ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ8026
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing van vergrijpboete bij onjuiste overdrachtsbelasting door notaris
Belanghebbende voerde samen met zijn broer een agrarische onderneming in maatschapsverband, welke per 1 januari 1992 werd ontbonden. Bij de notariële akte van scheiding en deling werd ten onrechte een te lage waarde (€ 37.600) voor het woonhuis opgegeven voor de overdrachtsbelasting, terwijl de waarde per oktober 2004 had moeten worden gehanteerd. De inspecteur legde een vergrijpboete van 25% op wegens deze onjuiste aangifte.
De rechtbank paste het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006 toe, waarin is bepaald dat opzet of grove schuld van een adviseur niet automatisch aan de belastingplichtige kan worden toegerekend. De rechtbank oordeelde dat de nalatigheid van de notaris niet aan belanghebbende kan worden toegerekend en dat belanghebbende zelf niet grove schuld had, mede gelet op zijn gebrek aan juridische kennis en het vertrouwen in de notaris.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de boetebeschikking en de uitspraak op bezwaar, en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Belanghebbende had de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden verlangd bij de samenwerking met de notaris.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de vergrijpboete wegens onjuiste overdrachtsbelasting en oordeelt dat belanghebbende niet grove schuld heeft gehad.