ECLI:NL:RBARN:2011:BR1231
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-aftrekbaarheid van testamentaire lijfrente-uitkering als onderhoudsverplichting
De zaak betreft de vraag of maandelijkse lijfrente-uitkeringen aan de voormalige partner van de overleden vader van eiseres aftrekbaar zijn als persoonsgebonden aftrek wegens onderhoudsverplichtingen volgens artikel 6.3 van de Wet IB 2001.
Eiseres bracht deze betalingen in aftrek als onderhoudsverplichting, maar verweerder stelde dat deze uitkeringen voortvloeien uit een testamentaire last en niet uit het familierecht, noch een dringende morele verplichting vormen. De rechtbank bevestigt dat de uitkeringen niet rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, omdat zij gebaseerd zijn op een testament en niet op Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Verder werd het vertrouwensbeginsel besproken: het eerdere standpunt van verweerder dat de betalingen aftrekbaar waren, werd tot en met maart 2007 gerespecteerd. Verweerder mocht het vertrouwen echter met onmiddellijke ingang opzeggen vanwege gewijzigde inzichten. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor de periode tot en met maart 2007 en oordeelde dat de aanslag dienovereenkomstig verminderd moet worden. Proceskosten werden deels toegewezen, maar een integrale vergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de lijfrente-uitkeringen niet aftrekbaar zijn als onderhoudsverplichting, maar respecteert het vertrouwensbeginsel tot en met maart 2007 en vermindert de aanslag dienovereenkomstig.