ECLI:NL:HR:2006:AU2004
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Heffing inkomstenbelasting bij duurzaam gescheiden echtgenoten gehuwd in algehele gemeenschap van goederen
Belanghebbende en haar echtgenoot, gehuwd in algehele gemeenschap van goederen maar duurzaam gescheiden, waren in geschil over de heffing van inkomstenbelasting over winst uit aanmerkelijk belang en rente op vorderingen in 1996. De echtgenoot had het bestuur over de aandelen en ontving de rente, terwijl belanghebbende de helft van de waarde van de vorderingen in haar aangifte had opgenomen.
Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende de helft van de winst en rente had genoten en de aanslag dienovereenkomstig vastgesteld. De Hoge Raad vernietigde dit oordeel voor wat betreft de rente, omdat de belastingheffing moet aansluiten bij de beschikkingsbevoegdheid en het daadwerkelijk genieten van inkomsten. De winst uit aanmerkelijk belang wordt echter ieder voor de helft toegerekend, ook als een echtgenoot niet over de aandelen kan beschikken.
De Hoge Raad vermindert de aanslag dienovereenkomstig en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding en vergoeding van griffierecht en proceskosten. Hiermee wordt de belastingheffing aangepast aan de feitelijke bestuursbevoegdheid en het fiscaalrechtelijke begrip aanmerkelijk belang.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 6.414.072, waarbij rente-inkomsten niet aan belanghebbende worden toegerekend, en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en kostenvergoeding.