ECLI:NL:RBARN:2008:BC2414
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over geschonken toekomstige huurtermijnen als resultaat uit overige werkzaamheden
Eiseres had voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen, waarin een bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden was opgenomen. Zij had aan haar zoon de nog niet vervallen huurtermijnen van augustus en september 2001 van een onroerende zaak geschonken via cessie. De vraag was of deze geschonken toekomstige huurtermijnen terecht als resultaat uit overige werkzaamheden zijn belast.
De rechtbank stelt vast dat de verhuur van de onroerende zaak aan de maatschap waarin de echtgenoot van eiseres participeert, een werkzaamheid vormt. Eiseres betoogde dat de huurtermijnen pas bij realisatie belast kunnen worden en dat deze bij haar zoon behoren. Verweerder stelde dat het bedrag van de geschonken huurtermijnen moet worden gezien als een onttrekking aan het werkzaamheidsvermogen en dus belast als resultaat uit overige werkzaamheden.
De rechtbank volgt de uitleg van de Wet IB 2001, met name de artikelen 3.94 en 3.95, waarin wordt bepaald dat voordelen uit werkzaamheid belast zijn en dat het winstregime met het leerstuk van kapitaalstortingen en -onttrekkingen van toepassing is. Persoonlijke motieven die leiden tot onzakelijk handelen worden gecorrigeerd. Omdat eiseres zich om persoonlijke redenen een voordeel heeft laten ontgaan, behoort dit bedrag tot het resultaat uit werkzaamheid.
De cessie en het verval van de huurtermijnen vonden beide in 2001 plaats, zodat het voordeel in dat jaar belast is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de geschonken huurtermijnen belast zijn als resultaat uit overige werkzaamheden in 2001.