ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5239
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over BPM-heffing bij parallelimport van personenauto's
Eiseres, handelend in exclusieve merken auto's en houdster van een vergunning op grond van artikel 8 Wet Pro BPM, heeft BPM betaald over 56 auto's in de tijdvakken januari tot en met mei 2004 en juli 2004. Na bezwaar heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard, met uitzondering van een kleine teruggaaf voor mei 2004. Eiseres stelde dat verweerder onrechtmatig de door haar opgegeven BPM-bedragen op de maandaangiften had verhoogd en dat de auto's als gebruikt moesten worden aangemerkt, zodat zij recht had op een tegenbewijsregeling.
De rechtbank oordeelt dat de maandaangiften correct zijn ingevuld en voldaan en dat verweerder niet onrechtmatig heeft gehandeld door de bruto BPM-bedragen te herberekenen op het aangiftepunt. De auto's moeten worden vergeleken met nieuwe referentieauto's, zoals ook in het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2009 is vastgesteld. De omstandigheden, zoals geringe kilometerstanden en korte tijd tussen Duitse en Nederlandse registratie, ondersteunen dit oordeel. De door eiseres overgelegde taxatierapporten die uitgaan van gebruikte auto's worden terzijde geschoven.
De rechtbank concludeert dat eiseres geen te veel betaalde BPM heeft voldaan en dat de beroepen ongegrond zijn. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Arnhem op 19 mei 2011.
Uitkomst: De beroepen van eiseres tegen de BPM-heffing over de tijdvakken januari tot en met mei 2004 en juli 2004 worden ongegrond verklaard.