ECLI:NL:PHR:2010:BL3577
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongebruikelijke terbeschikkingstelling van pand binnen familieverband leidt tot fiscale correctie
Belanghebbende en zijn zus kochten een pand van hun vader waarbij de koopprijs schuldig bleef en zij een hypothecaire lening met zakelijke voorwaarden aangingen. Vervolgens verhuurden zij het pand aan een vennootschap waarin hun vader een aanmerkelijk belang had. De vraag was of deze terbeschikkingstelling als maatschappelijk ongebruikelijk moest worden aangemerkt volgens artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.
De Rechtbank oordeelde dat de afzonderlijke overeenkomsten zakelijk waren en dat binnen de familiekring het schuldig blijven van de koopsom gebruikelijk is, zodat geen sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Het Hof vernietigde dit oordeel en stelde dat de beoordeling moet plaatsvinden op basis van het geheel van rechtshandelingen, inclusief de financiering en verkrijging van het pand. Het Hof vond het samenstel maatschappelijk ongebruikelijk omdat de vennootschap het pand volledig financierde zonder andere zekerheden dan de hypotheek, en de kinderen na 20 jaar het pand onbezwaard zouden verkrijgen zonder materiële tegenprestatie.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en benadrukte dat de toets van maatschappelijke ongebruikelijkheid een open en dynamische norm is die niet alleen naar de afzonderlijke overeenkomst kijkt, maar naar het geheel van omstandigheden. De bewijslast voor maatschappelijke ongebruikelijkheid ligt bij de inspecteur. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde dat de terbeschikkingstelling in dit geval ongebruikelijk is, waardoor de fiscale regeling van toepassing is.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de terbeschikkingstelling maatschappelijk ongebruikelijk is.