ECLI:NL:RBBRE:2007:BB2604
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.A. den Hartog
- J.J.J. Engel
- W. Brouwer
- Rechtspraak.nl
Gebruikelijkheidstoets borgstelling en terbeschikkingstelling in familierechtelijke context
Belanghebbendes echtgenoot heeft zich in 1997 borg gesteld voor de schulden van de vennootschap van hun meerderjarige zoon zonder vergoeding. In 2001 is hij aangesproken en is de regresvordering op de vennootschap tot nihil afgewaardeerd. De vraag was of sprake was van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling in de zin van artikel 3.92, derde lid, Wet IB 2001.
De rechtbank stelt dat de gebruikelijkheidstoets zich richt op de borgstelling, omdat de regresvordering voortvloeit uit de wet en als gebruikelijk wordt beschouwd. De last rust op belanghebbende om de ongebruikelijkheid aannemelijk te maken, wat niet is gelukt. De rechtbank volgt de inspecteur en verklaart het primaire beroep ongegrond.
Echter, belanghebbende en haar echtgenoot hebben een nieuwe verdeling van het vermogen voorgesteld, die de inspecteur accepteert. De aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht. Het beroep wordt daarmee deels gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt deels gegrond verklaard door vermindering van de aanslag op basis van een nieuwe vermogensverdeling, terwijl de primaire stelling over ongebruikelijke terbeschikkingstelling wordt verworpen.