ECLI:NL:RBARN:2009:BK6854
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Arnhem oordeelt over ongebruikelijke terbeschikkingstellingen bij leningen van ouders aan zoon
In deze bestuursrechtelijke zaak bij de rechtbank Arnhem staat centraal of leningen verstrekt door ouders aan hun meerderjarige zoon, die een onderneming voerde, als in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstellingen moeten worden aangemerkt volgens artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001.
De rechtbank concludeert dat de leningen uit 2001, ondanks dat leningen tussen ouders en kind niet per definitie ongebruikelijk zijn, in dit geval wel ongebruikelijk zijn. Dit vanwege het grote belang dat de ouders hadden bij hun woning die onbezwaard moest blijven, het ontbreken van afdwingbare zekerheid en de achterstelling van een lening. De lening uit 2003 aan de zoon en diens echtgenote wordt niet als terbeschikkingstelling aangemerkt omdat deze niet aan de onderneming is verstrekt.
De rechtbank oordeelt dat de leningen uit 2001 oninbaar zijn en dat het negatieve resultaat daarvan moet worden meegenomen in het inkomen uit werk en woning. De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van €1.476,-. Tevens worden de proceskosten aan eisers toegekend. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de belastingaanslag tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van €1.476,-.