ECLI:NL:RBBRE:2006:BA7850
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastingheffing vaste reiskostenvergoeding werknemer
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de loonheffing op het belaste gedeelte van zijn vaste reiskostenvergoeding, ontvangen van twee werkgevers in 2001. Hij stelde dat deze vergoeding onterecht werd belast en beriep zich onder meer op artikel 15d van de Wet op de loonbelasting 1964 en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank stelde vast dat de vergoeding niet was gebaseerd op de werkelijk gereden zakelijke kilometers en dat de werkgever geen kilometeradministratie bijhield. Hierdoor voldeed de vergoeding niet aan de voorwaarden van artikel 15d Wet LB juncto artikel 47 Uitv Pro.reg. LB 2001, die vereist dat vaste vergoedingen per kostencategorie naar aard en veronderstelde omvang zijn gespecificeerd.
Belanghebbende voerde ook aan dat de 40-dagenregeling van toepassing zou zijn en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden. De rechtbank verwierp deze stellingen, verwijzend naar de jurisprudentie van de Hoge Raad en het ontbreken van bewijs voor de toepassing van de 40-dagenregeling. De rechtbank concludeerde dat de belastingheffing terecht was en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het belaste gedeelte van de vaste reiskostenvergoeding is terecht aan loonheffing onderworpen.