ECLI:NL:RBARN:2011:BU4371
Rechtbank Arnhem
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Loonvordering en aansprakelijkheid boete bij nulurencontract chauffeur
Werknemer trad in 2001 in dienst bij Roelofsen als oproepkracht chauffeur met een nulurencontract. Vanaf december 2010 werd hij minder ingepland, waarna hij loonvordering instelde op basis van het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW. De kantonrechter hanteerde een referentieperiode van een jaar in plaats van drie maanden, omdat de door werknemer gekozen periode niet representatief was vanwege seizoensinvloeden.
Op basis van de overgelegde urenstaten werd vastgesteld dat werknemer gemiddeld 89,25 uur per maand werkte. Dit leidde tot toewijzing van loon over de periode december 2010 tot september 2011, vermeerderd met vakantietoeslag en een gematigde wettelijke verhoging van 20%. De kantonrechter oordeelde dat werknemer als deeltijdmedewerker moet worden aangemerkt, waardoor geen recht op overurenvergoeding bestond.
Ten aanzien van de aan werknemer opgelegde boete wegens het niet goed vastzetten van de lading oordeelde de kantonrechter dat deze boete voor rekening van werknemer blijft. Hoewel werknemer stelde dat hij niet alle lading kon controleren binnen de beschikbare tijd, was hij als chauffeur verantwoordelijk voor de controle. Er was onvoldoende bewijs van opzet of roekeloosheid door werknemer, maar ook geen bijzondere omstandigheden die werkgever verplichten de boete te dragen.
De kosten van de procedure werden gecompenseerd en het meer of anders gevorderde werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door kantonrechter S.H. Bokx-Boom op 14 november 2011.
Uitkomst: Werknemer krijgt loonvordering toegewezen op basis van een jaarreferentie en boete blijft voor eigen rekening.