ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2537
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A. den Hartog
- J.J.J. Engel
- W. Brouwer
- Rechtspraak.nl
Ongebruikelijke terbeschikkingstelling bij borgstelling voor schulden vennootschap zoon
Belanghebbende stelde zich in 1997 borg voor de schulden van de vennootschap van zijn meerderjarige zoon zonder vergoeding te ontvangen. In 2001 werd hij aangesproken als borg en waardeerde hij de regresvordering op nihil af. De kern van het geschil was of sprake was van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling volgens artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.
De rechtbank volgde de inspecteur in diens stelling dat de last rust op belanghebbende om aannemelijk te maken dat de borgstelling ongebruikelijk is. De gebruikelijkheidstoets richt zich op de borgstelling zelf, aangezien de regresvordering voortvloeit uit de wet en als gebruikelijk wordt beschouwd. Belanghebbende slaagde er niet in bewijs te leveren dat de borgstelling ongebruikelijk was, ook niet binnen de familiecontext.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees erop dat de terbeschikkingstellingsregeling niet bedoeld is om negatieve resultaten uit borgstellingen zonder vergoeding als aftrekpost toe te staan. De wens tot keuzeherziening door belanghebbende leidt tot een hogere aanslag en kan niet tot een ander oordeel leiden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard.