ECLI:NL:RBARN:2009:BK6842
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Arnhem verklaart beroep ongegrond tegen heffingsrente voorlopige aanslag inkomstenbelasting
Eiser verkocht op 30 november 2006 aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoorden en vroeg om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting voor 2006. De inspecteur legde een voorlopige aanslag op met heffingsrente vanaf 1 juli 2006. Eiser stelde beroep in tegen de heffingsrente, stellende dat deze onterecht was omdat de belastingschuld pas bij verkoopdatum ontstond en dat de aanslag niet tijdig was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat geen wettelijke grond bestond om de beschikking heffingsrente te vernietigen wegens overschrijding van de beslistermijn. Daarnaast werd het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM verworpen omdat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en de gekozen methode van heffingsrente berekening een fair balance waarborgt tussen algemeen belang en individuele rechten.
De rechtbank stelde dat de fictie van een gelijkmatige aangroei van de belastingschuld gedurende het kalenderjaar doelmatig en uitvoerbaar is en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Tevens werd geoordeeld dat de heffingsrente geen buitensporige last vormt gezien de omvang van het genoten inkomen en het belastingbedrag.
Het beroep werd ongegrond verklaard en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsrente bij de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2006 wordt ongegrond verklaard.