ECLI:NL:RBARN:2008:BG1805
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Heffingsrente bij terugvordering voorlopige teruggaaf heffingskorting over 2004
Eiseres ontving in 2004 een voorlopige teruggaaf van de algemene heffingskorting, gebaseerd op het inkomen van haar fiscale partner. Omdat haar partner uiteindelijk geen belasting verschuldigd was, werd de teruggaaf teruggevorderd. Verweerder bracht heffingsrente in rekening over het terug te betalen bedrag. Eiseres stelde dat zij niet wist dat terugbetaling noodzakelijk was en dat de heffingsrente onterecht was.
De rechtbank oordeelde dat eiseres bij het aanvragen van de voorlopige teruggaaf op de hoogte had kunnen zijn van de terugbetalingsverplichting, aangezien dit duidelijk in de toelichting bij het aanvraagformulier stond. Het feit dat de terugvordering pas aan het einde van de wettelijke termijn plaatsvond, vormde geen belemmering voor het in rekening brengen van heffingsrente.
Wel matigde de rechtbank de heffingsrente omdat verweerder niet tijdig had gereageerd op een verzoek van eiseres om de voorlopige teruggaaf via een voorlopige aanslag terug te vorderen. De rechtbank vond dat een termijn van drie maanden na het verzoek redelijk was om een voorlopige aanslag op te leggen. Verweerder had dit niet binnen die termijn gedaan, waardoor het renteverlies deels voor zijn rekening kwam.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en herzag de beschikking heffingsrente. Tevens veroordeelde zij verweerder in de proceskosten van eiseres en gelastte vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat heffingsrente terecht is, maar matigt deze vanwege onzorgvuldig handelen van de Belastingdienst.