ECLI:NL:RBBRE:2007:BB0738
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Geen herinvesteringsreserve na verkoop melkquotum leidt tot afwijzing lijfrentepremieaftrek
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteren een melkveebedrijf in maatschapsverband. In 2001 verkochten zij hun melkquotum aan een derde en richtten in 2002 een BV op die per 1 januari 2003 tot de maatschap toetreedt. Belanghebbende claimde aftrek van lijfrentepremie gebaseerd op de vrijval van een herinvesteringsreserve.
De rechtbank stelt vast dat de verkoop van het melkquotum leidt tot staking van de onderneming, waardoor het vormen van een herinvesteringsreserve niet mogelijk is. Zelfs indien het voornemen tot herinvestering aannemelijk zou zijn, leidt dit niet tot het gewenste resultaat omdat niet de onderneming, maar slechts de geldelijke vergoeding is ingebracht in de BV.
De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat artikel 3.126 Wet IB 2001 niet van toepassing is. De inspecteur heeft de aanslag terecht gehandhaafd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 9 juli 2007.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat de verkoop van het melkquotum leidt tot staking van de onderneming en geen herinvesteringsreserve kan worden gevormd.