevallen proceskosten. Bij de hieronder staande begroting maakt de rechtbank de volgende opmerkingen:
- de inzet van dit geding is verwijzing naar de schadestaatprocedure, het belang bedraagt echter meer dan € 1 miljoen;
- Celanese Europe B.V. is verschenen bij mr. De Pree (die € 2.837,00 griffierecht heeft voldaan; Celanese Corporation en Celanese Services Germany GmbH zijn verschenen bij mr. Bredenoord-Spoek (die eveneens € 2.837,00 heeft voldaan); de drie Celanese-gedaagden zijn voor het overige gezamenlijk opgetrokken;
- de conclusies van antwoord van Celanese en Vestolit luiden voor een groot deel identiek maar bevatten ook eigen delen;
- de akten van gedaagden van na de mondelinge behandeling luiden identiek.
Dit alles brengt mee dat het hoogste liquidatietarief wordt gehanteerd en dat elke conclusie (behalve de akte) en mondelinge behandeling voor elke gedaagde voor een punt telt.
Celanese
Conclusie van antwoord
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Mondelinge behandeling van 2 december 2025
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Akte
Een half punt, tarief VIII, gedeeld door vier
€ 578,88
Nakosten
€ 189,00
Totaal
€ 10.029,88
Celanese Europe B.V.
Griffierecht
€ 2.837,00
Celanese Corporation en Celanese Services Germany GmbH
Griffierecht
€ 2.837,00
Clariant
Griffierecht
€ 2.837,00
Conclusie van antwoord
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Mondelinge behandeling van 2 december 2025
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Akte
Een half punt, tarief VIII, gedeeld door vier
€ 578,88
Nakosten
€ 189,00
Totaal
€ 12.866,88
Vestolit
Griffierecht
€ 2.837,00
Conclusie van antwoord
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Mondelinge behandeling van 2 december 2025
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Akte
Een half punt, tarief VIII, gedeeld door vier
€ 578,88
Nakosten
€ 189,00
Totaal
€ 12.866,88
Westlake
Griffierecht
€ 2.837,00
Conclusie van antwoord
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Mondelinge behandeling van 2 december 2025
Een punt, tarief VIII
€ 4.631,00
Akte
Een half punt, tarief VIII, gedeeld door vier
€ 578,88
Nakosten
€ 189,00
Totaal
€ 12.866,88
8.26.
De verhoging van de nakosten en de gevorderde wettelijke rente zijn toewijsbaar zoals vermeld in de beslissing.

9.De incidenten

In het eerste voorwaardelijke incident
9.1.
Het eerste incident is ingesteld onder de voorwaarde dat (i) de rechtbank tot het oordeel komt dat de vorderingen van de Stichting (nog) niet toewijsbaar zijn en zij nog enige bewijslast draagt.
Die voorwaarde is niet vervuld, omdat de toewijzing van de vordering niet afhangt van bewijslevering door de Stichting, maar de vordering nu al wordt afgewezen. In dit incident behoeft dus niet te worden beslist.
In het tweede voorwaardelijke incident
9.2.
Dit incident is ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen van de Stichting niet reeds dienen te worden afgewezen op basis van hetgeen de Celanese-gedaagden en de Vestolit-gedaagden in hun conclusie van antwoord hebben uiteengezet.
Omdat de vorderingen van de Stichting worden afgewezen is deze voorwaarde niet vervuld, Ook in dit incident behoeft dus niet te worden beslist.

10.De beslissing

De rechtbank:
10.1.
wijst het gevorderde af,
10.2.
veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding, tot dit vonnis aan de zijde van Celanese begroot op € 10.029,88, aan de zijde van Celanese Europe B.V. en aan de zijde van Celanese Corporation en Celanese Services Germany GmbH op nog eens € 2.837,00 en aan de zijde van elk van Clariant, Vestolit en Westlake op € 12.866,88, steeds te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als de Stichting niet tijdig aan deze veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet zij aan de betrokken gedaagden € 98,00 extra betalen plus de kosten van betekening;
10.3.
veroordeelt de Stichting in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de betrokken gedaagden zijn voldaan;
10.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. C.M.E. de Koning en mr. M.E.M. James-Pater, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.

Voetnoten

1.Commission Notice on Immunity from fines and reduction of fines in cartel cases
2.Hier geciteerd in de authentieke Engelse tekst;
3.In de bewoordingen van de dagvaarding en de vermeerdering van eis met (voorwaardelijke) incidentele inzagevordering ex art. 843a Rv;
4.De rechtbank leest: BW
5.Verdrag van 25 maart 1957, Trb. 1957, 249, zoals laatstelijk gewijzigd op 9 december 2011, Trb. 2012, 24 (i.w.tr. 1 juli 2013); in het Engels wordt aan dit Verdrag gerefereerd als TFEU
6.In de bewoordingen van de vermeerdering van eis met (voorwaardelijke) incidentele inzagevordering ex art. 843a Rv;
7.In de bewoordingen van de dagvaarding en de vermeerdering van eis met (voorwaardelijke) incidentele inzagevordering ex art. 843a Rv;
8.R.o. 3.2.3
9.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Rome II’), PbEU 2007, L 199 (i.w.tr. 20 augustus 2007; van toepassing m.i.v. 11 januari 2009, m.u.v. art. 29, dat van toepassing is m.i.v. 11 juli 2008)
10.HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 (Truckkartel)
11.Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie, PbEU 2014, L 349
12.Implementatiewet richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht van 25 januari 2017, Stb. 2017, 28