ECLI:NL:RBARN:2008:BG6038
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afwaardering oninbare vordering tot ondernemingsvermogen
Eiser, een tandarts met een eenmanspraktijk, maakte in 2002 €50.000 over aan een financieel adviseur met de bedoeling dat dit bedrag belegd zou worden voor een hoger rendement. De adviseur werd later failliet verklaard en het bedrag werd oninbaar.
Eiser bracht deze oninbare vordering in 2004 ten laste van zijn bedrijfsresultaat, maar de Belastingdienst weigerde deze afwaardering te accepteren. De kern van het geschil was of de vordering tot het ondernemingsvermogen behoorde en daarmee aftrekbaar was.
De rechtbank stelde vast dat het uitlenen van gelden niet tot de normale bedrijfsuitoefening van een tandarts behoort en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het om belegging van tijdelijk overtollige liquide middelen ging die tijdig beschikbaar zouden zijn voor de onderneming.
Ook was de vordering niet op de balans opgenomen en was er geen keuze gemaakt om deze tot het ondernemingsvermogen te rekenen. Daarom behoorde de vordering tot het privévermogen en was de afwaardering niet aftrekbaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat de vordering niet tot het ondernemingsvermogen behoort.