ECLI:NL:RBBRE:2008:BC5919
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over niet-ontvankelijkheid en redelijke schatting vennootschapsbelastingaanslag
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een aanslag vennootschapsbelasting over 2002, die door de inspecteur niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd bezwaarschrift. De rechtbank oordeelde dat het bezwaar wel ontvankelijk was omdat uit het bezwaarschrift duidelijk bleek dat belanghebbende van mening verschilde met de inspecteur over de aanslaggrondslagen.
Omdat de standpunten voldoende bekend waren en terugwijzing niet tot gegrondverklaring zou leiden, besloot de rechtbank zelf in de zaak te voorzien. Belanghebbende had geen aangifte gedaan ondanks aanmaningen, waardoor op grond van de AWR de bewijslast bij haar lag om aan te tonen dat de aanslag onjuist was. Dit is niet gelukt, en de rechtbank achtte de schatting van € 5.000 redelijk.
Verder wees de rechtbank de stellingen van belanghebbende af dat de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht waren geschonden, en dat de termijn voor uitspraak op bezwaar was overschreden. Ook werden stukken die na het onderzoek ter zitting waren ingediend niet in behandeling genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag gehandhaafd en het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 13 februari 2008. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.