ECLI:NL:RBARN:2006:BB9225
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terecht berekening heffingsrente bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2003
Eiser verzocht op 24 december 2004 om een nadere voorlopige aanslag voor het jaar 2004 van € 115.000, welk bedrag op 29 december 2004 werd bijgeschreven op de rekening van verweerder. Verweerder legde op 26 januari 2005 de voorlopige aanslag op, waartegen geen bezwaar werd gemaakt. Later werd een heffingsrente van € 1.016 in rekening gebracht bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2003.
Eiser betwistte de heffingsrente, met name vanwege het late tijdstip van terugbetaling van het bedrag van € 115.000, dat pas rond 2 mei 2005 aan eiser werd terugbetaald zonder rentevergoeding. De rechtbank oordeelde dat de heffingsrente terecht was berekend op grond van artikel 30f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De rechtbank stelde dat de belastingdienst de handelswijze van eiser met normale zorgvuldigheid had behandeld en dat het late tijdstip van terugbetaling een kwestie van invorderingsrente betrof, waarover eiser zich tot de ontvanger moet wenden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat heffingsrente niet bedoeld is als sanctie, maar als compensatie voor het tijdelijk gemis aan rente. De uitspraak werd op 21 juli 2006 in het openbaar uitgesproken door rechter A.M.F. Geerling.
Uitkomst: Het beroep tegen de berekening van heffingsrente is ongegrond verklaard.