ECLI:NL:RBARN:2005:AU9666
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen voorziening voor toekomstige aansprakelijkstelling voor belastingschulden v.o.f.
Eiseres was samen met de heer A medevennoot in een vennootschap onder firma (v.o.f.) die tussen 1996 en maart 1999 een onderneming dreef. Na een boekenonderzoek legde de Belastingdienst naheffingsaanslagen omzet- en loonbelasting op aan de v.o.f. en stelde eiseres in 2004 hoofdelijk aansprakelijk voor deze belastingschulden. Eiseres betaalde de aanslagen en stelde een regresvordering op haar voormalige medevennoot.
De kern van het geschil was of eiseres in 1999 al een voorziening kon vormen voor deze toekomstige aansprakelijkstelling en de mogelijke oninbaarheid van de regresvordering. De rechtbank baseerde zich op eerdere uitspraken van het gerechtshof en de Hoge Raad, waarbij onder meer het oorsprongvereiste en de redelijke mate van zekerheid voor toekomstige uitgaven centraal stonden.
De rechtbank concludeerde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat ultimo 1999 al een redelijke mate van zekerheid bestond dat zij aansprakelijk zou worden gesteld en dat de regresvordering waardeloos zou zijn. Daarbij speelde mee dat de medevennoot de onderneming in 1999 verkocht en toen voldoende solvabel leek. Daarom werd de voorziening afgewezen en waren de beroepen ongegrond.
De rechtbank veroordeelde partijen niet in de proceskosten en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep en cassatie binnen de wettelijke termijnen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat eiseres in 1999 geen voorziening kon vormen voor toekomstige aansprakelijkstelling voor belastingschulden van de v.o.f.