ECLI:NL:RBBRE:2007:BA2030
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank bevestigt rechtvaardiging tariefverschil motorrijtuigenbelasting bestelauto’s ondernemers en particulieren
De rechtbank Breda behandelde een geschil over de motorrijtuigenbelasting (MRB) voor bestelauto’s waarbij belanghebbende bezwaar maakte tegen naheffingsaanslagen voor de periode van oktober 2005 tot februari 2006. De kern van het geschil betrof de tariefstelling die sinds 1 juli 2005 geldt, waarbij ondernemers een lager tarief betalen dan particulieren voor bestelauto’s.
De rechtbank stelde vast dat de wetsgeschiedenis aangeeft dat het oorspronkelijke plan was om het MRB-voordeel voor alle bestelauto’s af te schaffen, maar dat de Tweede Kamer heeft verzocht om een regeling die ondernemers ontziet. Dit leidde tot een tariefonderscheid waarbij ondernemers die hun bestelauto meer dan bijkomstig voor hun onderneming gebruiken, een lager tarief betalen.
Belanghebbende stelde dat dit onderscheid in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde echter dat zij niet bevoegd is de wet zelf te toetsen aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel, maar wel aan het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Hierbij is een ruime beoordelingsvrijheid voor de wetgever van toepassing. De rechtbank concludeerde dat het voorkomen van oneigenlijk gebruik van de regeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het tariefverschil.
Daarmee bleef de wetgever binnen zijn beoordelingsmarge en was het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting is ongegrond verklaard omdat het tariefverschil tussen ondernemers en particulieren gerechtvaardigd is.