ECLI:NL:RBBRE:2008:BC5934
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over niet-ontvankelijkheid bezwaar en ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting
Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen een ambtshalve opgelegde aanslag vennootschapsbelasting over 2001, die was gebaseerd op een redelijke schatting vanwege het ontbreken van een ingediende aangifte. De inspecteur had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet motiveren daarvan, maar de rechtbank oordeelde dat het bezwaar wel degelijk gemotiveerd was en dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was.
De rechtbank besloot de zaak niet terug te verwijzen naar de inspecteur omdat de standpunten voldoende bekend waren en het niet waarschijnlijk was dat terugverwijzing tot een andere uitkomst zou leiden. Belanghebbende had geen aangifte gedaan ondanks aanmaningen, waardoor de bewijslast om de aanslag onjuist te achten bij haar lag. Deze bewijslast werd niet voldaan.
Daarnaast verwierp de rechtbank de stellingen dat de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht waren geschonden en dat de inspecteur de termijn voor uitspraak had overschreden. Het onderzoek ter zitting werd correct gevoerd, en stukken die na sluiting van het onderzoek waren ingediend werden niet in behandeling genomen.
De rechtbank handhaafde de aanslag en wees het beroep af. Tevens werd het door belanghebbende betaalde griffierecht vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige aangifte en de rechtsgeldigheid van ambtshalve aanslagen bij het ontbreken daarvan.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting wordt gehandhaafd.