ECLI:NL:RBBRE:2006:AV0996
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van kapitaalsbelasting in relatie tot vrijheid van vestiging en kapitaalverkeer binnen EU
Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag kapitaalsbelasting over aandelenemissies in september 2002, waarbij de aandeelhouders in België woonachtig waren. Belanghebbende stelde dat de heffing in strijd was met de artikelen 43 en 56 van het EG-verdrag, die respectievelijk de vrijheid van vestiging en het vrije kapitaalverkeer binnen de EU beschermen.
De rechtbank stelde vast dat artikel 32 van Pro de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) correct uitvoering geeft aan de Europese richtlijn betreffende indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal. De rechtbank overwoog dat, ondanks het ontbreken van volledige harmonisatie van kapitaalsbelasting binnen de EU, Nederland gerechtigd is kapitaalsbelasting te heffen over kapitaalstortingen in in Nederland gevestigde lichamen.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende dat sprake zou zijn van discriminatie op grond van woonplaats en oordeelde dat de heffing niet leidt tot een ongeoorloofde belemmering van de vrijheid van vestiging of het kapitaalverkeer. Ook zag de rechtbank geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag kapitaalsbelasting blijft in stand.