ECLI:NL:RBARN:2010:BM3857
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging erkenning minderjarige wegens ontbreken biologische vaderschap
De vrouw, als wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon C., verzocht de rechtbank om de erkenning van C. door de man te vernietigen op grond dat de man niet de biologische vader is. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 1:212 BW Pro alleen een bijzonder curator een verzoek tot afstammingskwesties namens een minderjarige kan indienen, waardoor de vrouw niet ontvankelijk was in haar verzoek.
De rechtbank benoemde een bijzonder curator die namens de minderjarige een voorwaardelijk verzoek tot vernietiging van de erkenning indiende. Dit verzoek werd gebaseerd op artikel 1:205 BW Pro en was tijdig ingediend. Vast stond dat de man niet de biologische vader was van C. en dat het in het belang van het kind was dat de juridische status werd aangepast aan de biologische werkelijkheid.
De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af wegens ontvankelijkheidsgebrek, maar vernietigde de erkenning van de man op het verzoek van de bijzonder curator. De man en de officier van justitie steunden het verzoek. De rechtbank benadrukte dat de belangen van het minderjarige kind kunnen verschillen van die van de wettelijk vertegenwoordiger en dat daarom een bijzonder curator is aangewezen voor afstammingszaken.
Uitkomst: De erkenning van de man als vader van de minderjarige C. wordt vernietigd en het verzoek van de moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard.