ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0311
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing en toerekening waardeaangroei levensverzekering bij gehuwde directeur-grootaandeelhouder
Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een BV en gehuwd buiten gemeenschap van goederen, had in 1990 een levensverzekeringsovereenkomst afgesloten waarbij hij verzekeringnemer was voor het spaardeel en zijn echtgenote voor het risicodeel. In 2001 bedroeg de waardeaangroei van deze verzekering € 11.805, welke belanghebbende als resultaat uit overige werkzaamheden had aangegeven.
De kern van het geschil was of deze waardeaangroei geheel bij belanghebbende belast moest worden of deels aan zijn echtgenote kon worden toegerekend. Belanghebbende stelde dat deze inkomsten vergelijkbaar zijn met inkomsten uit aanmerkelijk belang, die partners vrij kunnen toerekenen, en dat daarom ook het resultaat uit overige werkzaamheden vrij toerekenbaar zou moeten zijn.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever bewust een uitzondering maakt voor inkomen uit aanmerkelijk belang vanwege de aard en het vaste tarief daarvan, en dat dit niet zonder meer geldt voor het resultaat uit overige werkzaamheden, dat progressief wordt belast. Ook stelde de rechtbank vast dat het volledige economische belang bij de polis bij belanghebbende ligt, die tevens de enige verzekeringnemer is met de bevoegdheid tot bestuur en wijziging van de polis. De echtgenote heeft slechts een begunstiging voor het overlijdensrisicodeel en geen economisch belang.
Daarom werd het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: De waardeaangroei van de levensverzekering wordt volledig belast bij belanghebbende omdat het economische belang bij hem berust.