ECLI:NL:RBARN:2006:AW2774
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering immateriële schadevergoeding wegens shockschade na moord op dochter
Op 22 juni 2003 werd de dochter van eiser, [betrokkene 1], door haar echtgenoot, gedaagde, om het leven gebracht. Gedaagde is hiervoor veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf en tbs. Eiser, de vader, vordert een immateriële schadevergoeding van €45.000 wegens shockschade en €14.809,30 aan buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank stelt vast dat eiser een nauwe affectieve band met zijn dochter had en dat hij binnen korte tijd na het misdrijf van de moord heeft vernomen en geconfronteerd is met de omstandigheden, waaronder het aanschouwen van het lichaam en expliciete foto’s van de verwondingen. De rechtbank oordeelt dat aan de criteria van het shockschade-arrest van de Hoge Raad is voldaan, zodat eiser aanspraak kan maken op vergoeding van shockschade indien geestelijk letsel is vastgesteld.
Gedaagde betwist het geestelijk letsel en het causale verband met zijn handelen. De rechtbank acht een deskundigenbericht noodzakelijk en beveelt aan een psychiater te benoemen om de aard en oorzaak van de klachten te onderzoeken. Daarnaast wordt eiser verzocht zijn vordering tot buitengerechtelijke kosten nader te specificeren en te onderbouwen.
De verdere beslissing wordt aangehouden tot na ontvangst van het deskundigenbericht en nadere specificatie van de kosten. Het vonnis is gewezen door mr A.E.B. ter Heide en op 29 maart 2006 uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en beveelt een deskundigenbericht aan om geestelijk letsel en causale verband vast te stellen.